24 Een onderzoek naar de profeten
De uitkomst van onze uiteenzetting heeft laten zien wat het ter sprake brengen van de vraag over de openbaring vereist. De betekenis is verhelderd en ook is de mogelijkheid en de waarschijnlijkheid vastgesteld dat het heeft plaatsgevonden. Toch is, zoals al gezegd, wat mogelijk en waarschijnlijk is, niet noodzakelijk wis en waarachtig. De prangende vraag is, of openbaring ooit heeft plaatsgevonden; of er op enigerlei wijze dringende redenen zijn om de bijbel te aanvaarden als een uiting van de wil van God.
Ons hoofddoel is het vinden van een antwoord op de vraag: is openbaring een feit? Vond het werkelijk plaats? Een dergelijk antwoord zal uiteraard afhangen van ons vermogen om bewijzen te vinden die de aanspraak van de profeten weerleggen of bevestigen. Nu is het, voordat een onderzoek kan beginnen, van belang om nauwkeurig te weten waar we op moeten letten. In dit geval moet duidelijk voor ogen staan wat voor bewijs we zouden willen vinden.
Op het eerste gezicht zou het ideale resultaat van een onderzoek van dit probleem de archeologische ontdekking zijn van onpartijdige bewijsmiddelen zoals bij voorbeeld Egyptische tijdgenoten, die de Israëlieten vergezelden op hun tocht door de wildernis en schreven over de gebeurtenissen bij de Sinaï; of Assyriërs, die Palestina bezochten en Amos of Jesaja gadesloegen en ondervroegen. De hedendaagse mens zou geneigd zijn om zulke getuigenissen betrouwbaarder te vinden dan de bijbelse weergaven. Een betoog waarin een groot aantal bijbelse weergaven bewezen worden geacht met als conclusie dat daarom de weergaven van openbaringen ook betrouwbaar zijn, zal tegengeworpen krijgen dat de ervaring van openbaring een klasse apart is. Hoe zou, wanneer dit het geval is, van Egyptenaren of Assyriërs* verwacht kunnen worden dat zij verslag uitbrengen van wat de essentie van de profetische ervaring vormt? Wat zou gewonnen zijn door het bezit van nog een verslag van de externe omstandigheden waarin de gebeurtenis bij de Sinaï heeft plaatsgevonden? Een vertoon van donder en bliksem met een geheimzinnige stem, die door de wolken dringt, zou inderdaad onpartijdig kunnen worden genotuleerd of gefilmd. Maar het natuurlijke aspect, wat het oog of het oor kon waarnemen, maakt niet zoveel uit. Donder en bliksem kunnen meer indruk maken op de zintuigen dan een zacht gefluister, Elia vertrouwde alleen ‘de stille, zwakke stem’. Het kenmerkende van de gebeurtenis bij de Sinaï, de inspiratie en geestelijke verheffing van een compleet volk, zou nooit door onpartijdige rapporteurs waargenomen, opgetekend en onderzocht kunnen zijn.
Wat geldt voor de Egyptische tijdgenoten van Mozes, geldt voor de Egyptenaren tot op de dag van vandaag. Iedereen is een Egyptenaar, die op een bepaald moment vraagt: ‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’ (Exodus 5:2).
Wat maakt iemand ontvankelijk en bereidwillig voor wat buiten het bereik van de ziel ligt? Waren de profeten begiftigd met een apart vermogen, met een bijzonder zintuig? Hiervan kon in hun uitingen geen spoor gevonden worden. De grote profeten hadden één trek gemeen: openbaring kwam als een verrassing, als een plotselinge uitbarsting. Dát zij hoorden deed hen meer schrikken dan wát zij hoorden. Hun waarnemingsvermogen ontstond met de openbaring zelf. Het is openbaring die de mens in staat stelt om een openbaring te ontvangen. Hij wordt ervaringsdeskundige.
[*Hun stamland lag in de hoogvlakte ten oosten van de Midden-Tigris.]
24.2 HET VERKEERDE GEDACHTE
Veel mensen verwerpen de bijbel op grond van de onjuiste gedachte dat bewezen is dat openbaring wetenschappelijk onmogelijk is. Het is toch zo eenvoudig: er is geen andere bron van denken dan de menselijke geest. De bijbel is een boek als elk ander en de profeten hadden geen toegang tot bronnen die voor ons ontoegankelijk zijn. De bijbel is alleen de nationale literatuur van het joodse volk. Daarom is openbaring voor de gemiddelde geest een soort geestelijke verschoppeling, die niet in aanmerking komt als onderwerp voor een debat. Op zijn best wordt openbaring als een sprookje beschouwd in overeenstemming met de voorstelling dat bliksem en donder tekenen van woede zijn van verschillende goden en demonen, en niet zozeer de plotselinge uitzetting van lucht op de weg van een elektrische ontlading. Inderdaad, is dit probleem niet al lang geleden door de psychologie en antropologie afgedaan als een vergissing van de primitieve mens die een illusie voor een bovennatuurlijke gebeurtenis heeft aangezien?De waarheid is dat openbaring een probleem is dat zich aan wetenschappelijk onderzoek onttrekt, dat geen wetenschapper ooit een lens vervaardigd heeft om haar mysterie te doorgronden. Wellicht is het de bijbelkritiek gelukt plekken in de zon te vinden en ons te dwingen om onze opvatting over de wijze waarop de tekst overgeleverd werd te herzien, maar de openbaring blijft buiten haar bereik. De intellectuele pubers die verkondigden dat Mozes nooit geleefd had en dat hij, als hij wel geleefd zou hebben, geen monotheïst was, is erg belangwekkend voor een psycholoog als voorbeeld van neigingen als van een beeldenstormer, maar is van weinig belang voor de zoektocht naar de geestelijke waarheid. De betrekkelijk geringe tegenstrijdigheden in de bijbel zouden alleen kunnen bewijzen dat de woorden in en voor vele verschillende situaties geschreven zijn, dat de tekst meer een organisme is dan een consistente steen. Toch moeten we niet ‘de fundamenten van de tempel aantasten om een kleine scheur of een rattengang in de muur te repareren of om een of twee losse stenen in de buitenhof vast te zetten’ (Samuel T. Coleridge † 1834).
24.3 IS OPENBARING VERKLAARBAAR?
De aanspraak van de profeten kan worden getoetst wanneer het mogelijk is hun gewaarwordingen te herhalen en te onderzoeken. Maar de profeten zelf konden alleen verhalen maar niet herhalen wat hun overkomen was. Zij probeerden hun eigen betrouwbaarheid te versterken door voorspellen of overtuiging; de ervaring zelf kon niet aan anderen voorgedaan worden. Maar ons onvermogen om een eigen ervaring met anderen te delen betekent niet dat de ervaring niet authentiek is. Veel van onze eigen ervaringen, de meest dierbare en zeldzame, kunnen wij nauwelijks met wie dan ook delen. Veel van wat een mens doormaakt, kan niet worden meegedeeld, en een ander kan niet delen in wat niet te vertellen is. Elk spreken is een poging om iets voor anderen begrijpelijk te maken door het over te brengen in algemene en typische termen. Maar de vonk van het zeldzame wordt gedoofd in de sfeer van algemeenheden. In het bijzonder kan de indruk die het bovenzintuiglijke op de menselijke geest maakt, evenmin in algemene termen beschreven worden als een esthetische ervaring in termen van maten en gewichten. Hoe zouden we dan kunnen verwachten dat zoiets verklaarbaar is?Is het de moeite waard, zelfs als het mogelijk zou zijn, om te proberen of fluisteren de donder kan nabootsen? Het is kenmerkend voor openbaring om zich aan onderzoek te onttrekken. Haar verklaren, verstaanbaar, doorzichtig maken, zou haar negeren zijn. Door haar te bewijzen zou ze tot onbeduidendheid worden teruggebracht. Er is een deelgenoot met de openbaring verbonden met wiens wegen de categorieën van de geest onverenigbaar zijn.
