Deel 2 Openbaring

25 De bijbel en de wereld
 

25.1     IS DE BIJBEL EEN ILLUSIE?

We hebben de idee van de profetie en de beweringen van de profeten behandeld. Nu richten we ons op de bijbel. De bijbel is geen abstract idee of spiritueel vooruitzicht. Het is meer dan een bewering van mensen uit een vervlogen verleden. De bijbel is een altijd aanwezige werke­lijkheid en met de aanwezigheid van de bijbel brengen we het pro­bleem van de profetische inspiratie opnieuw ter sprake.

Aan welke bron ontleenden de profeten die stroom van inzicht die zijn bedding vond in de boeken van de bijbel? Wie heeft hen zodanig bejegend, dat zij ons zo konden bejegenen? Straalde hun eigen hart een gekunstelde opvatting uit die in staat was de geestelijke duisternis van de wereld verlichten?

Het antwoord van de profeet is consequent hetzelfde: het was een woord van God dat op mijn tong brandde. Ligt het op onze weg om deze aanspraak te negeren, te kleineren of verdacht te maken?

We staan tegenover een weerbarstig feit. Een uitgelezen gezelschap van mannen als Mozes, Nathan, Elia, Amos, Jesaja en Jeremia beweren een woord van God te hebben vernomen. Als hun be­wering vals is, zijn we dan niet gedwongen om hen te veroorde­len als bedriegers, die de geesten van de mensen voor meer dan drieduizend jaren in verwarring hebben gebracht?

De aard van de bijbel is een hoogst verwarrende aangelegen­heid. Haar inhoud is te belangrijk om genegeerd te worden. Meer ver­ontrustender dan het persoonlijke probleem of wij be­reid zijn om te geloven, is de objectieve vraag: is de bijbelse pro­fetie een illusie? De bevestiging van deze vraag heeft ernstige gevolgen. De kwestie is dan niet al­leen of wij in openbaring kunnen geloven, maar ook of wij in de ontkenning van openbaring kunnen geloven.

 

25.2    IS GOD OVERAL AFWEZIG?
Het lijkt makkelijk om met de gedachte te spelen dat de bijbel een boek is als vele andere boeken of dat het verhaal van de Sinaď een sprookje is. Maar door zo te spelen kunnen we onze toewijding aan en onze band met God verspelen.

Overweeg wat een dergelijke ontkenning inhoudt. Als Mozes en Jesaja er niet in geslaagd zijn om te ontdekken wat Gods wil is, wie zal dat dan wel kunnen? Als God niet in de bijbel gevon­den wordt, waar moeten we hem dan zoeken?

De vraag over de bijbel is de vraag over de we­reld. Het is een uiterste vraag. Als God niets met de profeten te maken had, dan heeft hij met de mensheid niets te maken. En als God wel iets met de profeten te maken had, dan zijn de profe­ten leugenaars noch bedriegers.

Maar toch gaan wij, filistijnen [verachtelijk volk, ongelovigen], door met ons aan intellectuele clichés vast te klampen, met ons eigen leven te verheffen tot een voorbeeld en maatstaf van wat de profeten hoogstens zouden kunnen bereiken. We verzetten ons tegen het woord van de profe­ten met onze beweringen dat God nooit een oor kan bereiken, dat God zich nooit zal verwaardigen om een woord te laten oplichten in de geest van de mens. Maar dit is het principe van dwazen: wat voor ons onbereikbaar is, is onbereikbaar voor anderen. De ge­middelde mens is niet de maatstaf. We onderzoeken geen menselijke prestaties. We onderzoeken iets waarin de kracht van God heeft gewerkt. Het is niet aan ons om te zeggen dat God zich aan onze maatstaven moet aanpassen. De gemeenplaatsen van onze opvattingen moeten niet beslissend zijn in de meest verheven aangelegenheid. Er bestaan tussen God en mens veel dingen waar de geleerden nooit van gedroomd hebben. Oordeelt de psy­chologie over de geldigheid van wiskundige wetten? Volgt de geschiedenis de weg die de logica voorzegt?

25.3    DE PLAATS VAN DE BIJBEL IN DE WERELD

Wat is de plaats van de bijbel in de wereld van de geest? Waar zal de bijbel mee vergeleken worden?

Zal het boek dat verklaart:

Charme is bedrieglijk en schoonheid vergaat

om zijn esthetische kwaliteiten gewaardeerd worden? Sommigen begroeten de bijbel als ‘literatuur’,1 alsof een dergelijke nevenschikking de hoogste lof zou zijn, alsof ‘litera­tuur’ het hoogtepunt van de geestelijke werkelijkheid zou zijn.

Wat zou Mozes, wat zou Jesaja over een dergelijke lof gezegd hebben? Misschien hetzelfde als wat Einstein gezegd zou hebben, wanneer het manuscript van zijn relativiteitstheorie toegejuicht zou worden om zijn mooie handschrift. Zou niet hoogstens een kind kunnen beweren dat het wezen van de oceaan zijn schoon­heid is? Of dat de betekenis van de sterren in hun bekoring ligt?

Sedert de negende eeuw hebben de moslims ‘de schoonheid van de koran’ of ‘de onovertrefbaarheid van de stijl van de koran’ aangevoerd als bewijs van de goddelijke oorsprong van de islam.2 De intrinsieke waarde van deze bewering is niet-moslims altijd ontgaan. Het is hoe dan ook veelbetekenend dat de esthetische kwaliteit van de bijbel nooit gebruikt is als bewijs van het dogma van de openbaring. Hoe kon het - tot voor kort – aan joden en christenen ontgaan zijn dat de stijl van de bijbel onovertrof­fen is? Dat nooit gedachten in een zuiverder vorm gegoten zijn en dat geen menselijk voorstellingsvermogen ooit een werk heeft voortgebracht dat te vergelijken is met de diepte, onvergan­kelijkheid en vaak ondraaglijke schoonheid van de bijbel?

Wij allen hebben schoonheid nodig en hunkeren naar in­drukwekkende bewoordingen. Schoonheid en imposante uitdrukkingskracht kunnen in maten en soorten overal op de wereld gevonden worden. Maar heeft de ziel alleen schoonheid en vorm nodig? De ziel heeft, zo geloven wij, heiliging no­dig en om dat doel te bereiken moeten we ons op de bijbel richten. Er is vele literatuur, maar er is slechts één bijbel.

De bijbel is een antwoord op de vraag: hoe het leven te heili­gen. En als we zeggen dat wij geen behoefte aan heiliging voelen, bewijzen we alleen maar dat de bijbel onmisbaar is. Want de bijbel leert ons hoe we de behoefte aan heiliging kunnen ervaren.

 

25.4    WAT DE BIJBEL DEED
Wat hebben de profeten gedaan voor de menselijke situatie? La­ten we proberen uit vele dingen maar enkele in ons geheugen te­rug te roepen.

De bijbel toonde de mens zijn onafhankelijkheid van de natuur, zijn plaats bóven de omstandigheden en riep hem op om te beseffen dat eenvoudige daden ontzaglijke gevolgen kunnen hebben. Niet alleen de sterren maar ook de daden van de mens volgen een baan die een gedachte van God hetzij weerspiegelt, hetzij verdraait. De mate van onze waardering voor de bijbel wordt daarom bepaald door de mate van onze gevoeligheid voor de goddelijke waardig­heid van menselijke daden. Het inzicht in de goddelijke elementen van het menselijke leven is de duidelijke boodschap van de bijbel.

De bijbel heeft de hersenschim van de mens dat hij alleen was, vernietigd. Sinaď verbrak de kosmische stilte die ons bloed door wanhoop doet stollen. God houdt zich niet afzijdig van onze kre­ten. Hij is niet alleen een voorbeeld maar een macht, en het le­ven is een antwoord, niet een alleenspraak.

De bijbel toont de weg van God met de mens en de weg van de mens met God. Hij bevat zowel de aanklacht van God tegen de kwaadaardigen als de schreeuw van de verslagen mens die God om gerechtigheid vraagt.

En op zijn bladzijden zijn ook herinneringen te vinden aan de on­gelofelijke verharding en koppigheid van de mens, aan zijn onmete­lijke vermogen om zijn ondergang te bewerkstelligen, maar ook de verzekering dat Gods mededogen alle kwaad te boven gaat.