Openbaring moet niet afgewezen worden omdat ze onbegrijpelijk is. Het is niet het enige feit dat ontoegankelijk is voor onderzoek, dat niet door ervaring getoetst kan worden. Wat onbegrijpelijk is, moet niet als onwerkelijk worden beschouwd. Kunnen wij verklaren hoe het leven tot leven kwam? Kunnen wij nauwkeurig beschrijven hoe de geconcentreerde geestkracht over de snaren van een viool strijkt en zo uit het niets een wereld van tederheid schept? Is de kreet en de angst van zes miljoen martelaren in theorie begrijpelijk?
Er is inderdaad geen manier om te verklaren hoe de gedachtes van de oneindige God zich bewegen langs het smalle pad van een menselijke geest. Alle verklaring of bewijs werkt door middel van vergelijking. We verklaren iets wat twijfelachtig is door het te vergelijken met dingen die mogelijk of zeker zijn. De kracht van een bewijs of een verklaring is gelijk aan de mate waarin deze dingen op elkaar lijken. Maar de echtheid van een openbaring wordt bewezen doordat ze zich onderscheidt van alle andere gebeurtenissen en ervaringen. Zijn waarheid ligt in zijn ongeëvenaardheid. Alleen als iets onvergelijkbaars kan ze vertrouwd worden. Dit is misschien de reden waarom het boek Deuteronomium met nadruk verklaart dat de gebeurtenis bij de Sinaï zonder weerga was* (4:32-37).
We kunnen niet meer doen dan onze eigen redenen om haar te aanvaarden analyseren en de mogelijkheid uit te schakelen dat we het slachtoffer van een zinsbegoocheling zijn geweest of dat ons vertrouwen een rationalisatie is, namelijk het verzinnen van redelijke argumenten om te rechtvaardigen wat we diep in ons hart als onjuist beschouwen.
Voor onze intellectuele gemoedsrust zouden we graag beschikken over klip en klaar bewijs dat de profeten geen psychopaten of leugenaars waren. Maar hoe zonderling en God onwaardig zou het zijn wanneer hij bij het schenken van iets van onschatbare waarde zich moest verzekeren van de alledaagse menselijke bewijzen van de echtheid van zijn gift! Moet de zon een identiteitsbewijs kunnen laten zien om erkend te worden?
Het onvermogen om te bewijzen dat de weergave van de profeet een nauwkeurige beschrijving is van wat hij werkelijk heeft ondervonden, maakt de stelling dat die weergave echt is niet onrechtmatig. Wanneer een mens historische documenten onderzoekt, kan hij nooit de weergave tegenover het feit stellen. Wel kan hij nagaan of een bepaalde weergave verenigbaar is met zijn kennis en voorstelling van het tijdperk waar ze aan is toegeschreven. Met welke kennis of met welke feiten moet openbaring in overeenstemming zijn?
[*Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze – zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? U bent er getuige van geweest opdat u zou beseffen dat de HEER de enige God is; er is geen ander naast hem. Vanuit de hemel heeft hij zijn stem laten horen om u op te voeden, en op aarde heeft hij u dat grote vuur laten zien en vanuit het vuur zijn geboden bekendgemaakt. De HEER heeft uw voorouders liefgehad en hun nageslacht uitgekozen, en hij zelf heeft u met zijn grote macht uit Egypte bevrijd.]
24.4 ZIJN DE PROFETEN BETROUWBAAR?
Omdat we geen getuigen van openbaring geweest zijn, zijn we aangewezen op de kennis die de profeten aan ons hebben overgedragen. Onze houding zal er dus van afhangen of wij bereid zijn het woord van de profeten serieus te nemen. Dit is dan ook beslissend: zijn de profeten betrouwbaar? Is hun getuigenis geloofwaardig?Door de profeten op te roepen om zich te verantwoorden voor ons kritische oordeel, lijken wij op dwergen die de lengte van reuzen willen opmeten. Hoe zouden onze mentale capaciteiten een maatstaf kunnen zijn om te meten wat zij volbrachten, wanneer hun inspanningen de onze zo volledig te boven gingen? Staan wij zo open tegenover God als zij waren? Is onze belangstelling voor wat God te zeggen heeft, even aandachtig en geconcentreerd als bij hen?
Een aankomende componist zou Beethoven niet met zichzelf vergelijken, maar zichzelf met Beethoven. Wat ons te boven gaat, beoordelen wij niet; het beoordeelt ons, en een profeet moet wat ons in geestelijke zin te boven gaat, vertegenwoordigen.
Onze situatie is een beetje te vergelijken met iemand die tegenover een overweldigende schoonheid staat en wordt gevraagd naar zijn mening. In werkelijkheid wordt zijn verstand op de proef gesteld, hoewel hij ogenschijnlijk de kwaliteit van de schoonheid moet onderzoeken.
Er zijn maar drie manieren om de profeten te beoordelen: ze vertelden de waarheid, bedachten opzettelijk een verhaal, of waren slachtoffers van zinsbegoocheling. Met andere woorden: openbaring is of een feit, of het gevolg van krankzinnigheid, zelfbedrog of een opvoedkundige uitvinding, het gevolg van geestelijke verwarring, van wishful thinking of een onderbewuste activiteit.
24.5 EEN GEVOLG VAN KRANKZINNIGHEID
Moeten wij volhouden dat mannen als Mozes, Samuel, Nathan, Elia, Amos, Micha, Jesaja en Jeremia geestelijk gestoord waren, slachtoffers van hallucinaties? Dit is inderdaad vaak beweerd. Maar op welke grond? Verwoede pogingen zijn gedaan om de ziekelijke aard van de profeten te bewijzen. Toch is geen spoor of symptoom van abnormaliteit of waanzin ontdekt, niet bij Mozes, niet bij Jesaja, niet bij Amos en niet bij Jeremia.1 Aan de andere kant heeft de manier waarop de profeten de problemen van hun tijd aanpakten en het feit dat de oplossingen die zij aanwezen voor alle tijden van belang lijken, in elke generatie mensen genoopt om een gemeenplaats te herhalen: de profeten behoorden tot de allerwijsten van allemaal. Waar hun boodschap het menselijk denken eeuwen vooruit was, zou het moeilijk zijn om te geloven dat wij geestelijk normaal zijn, als wij dat wat hen betreft in twijfel trekken. Als dit krankzinnigheid is, zouden we ons moeten schamen om mentaal gezond te zijn.En aangenomen dat, hoe onwaarschijnlijk ook, tekenen van ziekte in het leven van de profeten zouden worden opgespoord, zoals Nietzsche inderdaad beweerde in zijn befaamde generalisatie, ‘Het lijkt niet mogelijk om een kunstenaar te zijn en niet ziek te zijn’,2 dan nog ware het absurd om hun aanspraak te verwerpen. Zou het niet zinvoller zijn om vol te houden dat een mens ziek moet zijn om te zien wat zij die door hun stoerheid en zelfingenomenheid verblind zijn, niet opmerken? Normaliteit in biologische zin is niet een eerste vereiste voor geestelijk inzicht.*
[*Zie hierover ook William James: Vormen van religieuze ervaring.]