Hij die een antwoord zoekt op de meest dringende vraag: wat ­is het leven? zal een antwoord vinden in de bijbel: het is de be­stemming van de mens om meer een bondgenoot te zijn dan een meester. Er is een opdracht, een wet en een weg: de opdracht is verlossing, de wet is gerechtigheid doen, barmhartigheid liefheb­ben, en de weg is het geheim van menselijk en heilig zijn. Als de wanhoop ons naar adem doet snakken, als de wijsheid van de we­tenschap en de pracht van de schone kunsten ons niet meer kun­nen redden uit de angst en het gevoel van vergeefsheid, dan biedt de bijbel ons de enige hoop: de geschiedenis is een omweg voor de schreden van de Messias.

 

25.5    GEEN WOORDEN DIE MEER BETEKENEN
Er zijn geen woorden in de wereld die meer betekenen, meer ont­hullen en onmisbaarder zijn, woorden zowel streng als gracieus, hartverscheurend en genezend. Een zo universele waarheid: God is Eén. Een zo troostende gedachte: hij is ons in de nood nabij. Een zo overweldigende verantwoordelijkheid: zijn naam kan ontheiligd worden. Een atlas van de tijd: van de schepping tot de verlossing. Richtingaanwijzers langs de weg: de Zevende Dag. Een offerande: verslagenheid van hart. Een utopie: och, was het gehele volk maar profeten. Het inzicht: de mens leeft door zijn trouw; zijn thuis is in de tijd en zijn wezen in daden. Een zo stoutmoedig richtsnoer: heilig zul je zijn. Een zo gewaagd gebod: heb je naaste lief als jezelf. Een zo verheven feit: menselijk en goddelijk mededogen kunnen overeenstemmen. En een geschenk zo onverdiend: het vermogen om berouw te hebben.

De bijbel is het grootste voorrecht van de mensheid. Hij is zo ver weg en zo rechtstreeks, categorisch in zijn eisen en vol mededogen en begrip voor de menselijke situatie. Er is geen ander boek waar­uit zoveel liefde en eerbied voor het leven van de mens spreekt. Geen verhevener liederen over zijn werkelijke lot en heerlijkheid, over zijn strijd en vreugden, ellende en hoop, zijn ooit gedicht, en nergens is de behoefte van de mens aan leiding en de zekerheid van zijn uiteindelijke verlossing zo scherp getekend. Hij heeft de woorden die de schuldige doet opschrikken en de belofte die de wanhopigen ondersteunt. En hij die een taal zoekt om te uiten wat hem ten diepste beweegt, om te bidden, zal die in de bijbel vinden.

De bijbel is niet een einddoel, maar een begin, een precedent, niet een verhaal. Dat hij in bepaalde historische situaties is inge­bed, heeft hem niet verhinderd om eeuwig te zijn. Niets in de bijbel is clandestien of afgezaagd. Het is geen epos over het leven van helden, maar het verhaal van elk mens in alle klimaten en alle tijden. Het onderwerp is de wereld, de hele geschiedenis, en het bevat zowel het model van een grondwet voor een verenigde mensheid als aan­wijzingen voor het vestigen van een dergelijk verbond. Het wijst de weg zowel aan volkeren als aan eenlingen. Het blijft gerechtig­heid en mededogen zaaien, Gods roep tot de wereld herhalen en het pantser van de menselijke verharding doorboren.

 

25.6    HET UNIEKE VAN DE BIJBEL
Een groot dichter hoeft niet te bewij­zen dat hij een dichter is. Zijn dichtkunst spreekt voor zichzelf; zij maakt in ons het vermogen los om een nieuwe en uitzonderlijke visie op het leven naar waarde te schatten ten koste van het prijs­geven van gevestigde opvattingen. Wij beoordelen zijn werk als dichtkunst niet door middel van vooropgezette ideeën. Het geniale spreekt voor zichzelf.

De bijbel heeft geen bewijs van bijzonderheid nodig. Door de eeuwen heen heeft hij over de geest van de mens macht uit­geoefend, niet omdat hij het etiket ‘Het Woord van God’ droeg en door de trechter van het dogma in de geest van de mens werd gegoten, maar omdat hij een licht bevatte dat zielen deed ont­vlammen. Als hij tot ons gekomen was zonder een dergelijke faam, zonder zo’n etiket, dan zou onze verbazing over zijn krachten zelfs nog groter zijn geweest.

Waarom overtreft de bijbel alles wat door de mens geschapen is? Waarom is er geen werk dat het waard is ermee vergeleken te worden? Waarom is er voor de bijbel geen vervanging, niets dat vergelijkbaar is met de geschiedenis die hij heeft voortgebracht? Waarom moeten allen die de levende God zoeken, zich tot zijn bladzijden wenden?

Zet de bijbel naast een van de werkelijk grote boeken, voortge­bracht door de geest van de mens en zie hoe hun formaat krimpt. De bijbel toont geen belangstelling voor de literaire vorm, voor mooie woorden, maar toch weerklinkt zijn absolute verheven­heid door al zijn bladzijden. Zijn regels zijn zo monumentaal en tegelijk zo eenvoudig dat iedereen die ermee probeert te wedijveren of een commentaar of een karikatuur vervaardigt. Het is een werk dat we niet op de juiste waarde weten te schatten. Het dieplood van de wetenschap kan zijn diepte niet peilen en even­min zal de kritische analyse ooit zijn wezen vatten. Andere boe­ken kan je waarderen, beoordelen, vergelijken; de bijbel kan de alleen prijzen. Zijn inzichten gaan onze maatstaven te boven. Er is niets groter.

Is het niet waar dat de bijbel het enige boek in de hele wereld is dat nooit vervangen kan worden, en dat zowel ons verleden als onze toekomst zonder dat boek duister, zinloos en ondraaglijk is? Niets kan zijn plaats opeisen, niets kan zijn rol erven. Men is huiverig om zijn lof te zingen.

25.7    HOE DE BIJBEL TE VERKLAREN?
Andere boeken kan je proberen te verklaren, maar een poging om de bijbel uit te leggen is een gelegenheid bij uitstek om zich belachelijk te maken.

Probeer je eens een boek voor te stellen dat de bij­bel zou overtreffen en je moet toegeven dat de kracht van de menselijke geest de bijbel nooit voorbij heeft gestreefd. Wie kan de waarde onder woorden brengen? Als je de bijbel naar waarde probeert te schatten, ontdek je dat de geest niet op die taak berekend is. Het is geen boek – het is de uiterste begrenzing van de menselijke spirit op aarde.

Ons hart slaat over wanneer we de ontzagwekkende grootheid overdenken. Het is het enige op de hele wereld dat wij met de eeuwigheid in verband kunnen brengen. Het enige in de we­reld dat eeuwig is. Het eeuwige Boek. De aarde is misschien niet de belangrijkste planeet, ons tijdperk is misschien niet het enige. Maar in deze wereld, in dit tijdperk is de bijbel het duurzaamste voertuig van de geest.

Hoe moeten we dit onbegrijpelijke feit begrijpen? Hoe en van­waar kwam hij te voorschijn? Welke omstandigheden hebben sa­mengewerkt om de totstandkoming van dit onvergelijkbare wonder mogelijk te maken? Als God zweeg tijdens het leven van Mozes, als God niet sprak terwijl Mozes luisterde, dan was Mo­zes een wezen wiens aard al het menselijke te boven ging. Dan was de oorsprong van de bijbel geen mysterie, maar totale duisternis.

25.8    DE ALMACHT VAN DE BIJBEL
De almacht van God is niet altijd waarneembaar, maar de almacht van de bijbel is het grote wonder van de geschiedenis. Net als God is de bijbel vaak misbruikt en verdraaid door vervuilde geesten, maar zijn vermogen om aan de kwaadaardigste aanvallen weerstand te bieden is grenzeloos. De kracht en de geloofwaardigheid van de denkbeelden zijn merkbaar onder de roest en het beu­ken van twintig eeuwen debat en dogma: hij verbleekt niet on­danks de theologie, en evenmin bezwijkt hij door misbruik. De bijbel is de eeuwige beweging van de geest, een oceaan van beteke­nis, zijn golven slaan tegen de onverwachte en scherpe menselijke tekortkomingen en zijn echo dringt door tot in de doodlopende ste­gen van zijn worsteling met de wanhoop.