24.6 ZELFBEDROG
Waren de profeten slachtoffers van zelfbedrog? Was openbaring een schijnvertoning, een valstrik? Zelfbedrog is gewoonlijk het bereiken van een schijnbaar oprecht doel, dat zich voordoet wanneer je een reëel nagestreefd doel niet kan bereiken. Maar de gave der profetie was niet een doel waar de profeten naar streefden.Anders dan de mystieke ervaring, die verkregen wordt als gevolg van het verlangen naar gemeenschap met God, geschiedde openbaring tegen de wil van de profeet. Het was geen bewezen gunst, maar een last van verschrikking. Voor Jesaja (6:5) is de waarneming van God een avontuur vol van heftige emotie, gevaar en ontzetting, meer dan zijn ziel kan verdragen:
‘Wee mij, ik moet zwijgen... Ik heb met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’
Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken (Exodus 3:6). Als ze geroepen werden, deinsden de profeten terug, verzetten zich en smeekten om met rust gelaten te worden. ‘Och HERE, ik smeek u, zend toch iemand anders’, was Mozes’ antwoord op de missie. Dit ongelofelijke verzet stelt een profeet in staat om eerlijk te zeggen: Niet ik, maar God: ‘Zo zegt de Here.’ Is het voelen van weerstand niet een teken van waarachtigheid, echtheid van de religieuze ervaring - of is ook dit onderdeel van het zelfbedrog?
Geen van de profeten had bestaande belangen te verdedigen of koesterde het verlangen om macht of aanzien te verwerven. Geen van hen was verrukt een profeet te zijn of liet zich hierop voorstaan. Was het een streven naar geluk dat Jeremia dreef profeet te zijn? Hier is zijn antwoord:
Vervloekt is de dag waarop ik ben geboren...
Had hij me maar in de schoot gedood, dan was mijn moeder mijn graf geworden...
Waarom moest ik de moederschoot verlaten?
Ik heb alleen maar verdriet en pijn, ik slijt mijn dagen in schande.’ 20:14, 17-18
Boven het leven van een profeet zijn onzichtbaar woorden gegrift: Geef alle vleierij op, u die hier binnentreedt. Maar mensen horen graag geslijm. Hij die de fakkel van de hoop draagt, doet geestdrift ontvlammen en wordt met gejuich begroet. Maar toch begint bijna elke echte profeet met een onheilsboodschap en pas na lange periodes van ellende en duisternis is hij in staat om van de dageraad te spreken en om een boodschap van hoop te verkondigen.
Bitter is de smaak van het goddelijke woord voor de ziel van de profeet, geen beloning is hem beloofd en geen beloning zou het verzachten. Op het ogenblik van zijn eerste roeping werd Ezechiël meegedeeld wat hem te wachten stond: ‘Maar jij, mensenkind, jij hebt van hun woorden niets te vrezen, je hoeft voor hen niet bang te zijn, al zijn ze als brandnetels en doornstruiken en belagen ze je als schorpioenen. Je hoeft je door dat volk niet te laten afschrikken of angst te hebben voor hun woorden, hoe opstandig ze ook zijn’ (Ezechiël 2:6).
Eenzaamheid en ellende waren maar een gedeelte van de beloning die de profetie aan Jeremia gaf: ‘Eenzaam was ik, door uw toedoen’ (15:17). Bespot, bekritiseerd en vervolgd overwoog hij zijn taak te verwerpen:
Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen, niet meer spreken in zijn naam, dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet.
(Jeremia 20:9)
Zij plaatsten zich liever niet op de voorgrond. De profeten beschouwden zichzelf als dienaren, niet als meesters, en in hun ogen werd het ontvangen van een openbaring niet verheerlijkt als een veelbetekenend op zichzelf staand feit. Anders dan bij de mystieke ervaring ligt de betekenis van de profetie niet in hen die haar ontvangen, maar bij degene aan wie het woord moet worden overgebracht. De ervaring zelf was een begin, meer een middel dan een doel. Het oogmerk was niet het waarnemen van de stem, maar het laten doordringen van die stem in de werkelijkheid van het leven van het volk. Dus ligt de kern van de profetie meer in haar inhoud dan in de stem die haar aan de profeet vertelt, en openbaring was een voorspel tot handelen.Uit het veld ging Amos naar Betel met de boodschap dat de koning van Israël door het zwaard zou sterven en dat Israël van zijn grond zal worden verbannen. Diep gekrenkt door de verschrikkelijke boodschap zei de priester tegen Amos: ‘Ziener, verdwijn! Ga naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, de tempel van het koninkrijk.’ Maar Amos antwoordde Amasja: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler. Maar de HEER heeft me van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” Luister daarom naar de woorden van de HEER.-
Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk.
Daarom – zegt de HEER – zal je vrouw in de stad als hoer moeten leven,
zullen je zonen en dochters sterven door het zwaard
en zal je land in stukken worden verdeeld.
Jijzelf zult op onreine grond sterven
en Israël zal van zijn grond worden verbannen.’ Amos 7:10-17
De profeet nam zijn gerechtvaardigde missie niet vrijwillig op zich, ze werd hem opgedrongen. Hoe kon hij de macht van God weerstaan? Ik werd door de hand van de HEER gegrepen (Ezechiël 3:22). ‘HEER, u hebt mij verleid, en ik ben bezweken, u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen. (Jeremia 20:7). Er was geen keus.
Een leeuw heeft gebruld – wie zou er niet vrezen?God, de HEER, heeft gesproken – wie zou er niet profeteren? Amos 3:8
Ik echter ben vervuld van kracht, ik heb de geest van de HEER, ik ben rechtvaardig en ik heb de moed om aan Jakob zijn wandaden bekend te maken, en aan Israël zijn zonde. Micha 3:8
24.7 EEN PEDAGOGISCHE UITVINDING
En ook dit is een theorie. Net als de Griekse filosofen verwierven de profeten hun inzichten door bespiegelingen en intuïtie, maar omdat ze het volk onder de indruk van hun gezag wilden brengen, verzonnen ze een verhaal over openbaring. Misschien streefden ze geen persoonlijke roem na, maar door hun verlangen om hun volk moreel of geestelijk te verbeteren, hebben ze wellicht een leugen willen gebruiken in de overtuiging dat het doel de middelen heiligt.Niemand die de geestelijke zelfverloochening en het ontbreken van eigendunk bij de profeten kent, zou hen zo’n denkwijze in gemoede kunnen toeschrijven. Zou een man als Jesaja, die zich verbrijzeld voelde door de overweldigende kracht van Gods heiligheid, een verhaal verzonnen kunnen hebben als dat van zijn visioen (hoofdstuk 6: Het raadsel is niet opgelost)? Het ontzag voor God belette de profeten om de godsnaam zinloos te gebruiken. Is dit niet de kern van al hun gedachtes: boven alles verafschuwt God bedrog?
Is het denkbaar dat de mannen die Gods eis om gerechtigheid zelfs boven de belangen van hun eigen land en boven de roem van hun eigen heiligdom stelden - en die de leugen als een fundamenteel kwaad veroordeelden - met een leugen zouden hebben geleefd?
Bovendien was profetie niet een episode in het leven van enkele individuen en het zou bizar zijn om te veronderstellen dat generatie na generatie mannen met de grootste hartstocht voor waarheid en de diepste minachting voor bedrog allemaal plannen zouden smeden en samenzweren om het volk van Israël te bedriegen. Bad Mozes voor een volk dat even de andere kant opkeek toen hij zei: ‘Och, ware het gehele volk des HEREN profeten’?
24.8 VERWARRING
Zouden we misschien moeten zeggen dat de verheven aanspraken van de profeten kwamen door hun onvermogen om hun innerlijke leven op de juiste manier te analyseren, van hun vergissing om een in hun hart geboren gevoel aan te zien voor een aan hen van buitenaf geschonken denkbeeld? Was de profetie dan het gevolg van geestelijke verwarring? Nu verklaarden de profeten dat veel van hun ervaringen geen momenten waren van passief ontvangen, van louter luisteren naar een stem, maar gesprekken met God. Bij het vastleggen van hun ervaringen maakten ze duidelijk onderscheid tussen de woorden die zij hoorden en de woorden die zij uitspraken.3 Getuigt dit feit niet voor hun onderscheidingsvermogen?Bovendien dwongen de omstandigheden de profeten onmiskenbaar om onderscheid te maken tussen de stem van het hart en de stem van God. Er gebeurde iets:
Verschrikkelijke dingen, ongehoord,
gebeuren in dit land:
de profeten profeteren leugens,
de priesters treden eigenmachtig op.