Geen treuriger bewijs kan door een mens afgegeven worden van zijn eigen geestelijke duisternis dan zijn ongevoeligheid voor de bijbel. ‘Een schip dat op de rivier groot opdoemt, lijkt nietig als het op de oceaan vaart.’ De grootheid van de bijbel wordt duidelijker wanneer hij in het kader van de algemene geschiedenis bestudeerd wordt en zijn majesteit groeit mét de vertrouwdheid van de lezer.

Onweerlegbaar, onverwoestbaar, nooit afgemat door de tijd, schrijdt de bijbel door de eeuwen, zichzelf met gemak aan alle mensen wegschenkend, alsof hij aan iedere ziel op aarde toebe­hoorde. Hij spreekt in elke taal en in elk tijdperk. Het komt alle schone kunsten ten goede en wedijvert er niet mee. Wij allen putten eruit en de boeken blijven zuiver, onuitputtelijk en volledig. Driedui­zend jaar oud en nog geen dag ouder geworden. Het is een boek dat niet kan sterven. Vergetelheid vermijdt zijn bladzijden. De kracht neemt niet af. In feite is hij nog maar aan het eerste begin van zijn ontwikkeling: de volle betekenis van zijn inhoud heeft nog maar nauwelijks de drempel van onze geesten beroerd. Als een oceaanbodem waar ontelbare parels liggen te wachten op hun ontdekking, zo moet zijn geest nog ontplooid worden. Hoewel zijn woorden duidelijk lijken en zijn taal doorzichtig, ko­men onopgemerkte betekenissen, ongedroomde aanduidingen voortdurend aan het licht. Meer dan tweeduizend jaar van lezen en onderzoek zijn er niet in geslaagd om zijn volle betekenis te verkennen. Vandaag is hij alsof hij nooit was aangeraakt, nooit ge­zien, alsof we zelfs niet begonnen waren met lezen.

De levenskracht is teveel voor één generatie. De woor­den openbaren meer dan wij kunnen opnemen. Gewoonlijk ko­men we niet verder dan een poging ons enkele eenvoudige regels toe te eigenen zodat onze geest synoniem wordt met een passage.

 

25.9    KOSTBAAR VOOR GOD

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.                      Jesaja 40:6-8

Nooit eerder, nooit meer daarna is ooit een dergelijke stelling ver­kondigd. En wie zal betwijfelen dat de stelling bewaarheid is? Is niet het woord, gesproken tot het volk van Israël, in alle hoeken van de wereld doorgedrongen en aanvaard als de boodschap van God in duizend talen? Waarom stierven de meeste godsdiensten die niet uit zijn zaad zijn geboren, terwijl elke generatie opnieuw de spirit begroet die aan hem ontluikt? Ontelbare godsdiensten, staten, wereldrijken verdorden als gras; miljoenen boeken zijn dood en begraven, ‘maar het woord van onzen God houdt eeuwig stand’. Als het er echt op aankomt, falen ze allen - priesters, filosofen, geleerden - alleen de profeten houden stand.

De wijsheid, het leerstelsel en de raad van de bijbel zijn niet in strijd met wat de menselijke geest uiteindelijk bereikt heeft; eerder laten ze onze houding op allerlei gebieden achter zich. Het denkbeeld van de gelijkheid van de mensen bijvoor­beeld is in onze monden een gemeenplaats geworden, maar hoe weinig is het nog een onweerstaanbaar inzicht geworden of een eerlijke, onuitroeibare overtuiging? De bijbel loopt niet achter. De bijbel is onze aspiraties eeuwen vooruit.

Eén ding moeten we ons proberen voor te stellen. In de wervel­storm van de geschiedenis had de bijbel verloren kunnen gaan, Abraham, Mozes, Jesaja behouden als vage herinneringen. Wat zouden we missen in de wereld, wat was de conditie en het vertrouwen van de mens als de bijbel niet bewaard was gebleven?

Het is de bron van de meest hoogstaande inspanningen van de mens in de westelijke wereld. Hij heeft meer heiligheid en mededogen aan de mensheid ontlokt dan wij ons kunnen voorstellen. Bijna alles wat hoogwaardig en rechtvaardig is, komt voort uit de bijbelse geest. Hij heeft leven en vorm geschonken aan ontelbare kostbare dingen in het le­ven van individuen en bevolkingen.

Vrij van elke zweem van gevestigde belangen, van klasse of natie, vrij van elk ontzag voor personen, of het nou Mozes, de eerste van de profeten is of David, de meest vereerde van alle konin­gen. Niet belemmerd door verkeerde eerbied voor welke instelling dan ook, of het nou de staat Judea is of de tempel in Jeruzalem, de bijbel is een boek dat begrijpelijkerwijze niet alleen voor de mens maar ook voor God kostbaar is. Het doel is niet zozeer om geschiedenis vast te leggen, maar meer om de ontmoeting te verhalen van het god­delijke en het menselijke op het niveau van het concrete leven. Onvergelijkbaar veel belangrijker dan alle schoonheid of wijsheid die hij aan onze levens schenkt, is de wijze waarop hij het de mens mogelijk maakt om te begrijpen wat God bedoelt, om heiligheid te verwerven door rechtvaardigheid, door eenvoud van ziel, door keuze. Voor alles blijft het boek verkondigen dat verering van God zonder rechtvaardigheid voor de mens afschuwelijk is en dat, terwijl het probleem van de mens God is en Gods probleem de mens is.

25.10    HEILIGHEID IN WOORDEN
De bijbel is heiligheid in woorden. Voor de mens van onze tijd is niets zo alledaags en afgezaagd als woorden. Van alle dingen zijn zij de goedkoopste, meest misbruikte en minst geachte. Woorden zijn het voertuig van onafgebroken laster. Wij leven in woorden, voelen in woorden, denken in woorden, maar omdat we ze niet hoog­houden in hun onafhankelijke waardigheid, we hun kracht en ge­wicht niet respecteren, laten we ze onbeheerd, vluchtig - een mond vol stof.3 Geplaatst voor de bijbel, waarvan de woorden lij­ken op uit de rots gehouwen woningen, weten we niet hoe we de deur kunnen vinden.

Sommige mensen vragen zich wellicht af: waarom is het licht van God gegeven in de vorm van taal? Hoe moeten we ons voor­stellen dat zulke broze vaten als medeklinkers en klinkers het god­delijke zouden moeten bevatten? Deze vraag verraadt de zonde van onze tijd: het lichtvaardig omspringen met de ether die de lichtgolven van de geest draagt. Wat anders in de wereld is zo ge­schikt om mensen tot elkaar te brengen ondanks de afstanden in ruimte en tijd? Van alle dingen op aarde sterven alleen woorden nooit. Ze hebben zo weinig pretentie en zo veel betekenis.

De bijbel gaat niet over goddelijkheid maar over menselijk­heid. Welke andere taal dan die van de mens zou gebruikt moe­ten worden bij het aanspreken van menselijke wezens over men­selijke zaken? En toch lijkt het alsof God deze Hebreeuwse woor­den genomen heeft en zijn kracht erin geblazen heeft en de woorden werden een levende draad geladen met zijn geest. Tot op vandaag zijn zij de schakels tussen hemel en aarde.

Welk ander medium had kunnen worden gebruikt om het god­delijke over te brengen? Op de maan gebrandschilderde afbeel­dingen? Beelden uitgehouwen in de Rocky Mountains? Wat mankeert er aan de menselijke herkomst van de bijbelse woor­denschat?

Wanneer de bijbel een tempel zou zijn in majesteit en luister hetzelfde als de simpele grootsheid van zijn huidige vorm, zou zijn god­delijke taal wellicht voor de meeste mensen het kenmerk van god­delijke waardigheid nog overtuigender gedragen hebben. Maar dan zou de mens meer zijn werk dan zijn wil vereerd hebben... en dat is juist iets wat de bijbel geprobeerd heeft te voorkomen.

Zoals het onmogelijk is om zich God voor te stellen zonder de wereld, zo is het evenmin mogelijk om zich zijn betrokkenheid voor te stellen zonder de bijbel.

Als God leeft, dan is de bijbel zijn stem. Geen werk komt meer in aanmerking om als een uiting van zijn wil te worden be­schouwd. Er is geen andere spiegel in de wereld die zijn wil en geestelijke leiding zo onmiskenbaar weerkaatst. Als het geloof in de inwoning van God in de natuur aannemelijk is, dan is het geloof in de inwoning van God in de bijbel onweerstaanbaar.