En dat bevalt mijn volk! Jeremia 5:30-31Jeremia bij voorbeeld twijfelde niet aan de oprechtheid van alle zogenaamde’ valse profeten’. Hij veroordeelde hen omdat ze ‘een droom’ hielden voor een goddelijke mededeling. Want zo spreekt de HERE:
Ik heb gehoord wat voor leugens die profeten in mijn naam verkondigen. Ze roepen: “Een droom! Ik heb een droom gehad!” Hoe lang nog zullen die leugenachtige profeten, die zichzelf een rad voor ogen draaien, doorgaan?
[...]
Een profeet die droomt, vertelt niet meer dan een droom, maar wie mijn woorden kent, geeft mijn woorden betrouwbaar weer.Wat heeft stro met graan gemeen? – spreekt de HEER.
Is mijn woord niet als een vuur,
als een hamer die een rots verbrijzelt? – spreekt de HEER. Jeremia 23:25-26, 28-29
Het staat buiten twijfel dat door hun veroordeling van de valse profeten, die op eigen gezag profeteren (Ezechiël 13:17), en hen in de naam van God toe te roepen: Jullie zeggen: ‘Zo spreekt de HEER...,’ terwijl ik niets heb gezegd! (Ez. 13:7), ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels’ (Jer. 14:14) - mannen als Jeremia en Ezechiël een kritische houding tegenover de profetie als zodanig aan de dag legden. Omdat ze niet alleen bezwaren aanvoerden tegen de denkbeelden maar vooral tegen de aanspraak van de valse profeten dat zij het woord van God ontvangen hadden, moeten ze een maatstaf hebben gehad om het verschil tussen ervaring en hersenschim te zien. Er zijn altijd imitators, maar de waarde van het echte wordt nooit aangetast door de overvloed van imitatie en vervalsing.
Het woord van de profeten werd niet verkondigd aan een onnozele, primitieve samenleving. Het volk van Israël, wiens land de invloed onderging van de grote naburige beschavingen van Egypte en Babylonië, kende de levenswijze en de wijsheid van andere volkeren. Er was geen sprake van dat het geneigd was de profetische aanspraak te aanvaarden. De geschiedenis van de profetenactiviteit is vol botsingen met wedijver, tegenstand en ongeloof. Wanneer de geschiedenis van de profetie een uitvinding van de bijbelse schrijver zou zijn geweest, zou het een verhaal zijn geweest van een volk dat door de kracht van de profetie tot het geloof werd gebracht. In plaats daarvan wordt de weerstand tegen de profeten met roekeloze eerlijkheid vermeld.
Waaraan ontleenden de profeten de zekerheid dat zij getuigen waren van een goddelijke gebeurtenis en niet van een verzinsel van hun eigen verbeelding? Het waarmerk van het goddelijke karakter van de openbaring bestond niet uit uitwendige signalen, zichtbaar of hoorbaar. Openbaring berustte niet op een bepaalde, zintuiglijke waarneming, op het horen van een stem of het zien van een licht. Een donderslag bij heldere hemel, een stem uit het niets, een gevolg zonder zichtbare oorzaak zou niet voldoende zijn geweest om een waarneming met een goddelijke mededeling vast te stellen. Onmetelijke stukken van de natuurlijke werkelijkheid, stromen van licht in de geest zouden, zelfs als ze geen droombeelden zouden zijn, alleen blijk geven van een natuurkracht, niet van God. Naar het schijnt was dit het waarmerk: het feit dat de profetische openbaring niet louter een ervaring was, maar ook een ervaren worden, van blootgesteld worden aan, opgeroepen, overweldigt en aangenomen door hem, die uitzoekt wie hij naar de mensheid zendt. God is niet een ervaring van de mens. De mens is een ervaring van God.
24.9 DE TIJDGEEST
Er is nog een andere manier om de profetie te verklaren. De geschiedenis heeft ons laten zien hoe de mensen beïnvloed worden door ‘tijdgeest’ waarin zij leven. In de tijd waarin de profeten leefden, geloofde men algemeen dat de goden zich aan de mensen openbaarden. Men had gemakkelijk het slachtoffer kunnen worden van een zinsbegoocheling. Maar waarom bracht tijdgeest geen profeten voort in Assyrië en Babylonië, te midden van de Feniciërs en de Kanaänieten? Op grond van onze huidige kennis van de oude oriëntaalse literatuur kunnen wij ons gemakkelijk voorstellen hoe het leven en de letteren van het oude Israël geweest zouden zijn zonder goddelijke inspiratie.Toen de noordelijke buren van Israël, de Moabieten, een oorlog voerden en de koning Mesa zag dat ze de slag gingen verliezen, nam hij zijn oudste zoon, zijn troonopvolger, en offerde hem als brandoffer op de stadsmuur (2 Koningen 3:27). Israëls koningen Achaz en Manasse offerden hun zonen ook ten brandoffer volgens het gruwelijke gebruik van de volken (2 Kon. 16:3). Zie 21:6: Behalve dat Manasse zondigde door de Judeeërs tot zonde aan te zetten, zodat ze deden wat slecht is in de ogen van de HEER, vergoot hij ook onschuldig bloed, zo veel dat Jeruzalem ervan overvloeide.) Als de profeten geïnspireerd zouden zijn geweest door ‘de geest des tijds’, waarom spraken ze dan hun afschuw uit over zulke daden van ‘de opperste vroomheid’? Waarom was verering van de God van Israël niet zoals de verering van Baäl of Tammuz?
Godsdienst en vroomheid worden onder alle volkeren gevonden. Maar de profeten waren degenen die in de naam van God hun stem verhieven tegen wat de meeste mensen tot vandaag toe godsdienst noemen.
Inderdaad is de aard van de bijbel totaal onverenigbaar met alles wat we weten over de historische omstandigheden waarin deze tot stand kwam. Het zou makkelijker in onze algemene visie hebben gepast als de grote religieuze inzichten aan de wijzen van Egypte of Athene geschonken zouden zijn dan aan een volk zonder land, zwervend en hongerend in de woestijn van het schiereiland Sinaï. Het wonder van de bijbel is in strijd met alle menselijke verwachtingen. Zonder zijn onmiskenbare geestelijke glorie of de onverklaarbare kracht van het menselijke geloof zou de bijbel als absurd en onwaarschijnlijk verworpen zijn.
24.10 HET ONDERBEWUSTE
Trad het onderbewuste op als souffleur bij de ervaringen van de profeten? Rees de bijbel op uit de diepte van de geestelijke kracht voortgebracht door verlangen en verbeeldingskracht? Zo’n visie die de onkreukbaarheid en het gezonde verstand van de profeten niet in twijfel trekt, zou hen bestempelen tot bedrogen bedriegers. Zonder wat werkelijk plaatsvond begrijpelijker te maken, zou ze alleen het mysterie vervangen door een raadsel. Het onderbewuste is zo’n ruime en vage hypothese dat we er weinig meer van weten dan van het denkbeeld van het bovennatuurlijke. Het is vreemd dat de listige demon van het onderbewuste ondanks zijn alomtegenwoordigheid en meedogenloze levenskracht, verder geen werken van zo’n verheven macht heeft voortgebracht! De door mythes gebaande verbeeldingspaden waren zeker grenzeloos, maar waar leidden ze naar toe? Waar nog meer heiligde een goddelijke gedachte de geschiedenis? Waar nog meer werd een geschiedenis van een volk heilige Schrift?Aanvaarding van de gedachte dat de profetische openbaring de uitdrukking was van een in het hart van de profeet verborgen drang, waarvan hij zich niet alleen onbewust was maar die hij weerstond, zou het optreden veronderstellen van zo’n wijze en heilige macht dat die alleen maar God zou kunnen worden genoemd.
Openbaring kan niet betwijfeld of bevestigd worden, maar net zo min ontkend of bewezen. Ons is niet meer gegeven dan de weergaven van de profeten en niemand van ons kan achter hun woorden kijken of hun ervaringen rechtstreeks onderzoeken. Er zijn geen wetenschappelijke redenen om openbaring als een subjectieve ervaring te beschouwen, terwijl aan de andere kant de profeten zelf, die de eerste critici van de zogenaamde valse profeten waren, de nadruk legden op de niet-subjectieve aard van hun ervaringen.
En wanneer, nadat alle antwoorden en verzekeringen gegeven zijn, de twijfel blijft: staat zelfs het genie niet bloot aan dwaling? Is de kennis van de profeet van zijn ontmoeting met God niet te ijl, te innerlijk, te subjectief om op te bouwen? Waarom zou de mensheid haar belangrijkste beslissingen laten afhangen van de betrouwbaarheid van een handjevol mensen? Hebben de ‘valse profeten’ ook niet zeker geweten dat ze ontvangers van openbaring waren geweest?
In werkelijkheid is het niet de mening van de profeet over zijn ervaring, zijn wijsheid of zelfbewustheid, die het uiteindelijke bewijsmiddel is. Hoe veelzeggend dat Mozes niet geprezen werd om zijn wijsheid of heldhaftigheid. Hij was niet, zoals Salomo, de wijste, maar stond juist bekend om zijn bescheidenheid (Numeri 12:3). Hij was niet argeloos of onfeilbaar. Maar met mijn dienaar Mozes, op wie ik volledig kan vertrouwen, ga ik anders om’ (Num. 12:7).
Het was makkelijker om de wil van God in woorden over te brengen dan om de openbaring in woorden om te zetten. Zou een profeet geprobeerd hebben om zijn ervaring nauwkeuriger te beschrijven dan in aanduidingen, dan zou hij er ons evenveel over verteld hebben als een grote dichter een poolbeer zou kunnen vertellen over de lente in Italië. Mededeelzamer dan een beschrijving is de beknoptheid van de beschrijving en het onvermogen om veel meer te zeggen dan: Zo zegt de HERE. Het licht dat gloeit in een profeet stelt zijn eigen visionaire kracht en zelfbewustzijn in de schaduw.
Toen Mozes van de berg Sinaï afdaalde, de twee Tafelen in zijn handen, zag het hele volk van Israël dat zijn gelaat straalde en zij waren bang om dichterbij te komen. Alleen Mozes wist niet dat zijn gezicht straalde...
24.11 ER ZIJN GEEN BEWIJZEN
‘Ik zeg dat de menselijke rede beperkt is en zolang de ziel in het lichaam woont, kan zij niet bevatten wat de natuur te boven gaat, want niets dat in de natuur is ondergedompeld, kan boven haar uit kijken. De rede is beperkt tot het gebied der natuur en is niet in staat om te begrijpen wat zich daarbuiten bevindt... Weet dat er een niveau van kennis bestaat dat hoger is dan alle filosofie, namelijk de profetie. Profetie is een andere bron en soort kennis. Bewijs en onderzoek zijn op haar niet toepasbaar. Wanneer profetie echt is, dan kan en hoeft zij niet af te hangen van de bekrachtiging van de rede. Het enige bewijs dat ooit in de Schriften aan een profeet is gevraagd, betreft de echtheid van zijn bewering een profetische boodschap te hebben, maar nooit vroeg iemand om bewijzen of redenen of bevestigingen van de profetie zelf... Reden en bewijs kunnen zich niet verheffen tot het niveau van inzicht waarop de profetie leeft - hoe kunnen zij haar dan ooit bewijzen of weerleggen? ... Niemand kan een bevestiging van de rede of een bewijs van de logica voor de thora verlangen, tenzij hij eerst de oprechtheid van Mozes’ aanspraak als profeet ontkent. Ons geloof steunt op het beginsel dat de woorden van Mozes profetie zijn en dus onttrokken aan bespiegeling, bekrachtiging, discussie of bewijs. De aard van de rede is niet in staat tot oordelen op het gebied waar de profetie ontluikt. Dit zou lijken op een poging om al het water van de wereld in een kopje te doen.’4Er zijn geen middelen om de schoonheid van de muziek te laten doordringen tot iemand die doof of gevoelloos. Er zijn ook geen middelen om de aanspraak van een profeet geloofwaardig te maken voor een mens die geestelijk doof is en zonder vertrouwen en wijsheid. Bewijzen kunnen helpen om vaststaande feiten te beschermen maar niet om die te bewerkstelligen. In de kern zijn het verklaringen voor wat ons intuïtief al duidelijk is.5
Het doel van ons ‘onderzoek’ naar de profeten was niet om een aanbevelingsbrief voor ze te schrijven of ze op andere wijze op te tuigen. Het wil erop wijzen dat een totale verwerping van hun aanspraak niet eenvoudig is. Bewijzen kunnen niet de poorten van het mysterie openen zodat iedereen ze kan aanschouwen. Het enige dat wij kunnen doen is de poorten van onze eigen ziel openen zodat God ons kan aanschouwen, de poorten van onze geesten openen en gehoor geven aan de woorden van de profeten. Het is hun woord dat hun aanspraak sterk maakt. Het is de geschiedenis die hun woord sterk maakt.
1 Zie A. J. Heschel, Die Prophetie (Krakau 1936) pp. 8-40; in het Engels als uitgebreide herdruk verschenen onder de titel The Prophets (New York 1962).
2 Der Wille zur Macht, 811.
3 Amos: Toen de sprinkhanen ook het laatste groen van het land wegvraten, zei ik: ‘HEER, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Het zal niet gebeuren,’ zei de HEER.
Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe God, de HEER, bevel gaf om het land met vuur te straffen. De vlammen verteerden het water in de diepte. Toen ze over het land sloegen zei ik: ‘HEER, mijn God, ik smeek u: houd op hiermee! Hoe zou het volk van Jakob dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei God, de HEER.
Dit heeft hij mij laten zien: Ik zag hoe de Heer op een loden muur stond met een loden voorwerp in zijn hand. En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal ik mijn volk Israël opleggen, ik zal het niet langer sparen. De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard’ (7:2-9).
Maar de HEER heeft me van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” Luister daarom naar de woorden van de HEER. Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk (15-16).
Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag een mand met rijp fruit. En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Een mand met rijp fruit.’ Toen zei de HEER: ‘Weldra zal de tijd rijp zijn, ik zal mijn volk Israël niet langer sparen (8:1-2).
Micha: Ongelukkige die ik ben, het is als bij de late oogst, als bij de laatste pluk: geen volle druiventros meer om te eten, geen vroege vijg meer, waarnaar ik smacht. Zij die trouw waren zijn verdwenen uit het land, niemand is nog rechtschapen. Allen zijn op bloed belust, iedereen belaagt zijn naaste. Ze bekwamen zich in het kwaad: alleen voor geld stellen leiders een onderzoek in, rechters spreken recht tegen betaling, hooggeplaatsten zeggen wat hun het beste uitkomt, en zo houden zij het recht op afstand. De deugdzaamste van hen is als een doornstruik, de oprechtste is erger dan een stekelhaag. De dag van straf, door uw wachters aangekondigd, is gekomen, en het volk is in beroering! Geloof je naaste niet, vertrouw je vriend niet, let op je woorden, ook bij wie er in je armen ligt. De zoon veracht zijn vader, de dochter verzet zich tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en huisgenoten blijken vijanden.
Maar ik, ik blijf uitzien naar de HEER, ik blijf hopen op de God die mij redding zal brengen. Hij zal mij horen, mijn God.
Jij die me haat, maak je niet vrolijk over mij.
Al ben ik gevallen, ik sta op, al is het donker om mij heen, de HEER is mijn licht.