25.11    ISRAËL ALS BEWIJS
Het jodendom is geen profetische religie maar een volksreligie. Profeten werden ook bij andere naties ge­vonden. Uniek was de intrede van heiligheid in het leven van heel Israël en de omzetting van profetie in concrete ge­schiedenis in plaats van een persoonlijke ervaring van individuen te blijven. De bijbelse openbaring geschiedde niet ten behoeve van de profeten maar omwille van Israël en alle mensen.

In bijna elke eredienst en godsdienst werden bepaalde wezens, dingen, plaatsen of daden als heilig beschouwd. Maar het denk­beeld van de heiligheid van een heel volk, Israël als een heilig volk, heeft zijn weerga in de geschiedenis van de mensheid niet. Heiligheid is het kostbaarste woord in religie en werd al­leen gebruikt om te beschrijven wat men beschouwde als een onmiskenbare uiting in een bepaald wezen van een ontstellende, bovennatuurlijke kwaliteit. Alleen buitengewone, bovenna­tuurlijke gebeurtenissen in het leven van heel Israël zouden het gebruik van de term ‘een heilig volk’ mogelijk hebben gemaakt.

Als Israël nooit een openbaring ontvangen had, zou het raadsel groter zijn geweest. Hoe verwierf, van alle naties, een onaanzienlijk, politiek onbetekenend volk de macht om te spre­ken voor de zielen van alle mensen in de westerse wereld?

Het wonder van Israël, van joods bestaan, het overleven van de heiligheid in de geschiedenis van Israël is een voortdurende bekrachtiging van het wonder van de bijbel. Openbaring aan Is­raël werd openbaring door middel van Israël.

Schrijver Christian Fürchtegott Gellert († 1769), gevraagd door Frederik de Grote: ‘Professor, geef me een bewijs van de waarheid van de bijbel, maar kort, want ik heb weinig tijd,’ antwoordde: ‘De joden, majesteit.’4

25.12    HOE DE ZEKERHEID VAN ISRAËL TE DELEN
Onze houding tegenover de bijbel is meer dan een probleem van afzonderlijk, persoonlijk geloof. Onze uiteindelijke beslissing moeten wij nemen als leden van de gemeenschap van Israël. Wie zou, vervreemd van de gemeenschap van Israël en van haar voortdurende weerklank, de stem kunnen verstaan? We staan dichtbij het be­rispte volk, bij de situatie waarin de woorden werden gezegd en in de buurt van de profeten. Joden zijn geestelijke tijdgenoten van de profeten. Niet de verwerping van een dogma zou ons van de bijbel afsnijden, maar het verbreken van de banden met het volk dat leefde met de stem.

Ons probleem is nu hoe wij met Israël de zekerheid kunnen delen dat de bijbel bevat wat God wil dat wij weten en be­luisteren: hoe een gemeenschappelijk gevoel te bereiken voor de nabijheid van God in de bijbelse woorden. In dit probleem ligt het dilemma van ons lot en in het antwoord ligt het ochtend­gloren of de ondergang.

25.13    NIET OP GROND VAN BEWIJZEN
Niet kunnen besluiten om je ziel de bijbel binnen te leiden voordat de redenen voor zijn goddelijke waar­digheid je overtuigd hebben, is als de weigering naar een schilderij te kijken voordat de krabbel in de hoek is ontcijferd. Het is het werk dat de handteke­ning identificeert. Handtekeningen kunnen worden vervalst, een kunstwerk moet gemaakt worden. Gemakkelijk vergeten wij dat ook redenen hun redenen moeten hebben; dat geen bewijs definitief is of in zijn eigen behoefte voorziet.

De bijbel is zijn eigen getuige. Het bewijs voor zijn unieke oor­sprong is dat hij voor zichzelf spreekt. In de loop der tijd heeft de bijbel zich kenbaar gemaakt als een stem van God. Als er iets in de wereld is wat ooit de omschrijving ‘goddelijk’ heeft verdiend, dan is het de bij­bel. Er zijn vele boeken over God: de bijbel is het boek van God. Door de liefde van God voor de mens te onthullen opende hij onze ogen om de eenheid te zien van wat zinvol voor de mensheid is en wat heilig voor God is, en leerde hij ons hoe een natie, niet alleen het leven van de enkeling, heilig te maken. Altijd gaat zijn belofte uit naar falende, eerlijke zielen, terwijl zij die hem afdanken, vragen om rampspoed.