De woede en boosheid van de HEER zal ik dragen – ik weet, ik heb tegen hem gezondigd – tot hij voor mij heeft gepleit, mij recht heeft verschaft.
Hij zal me naar het licht voeren en ik zal zijn gerechtigheid aanschouwen.
Zij die me haat zal het zien en beschaamd zijn, zij die me vroeg: ‘Waar is hij dan, de HEER, je God?’
Ik zal toekijken en genieten wanneer ze als straatvuil vertrapt wordt (7:1-10).
Wie is een God als u, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat?
U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toont u hun uw trouw.
Opnieuw zult u zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen.
Onze zonden werpt u in de diepten van de zee.
U bewijst Jakob uw trouw en Abraham uw goedheid, zoals u gezworen hebt aan onze voorouders, in de dagen van weleer (18-20).
Jesaja: Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Toen zei hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land (6:5-12).
Dus zal ik luid huilen om Jazer, weeklagen om de wijnstokken van Sibma.
En jullie, Chesbon en Elale, zal ik met mijn tranen doordrenken: voorbij zijn de vreugdekreten
om je zomervruchten en je oogst.
Dan zal de vreugdezang in de boomgaard verstommen, in de wijngaard wordt niet meer gejubeld of gejuicht, in de kuipen worden geen druiven meer getreden. Ik maak een einde aan alle vreugdekreten.
Als een lier klaagt mijn hart om Moab, mijn binnenste weent om Kir-Cheres.
Hoezeer Moab zich ook aftobt op zijn offerhoogten, hoe vaak het ook bijeenkomt om te bidden bij het heiligdom – het is alles tevergeefs.
Zo heeft de HEER destijds over Moab gesproken, en nu spreekt hij als volgt: In drie jaar tijd, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal Moab ontluisterd worden, al zijn machtsvertoon ten spijt. Wat ervan overblijft, zal pover en onbeduidend zijn (16:9-14).
Een aangrijpend visioen heeft de HEER mij geopenbaard:
de verrader pleegt verraad, de verwoester verwoest.
Inwoners van Elam, val aan! Meden, sla het beleg!
De HEER maakt aan het lijden van de verdrukten een eind.
Ik sta te trillen op mijn benen, ik krimp ineen als een vrouw in barensnood.
Wat ik hoor verbijstert me, wat ik zie ontstelt me.
Mijn hart beeft, ik ben door angst bevangen; de HEER heeft mijn dierbare avondschemer veranderd in een nachtmerrie.
Het feestmaal is aangericht, de kleden zijn uitgespreid, er wordt gegeten en gedronken.
Sta op, vorsten, vet uw schilden in!
Want dit heeft de Heer mij gezegd:
‘Zet een wachtpost uit, laat hem melden wat hij ziet.
Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen, een karavaan met ezels en kamelen, laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.’
De wachter (‘Een leeuw’) zegt: ‘Heel de dag sta ik op wacht, Heer, elke nacht blijf ik op mijn post.’
Daar komen soldaten op strijdwagens, wagens, met paarden bespannen.
Dan roept hij: ‘Gevallen, gevallen is Babel!
Al zijn godenbeelden liggen verbrijzeld!’
Mijn volk, vertrapt en vertreden als op de dorsvloer, de HEER van de hemelse machten, de God van Israël,
heeft mij dit laten weten, en ik heb het jullie gemeld (21:2-10).
Daarom zeg ik: ‘Laat mij nu alleen. Bittere tranen zal ik wenen om de ondergang van mijn volk. Tracht niet langer mij te troosten.’
Deze dag van ontreddering, verwoesting en verwarring is een dag van God, de HEER van de hemelse machten. Het Dal van het visioen is met gekerm gevuld, hulpgeroep weerkaatst tegen de bergwanden. Elam had de pijlkoker gegrepen, de strijdwagens en de ruiters stonden gereed, Kir had het schild geheven. Jullie mooiste dalen vulden zich met strijdwagens, ruiters stelden zich op voor de poort – toen nam hij Juda’s beschutting weg.
Op die dag inspecteerden jullie de wapens in het Woud van de Libanon. Jullie ontdekten hoeveel bressen er in de muren van de Davidsburcht waren. Het water van het onderste waterbekken sloegen jullie op. Jullie bekeken welke huizen in Jeruzalem afgebroken konden worden om de stadsmuur te versterken. En ten slotte legden jullie tussen de muren een reservoir aan voor het water van het oude waterbekken. Maar jullie hadden geen oog voor de maker van dat alles; hem die alles lang tevoren schiep hebben jullie veronachtzaamd.
Op die dag heeft God, de HEER van de hemelse machten, jullie opgeroepen tot weeklacht en rouw; jullie moesten je kaalscheren en een rouwkleed aantrekken. Maar jullie maakten plezier en vierden feest. Jullie slachtten koeien, schapen en geiten, jullie deden je te goed aan vlees en wijn. ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’ Dit heeft de HEER van de hemelse machten tegenover mij verklaard: ‘Dit wangedrag wordt jullie, zolang je leeft, onder geen beding vergeven – zegt God, de HEER van de hemelse machten’ (22:4-14).
HEER, u bent mijn God. Ik zal u hulde bewijzen, uw naam loven. Want wonderbaarlijk zijn uw daden, u hebt uw beleid sinds mensenheugenis trouw en betrouwbaar uitgevoerd. Hun stad hebt u tot een bouwval gemaakt, hun versterkte vesting tot een ruïne; het bolwerk van barbaren is geen stad meer. Nooit zullen ze herbouwd worden. Daarom zal het gewelddadige volk u eren, de stad van wrede volken ontzag voor u tonen. U was een toevlucht voor de zwakken, een toevlucht voor de armen in hun nood, beschutting tegen stortbuien, schaduw tegen hitte. Want het woeden van die wrede volken is als een stortbui tegen een muur, als hitte in een dorre streek. U doet het barbaarse gejoel verstommen, u tempert de triomf van tirannen, zoals de schaduw van een wolk de hitte tempert (25:1-5).
Ook wij verlaten ons op u, HEER: wij gaan de paden van uw recht. Wij richten ons op uw naam, naar u gaat ons verlangen uit. Reikhalzend kijk ik naar u uit, zelfs ’s nachts verlang ik naar u. Wanneer u een oordeel over de wereld velt, zullen de mensen op aarde gerechtigheid leren. Maar niet de goddeloze: al wordt hij gespaard, gerechtigheid zal hij nooit leren. In het land van het recht doet hij slechts onrecht; de macht van de HEER merkt hij niet op.
HEER, uw opgeheven hand ziet hij niet. Laat hem dan tot zijn schande zien hoe u ijvert voor uw volk, hoe het vuur uw vijand verteert. HEER, geef ons vrede, alles wat wij deden, hebt u voor ons gedaan. HEER, onze God, andere heren hebben ons in hun macht gehad, maar alleen uw naam zullen wij prijzen.
Doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan. U bent tegen hen opgetreden, hebt hen vernietigd, elke herinnering aan hen hebt u uitgewist.
Uw volk hebt u groot gemaakt, HEER, en zo voor uzelf roem verworven. U hebt uw volk groot gemaakt en het land naar alle kanten uitgebreid. HEER, in onze nood hebben wij u gezocht; toen u ons tuchtigde, riepen wij u aan (‘uitten zij een gemurmel’).Zoals een zwangere vrouw in barensnood ineenkrimpt en schreeuwt in haar weeën, zo verschenen wij voor u, o HEER. Wij waren zwanger en krompen ineen, maar al wat we baarden was lucht; wij brachten het land geen uitkomst, op aarde werd geen mens meer geboren.
Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan. Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel!
Uw dauw is een dauw die leven geeft, de aarde brengt haar schimmen weer tot leven (26:8-19).
Elk visioen is voor jullie als de tekst van een verzegeld boek, dat aan iemand die kan lezen wordt voorgelegd met de vraag: ‘Lees dit eens,’ waarop hij antwoordt: ‘Dat gaat niet, het is verzegeld.’ Of als het wordt voorgelegd aan iemand die niet lezen kan: ‘Lees dit eens,’ dan zal hij zeggen: ‘Ik kan niet lezen’ (29:11-12). Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’ En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen? De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem (40:6).
Hij heeft me gezegd: ‘Mijn dienaar ben jij. In jou, Israël, toon ik mijn luister.’
Maar ik zei: ‘Tevergeefs heb ik me afgemat, ik heb al mijn krachten verbruikt,
het was voor niets, het heeft geen zin gehad. Maar de HEER zal me recht doen, mijn God zal me belonen.’
Toen sprak de HEER, die mij al in de moederschoot gevormd heeft tot zijn dienaar om Jakob naar hem terug te brengen, om Israël rond hem te verzamelen – dat ik aanzien zou genieten bij de HEER en dat mijn God mijn sterkte zou zi.. Hij zei: ‘Dat je mijn dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt’ (49:3-6).
God, de HEER, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren. Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de HEER, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd. Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars, wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de HEER, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de HEER, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen? Mijn belagers vallen uiteen als een kledingstuk, als een gewaad dat ten prooi is aan de motten (50:4-9).
Er is niemand die uw naam aanroept, die zich ertoe zet uw hand te grijpen. U hebt uw gelaat voor ons verborgen, u hebt ons moedeloos gemaakt en ons overgeleverd aan ons eigen wangedrag.
Toch, HEER, bent u onze vader, wij zijn de klei, door u gevormd, wij zijn het werk van uw handen.
Laat uw grote woede toch varen, HEER, houd onze schuld niet steeds in gedachten, maar zie ons aan: wij zijn toch uw volk?
Uw heilige plaatsen zijn een woestijn geworden: Sion is een woestijn, Jeruzalem een woestenij.
Onze heilige, luisterrijke tempel, waar onze voorouders u hebben vereerd, is ten prooi gevallen aan het vuur, en alles wat ons dierbaar was, is verwoest.
Laat dit alles u onbewogen, HEER? Blijft u zwijgen en laat u ons zozeer lijden? (64:6-11).
Jeremia: Ik riep: ‘Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’ Maar de HEER antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. Wees voor niemand bang, want ik zal je ter zijde staan en je redden – spreekt de HEER.’ En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond. Nu, op deze dag, geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.’
De HEER richtte zich tot mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Ik zie een amandeltwijg.’ ‘Dat zie je goed,’ zei de HEER, ‘zo snel als een amandelboom in het voorjaar uitbot, zo snel laat ik mijn woorden uitkomen.’
De HEER richtte zich opnieuw tot mij: ‘Wat zie je?’ Ik zei: ‘Ik zie een gloeiend hete kookpot die vanuit het noorden overhelt.’ De HEER zei: ‘Vanuit het noorden zal onheil over alle inwoners van dit land worden uitgestort (1:6-14).
Ik zei: ‘HEER, mijn God, u hebt Jeruzalem en dit volk misleid: wij zouden in vrede leven, toch staat het zwaard ons op de keel!’ (4:10).
O bonzend hart! O razend hart! Ik krimp ineen van pijn! Ik kan niet zwijgen, tot in mijn ziel voel ik het hoorngeschal, hoor ik het krijgsgeschreeuw.
Ramp op ramp wordt gemeld, heel het land gaat te gronde. Plotseling zijn mijn tenten vernield, onverwacht mijn tentdoeken gescheurd.
Hoe lang nog moet ik de strijdvaan zien, de ramshoorn horen schallen? (4:19-21).
‘HEER, u wilt toch dat ze eerlijk zijn? U sloeg hen, maar het raakte hen niet. U bracht hen aan de rand van de afgrond, zij weigerden van die straf te leren. Zij gingen onverdroten voort en weigerden terug te keren.
Ik dacht: Het zijn maar eenvoudige mensen, veel kennis hebben ze niet. Zij weten niet wat de HEER van hen vraagt, zijn niet bekend met het recht van hun God. Ik zal me tot hun leiders richten, zij weten beslist wat de HEER van hen vraagt, zij zijn bekend met het recht van hun God. Maar ook zij hebben het juk gebroken, hoog en laag heeft zijn riemen losgerukt.
Daarom werden ze gedood door leeuwen uit het bos, verscheurd door wolven uit de steppe, daarom loerden panters op hun steden. Ieder die zich buiten waagde, werd verscheurd. Niet te tellen zijn hun misdaden, hun ontrouw bleek talloze malen’ (5:3-6).
‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden, niet te helen is mijn letsel.
Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen.
Maar mijn tent is vernield, alle touwen zijn doorgesneden. Mijn kinderen zijn mij ontvallen, ze zijn er niet meer. Niemand zet ooit nog mijn tent op, niemand spant mijn tentdoeken meer.’
‘De herders zijn een kudde dwazen, ze gaan niet te rade bij de HEER. Daarom lukt hun niets, en is hun eigen kudde verstrooid.
Luister! Een geluid komt naderbij, een machtig gedreun uit het noorden, om Juda’s steden tot een woestenij te maken, tot een oord voor jakhalzen.’
‘Ik erken, o HEER, dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan.
Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig, niet uit woede, vaag mij niet weg.
Stort uw woede uit over volken die u niet kennen, over naties die uw naam niet aanroepen, want zij verslinden Jacobs volk, laten er niets van over, en zijn weidegrond verwoesten zij’ (10:19-25).
‘HEER, u staat altijd in uw recht als ik het tegen u opneem. Toch vraag ik, hoe verantwoordt u dat boosdoeners in voorspoed leven, en trouwelozen rust genieten?
U hebt hen geplant, ze schoten wortel, liepen uit en droegen vrucht. Ze hebben de mond vol van u, maar dragen u niet in het hart.
Maar mij kent u, HEER, u ziet mij, u weet dat ik u in mijn hart draag. Sleep die boosdoeners weg, voer ze als schapen naar de slachtbank, zonder ze af om ze te laten doden.
Hoe lang nog zal de aarde treuren, zullen gras en bloemen verdorren? Het vee en de vogels komen om door de wandaden van haar bewoners, die denken: Hij voorziet niet hoe ons einde zal zijn.’
‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden, kun je het dan tegen paarden opnemen? Jij struikelt al op het vlakke land, wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan?
Ook je broers en zusters, je hele familie, zullen je laten vallen, ook zij zullen je naschreeuwen. Vertrouw hen niet, al zijn ze nog zo vriendelijk (12:1-6).
‘HEER, al getuigen onze wandaden tegen ons, grijp toch in omwille van uw naam. Talloze malen waren wij u ontrouw, wij hebben tegen u gezondigd.
Bron van hoop voor Israël, redder in tijden van nood, waarom bent u als een vreemdeling in dit land, als een reiziger die maar één nacht blijft?
Waarom bent u als een radeloze man, als een soldaat die ons niet kan redden? U bent toch in ons midden, HEER, wij behoren u toch toe? Laat ons niet in de steek’ (14:7-9).
Ik zei: ‘Ach HEER, mijn God, hun profeten verkondigen: “Het zwaard zal jullie bespaard blijven en jullie zullen geen honger lijden; ik schenk jullie blijvende vrede in dit land”.’ De HEER antwoordde: ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels (14:13-14).
Als ik naar de akkers ga, zie ik ze liggen, geveld door het zwaard. Als ik de stad in ga, zie ik ze liggen, uitgeteerd door de honger. Zelfs profeten, zelfs priesters komen terecht in een onbekend land.’