We aanvaarden het woord van God niet vanwege bewijs één, twee, drie... We aanvaarden het omdat onze schitterende denk­beelden verbleken als we er dichterbij komen, omdat zelfs onbe­twistbare bewijzen alledaags lijken bij de klank van de profetische woorden. We besluiten niet ons tot de bijbel te richten op grond van redenen. Wij wenden ons tot de bijbel om een betekenis van het bestaan te vinden die aan alle redenen standvastigheid verleent.

Maar onze inzichten kunnen verkeerd zijn. Is het niet moge­lijk dat wij allemaal bedrogen zijn? Inderdaad, alles is denkbaar, maar in dat geval moeten we niet vergeten wat een dergelijke mogelijkheid inhoudt.

 

Het ontkennen van de goddelijke oorsprong van de bijbel is het brandmerken van de hele geschiedenis van geestelijke pogin­gen en resultaten in jodendom, christendom en islam als de uit­komst van een gigantische leugen, de triomf van een misleiding dat de meest hoogstaande zielen meer dan tweeduizend jaar heeft geboeid. Maar een bewering als deze zou een zodanige schok veroorzaken dat ze zelfs ons vermogen om een dergelijke verklaring af te leggen zou beďnvloeden. Als de zuiverste zielen zo broos zijn, hoe kunnen we dan beweren kennis te vergaren over het zelfbedrog van de pro­feten? Wat zou ons anders resten dan te wanhopen? De bijbel is ontstaan of in een leugen, óf in een daad van God. Als de bijbel bedrog is, dan is de duivel almachtig en is er geen hoop om ooit de waarheid te vinden, geen vertrouwen in de geest. Ons denken zelf zou nutteloos zijn en onze pogingen armzalig. Uiteinde­lijk aanvaarden wij de bijbel niet op grond van redenen, maar omdat als de bijbel een leugen is, alle redenen vals zijn.

25.14    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 2.5

1 De theorie dat de bijbel literatuur is, werd door de tijdgenoten van Ezechiël verdedigd. God heeft de profeet opgedragen om tegen ‘het struikgewas’ te profeteren: “Luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Ik steek je in brand, en het vuur zal al het levende en dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet doven, alle gezichten, in noord en zuid, zullen erdoor worden verschroeid, en alles wat leeft zal weten dat ik die vlam heb aangestoken. Het vuur zal niet doven!”' Ik antwoordde: ‘Ach HEER, mijn God, zullen ze dan niet zeggen: “Hij spreekt in raadselen, die man!”’ (Ezechiël 20:47-49).

‘Niet te benijden is de mens die de thora beschouwt als een boek met louter verhalen en alledaagse dingen! Als dat zo was, zouden wij, zelfs wij, een thora kunnen schrijven over alledaagse zaken en van nog groter uitnemendheid. Nee, de vorsten van de wereld bezitten boeken van groter waarde, die wij als voorbeelden zouden kun­nen gebruiken om een dergelijke thora samen te stellen.’ Zohar, iii, 152a. In Mozes Ibn Ezra, Shirat Israel, vindt je echter een waarde­ring van de literaire kwaliteiten van de bijbel.
[Zie ook: De bijbel volgens Nicolaas Matsier (Amsterdam 2003).]

2 Zie Tor Andrae, Die Person Muhammeds (Stockholm 1918) p. 97, en Gustave E. von Grunebaum, Medieval Islam (Chicago 1946) p. 94 e.v. Over de voorbehouden van de mutazilieten, zie I. Goldizher, Vorle­sungen über den Islam (Heidelberg 1910) p. 102. [Mutazilieten waren de eerste theologen of beoefenaars van de kalâm, een woord dat eigenlijk ‘gesprek’ betekent en dus duidt op de dialectische behandeling van de vraagstukken des geloofs.]

3          A. J. Heschel, Man’s Quest for God, p. 25.

4          A. Jeremias, Jüdische Frömmigkeit, p. 57.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90