‘Hebt u Juda verworpen, hebt u van de Sion een afkeer gekregen? Waarom hebt u ons zo hard geslagen dat er geen genezing voor ons is? Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit, wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons. HEER, wij bekennen onze schuld, en de schuld van onze voorouders: wij hebben tegen u gezondigd. Maar verstoot ons toch niet, doe het niet, omwille van uw naam. Ontluister uw troon toch niet, denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet. Brengen die nietige goden van andere volken soms regen, of schenkt de hemel buien uit zichzelf? U, de HEER, onze God, doet dat toch? Wij vestigen onze hoop op u, want u hebt alles gemaakt’ (14:18-22).
‘Wee mij! Ach moeder, dat u mij moest baren! Ik wek overal ergernis, iedereen bestrijdt mij. Ik ben niemands schuldeiser, en heb zelf geen schulden, toch word ik door iedereen vervloekt.
HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden, (‘De HEER zei: “Ik zal u zeker bevrijden!”’)
voor hen gepleit in tijden van rampspoed en nood? Maar het ijzer en het brons uit het noorden doen hun vernietigend werk.’
‘Jullie rijkdommen en schatten laat ik plunderen, dat is de prijs voor (‘niet voor een prijs en om’) de zonden die je overal beging. Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden (‘Ik laat je vijanden voorbij gaan’)in een onbekend land. Want het vuur van mijn toorn slaat uit, de vlammen zullen jullie verzengen.’
‘O HEER, u kent mij. Denk aan mij, bekommer u om mij, wreek mij op mijn achtervolgers. Heb met hen niet zo veel geduld dat het mij het leven kost. Weet dat ik omwille van u belasterd word.
Telkens als ik uw woorden hoorde, nam ik ze als voedsel tot mij. Uw woorden gaven mij een diepe vreugde, want ik behoor u toe, o HEER, God van de hemelse machten.
Nooit was ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik plezier gemaakt. Eenzaam was ik, door uw toedoen, u had mij immers volgegoten met uw woede.
Waarom blijft mijn lijden duren, is mijn wond niet te genezen, waarom wil hij maar niet helen?
U hebt mij teleurgesteld, als een beek die drooggevallen is.’
‘Dit zegt de HEER: Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem, zul je mij weer dienen. Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs, zul je weer mijn zegsman zijn. Laat dit volk zich naar jou richten, jij mag je niet richten naar hen.
Ik maak jou voor dit volk tot een bronzen vestingmuur. Ze zullen je bestrijden, maar je niet overwinnen, want ik zal je ter zijde staan om je te beschermen en te redden – spreekt de HEER.
Ik zal je redden uit de handen van boosdoeners, ik bevrijd je uit de greep van geweldenaars’ (15:10-21).
Ze zeggen tegen mij: “Wat komt er uit van de woorden van de HEER?”
Ik ben u, mijn herder, nooit ontvlucht, naar een onheilsdag heb ik nooit uitgezien. U weet wat over mijn lippen komt, al mijn woorden zijn u bekend.
Word niet mijn ondergang – niet u! U bent toch mijn toevlucht in tijden van nood?
Laat mijn achtervolgers te schande staan – niet mij! Laat hen ten onder gaan – niet mij! Breng onheil over hen, tref hen, tref hen dodelijk’ (17:15-18).
‘Ze zeiden: “Laten we iets tegen Jeremia ondernemen. Want het onderricht van onze priesters, de raad van onze wijzen, de verkondiging van onze profeten zullen allerminst verdwijnen. Kom, we brengen hem in opspraak, we schenken aan zijn woorden niet langer gehoor.”
HEER, luister naar mij, hoor de plannen van mijn tegenstanders. Mag goed met kwaad worden vergolden? Een kuil hebben ze voor mij gegraven – en dat terwijl ik voor u stond om voor hen te pleiten, om uw toorn van hen af te wenden. Geef daarom hun kinderen prijs aan de honger, lever ze uit aan het zwaard. Beroof hun vrouwen van hun man en kinderen, laat hun mannen sterven door de pest, hun jongens vallen in de oorlog. Laat gejammer uit hun huizen klinken, omdat u onverhoeds een bende op hen afstuurt. Want zij hebben een kuil gegraven om mij te vangen, zij hebben een strik op mijn pad gezet.
HEER, u kent hun moorddadige plannen tegen mij. Dek hun misdaden niet toe, wis hun zonden niet uit. Laat hen voor uw ogen bezwijken, reken met hen af als uw toorn losbreekt’ (18:18-23).
‘HEER, u hebt mij verleid, en ik ben bezweken, u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen. Dag in dag uit lachen ze om mij, iedereen bespot mij.
Telkens als ik spreek, moet ik schreeuwen: “Ik word mishandeld, onderdrukt!” Want de woorden van de HEER brengen mij dag in dag uit schande en vernedering.
Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen, niet meer spreken in zijn naam, dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet.
Want de mensen bauwen mij na: “Overal paniek! Overal paniek! Roep het, dan vertellen wij het verder.” Al mijn vrienden zijn uit op mijn val: “Misschien laat hij zich verleiden, dan krijgen wij hem in onze greep, dan wreken wij ons op hem.”
Maar de HEER staat mij ter zijde als een machtige krijgsman. Daarom komen mijn belagers ten val, ze krijgen mij niet in hun greep. Ze zullen diep worden beschaamd, ze zullen hun doel niet bereiken. Ze worden overladen met eeuwige schande, nooit zal die worden vergeten.
HEER van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat u zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.
Zing voor de HEER, loof de HEER, want hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered. Vervloekt is de dag waarop ik ben geboren, de dag waarop mijn moeder mij baarde. Die dag mag niet gezegend zijn. Vervloekt is de man die mijn vader het goede nieuws bracht, en riep: “U hebt een kind, een jongen!”
Het zal die man vergaan als de steden die de HEER meedogenloos verwoestte. Hij hoort kreten om hulp in de morgen, krijgsgeschreeuw op het middaguur.
Had hij me maar in de schoot gedood, dan was mijn moeder mijn graf geworden, dan was haar schoot voor altijd zwanger gebleven.
Waarom moest ik de moederschoot verlaten? Ik heb alleen maar verdriet en pijn, ik slijt mijn dagen in schande’ (20:7-18).
Nadat ik het koopcontract aan Baruch, de zoon van Neria, gegeven had, bad ik tot de HEER: “Ach HEER, mijn God, u hebt met uw grote kracht, met uw machtige arm, de hemel en de aarde gemaakt. Voor u is niets onmogelijk. U bewijst uw liefde aan duizenden, u laat voor de schuld van de ouders ook de kinderen boeten, u bent de grote, machtige God, uw naam is HEER van de hemelse machten. Uw besluiten zijn indrukwekkend, uw daden machtig. U let aandachtig op de levensweg van de mensen en beloont ieder naar zijn daden. U hebt in Egypte tekenen en wonderen verricht, en verricht die tot op de dag van vandaag in Israël en onder heel de mensheid, zodat uw naam nu overal gevestigd is. U hebt uw volk Israël met angstaanjagende tekenen en wonderen uit Egypte weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm, en u hebt hun dit land gegeven, dat u hun voorouders onder ede had beloofd: een land dat overvloeit van melk en honing. Uw volk trok het binnen en nam het in bezit, maar gehoorzaamde u niet. Ze leefden uw wet niet na, volgden uw geboden niet op. Daarom werd deze ellende hun deel. De belegeringswal reikt al tot de stadsmuur, de stad staat op het punt te worden ingenomen. Ze valt in handen van de Chaldeeën, die haar bestormen. Het zwaard, de honger en de pest brengen haar ten val. Wat u hebt aangekondigd, ziet u nu zelf gebeuren. Toch hebt u, HEER, mijn God, mij gezegd de akker te kopen en in aanwezigheid van getuigen te betalen. En dat terwijl de stad in handen van de Chaldeeën valt”.’ (32:16-25)
4 Maimonides in een brief aan rabbi Hisdai, in Kobets Teshubot Haram bam Weiggerotav, ed. Lichtenberg (Leipzig 1859) ii, pp. 23a-23b.
5 Man is Not Alone, p. 83.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90