Deel 2 Openbaring

26 Geloof, samen met de profeten
 

26.1     GELOOF, SAMEN MET DE PROFETEN

Vertrouwen in de profeten is niet de enige basis voor hoe we over de bijbel denken. Dit zou het geval hebben kunnen zijn als hun berichten over hun ervaringen het enige was dat wij hadden. In feite worden wij niet alleen uitgedaagd door deze berichten, maar door wat in deze ervaringen aan het licht kwam. De bijbel zelf is gegeven aan iedereen om in te verzinken. Dit is inderdaad de weg: van het vermogen om vertrouwen te hebben in het geloof van de profeten naar het vermogen om het vertrouwen van de profeten te delen dat God de macht heeft om te spreken.

Wat - theoretisch - begint als geloof in de profeten komt in bewe­ging en groeit tot geloof met de profeten. De bijbel stelt ons in staat om iets op te vangen van wat zij hebben gehoord, maar niet op de manier waarop zij hoorden.

De ziel van de profeet is een spiegel voor God. Het delen in het vertrouwen van een profeet is meer dan waarnemen waar het gewone verstand faalt; het betekent zijn wat gewone men­sen niet kunnen zijn: een spiegel voor God. Delen in het vertrouwen van een profeet betekent opstijgen tot het niveau van zijn bestaan.1

    De stem van God en het oor van de mens detoneren. Symbolisch is er gezegd dat het hele volk bij de Sinaï de stem zag en niet dat het hele volk de stem hoorde. (Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan, Exodus 20:18.)

De Baäl Shem vertelde een gelijkenis. Een muzikant bespeelde een heel mooi instrument en de muziek verrukte het volk zoda­nig dat het in zielsvervoering ging dansen. Er kwam een dove man langs die niets van muziek wist, en toen hij het geest­driftige dansen zag, kwam hij tot de slotsom dat ze gek moesten zijn. Zou hij wijs zijn geweest, dan zou hij hun vreugde en ver­rukking gevoeld hebben en met hen zijn gaan dansen.2

Wij horen de stem niet. We zien alleen de woorden van de bij­bel. Zelfs wanneer we doof zijn, kunnen we de verrukking van de woorden zien.

 

26.2    OORSPRONG EN AANWEZIGHEID
Wie wil nadenken over wat de bijbel te boven gaat, moet eerst leren om gevoelig te zijn voor wat in de bijbel staat. We hoeven Mozes en de profeten niet alleen op hun woord te geloven. Beslissender dan de oorsprong van de bijbel in God is de aanwezigheid van God in de bijbel. Het gevoel van de nabijheid geeft vertrouwen in zijn oorsprong.

De manier om de nabijheid van God in de woorden van de bijbel te bespeuren is niet zozeer om te onderzoeken of de denkbeel­den die ze aangeven, volmaakt overeenstemmen met de resulta­ten van het denken of met het gezonde verstand. Een dergelijke overeenstemming, aangenomen dat die tot stand zou kunnen worden gebracht, zou inderdaad bewijzen dat de bij­bel een product is van gezond verstand of dat de geest waar hij uit voortkwam niets méér te zeggen heeft dan wat de rede kan verkondigen. Wij moeten vragen of er iets in de bijbel staat wat buiten het bereik van de rede ligt, buiten het gezichtsveld van het gewone verstand. Zijn de lessen verenigbaar zijn met ons ge­voel voor het onuitsprekelijke, met het denkbeeld van de een­heid? Helpt het ons verstand te overstijgen zonder het te ontkennen? Wordt de mens geholpen om zichzelf te overstijgen zon­der zichzelf te verliezen? Dit is het aristocratische van de bijbel: op het hoogste niveau van basale verbazing, waar alle uitingen eindigen, word ons het woord geschonken. Openbaring is een aangelegen­heid waarover beslist moet worden op het niveau van het onuit­sprekelijke.

We moeten vragen of zijn inhoud tot ons spreekt in ogenblik­ken van geestelijke helderheid, wanneer al ons weten vaag wordt in het licht van ons niet-weten, wanneer we voelen dat ons leven een overvloeien is van iets wat groter is dan wij, de overdaad van een geest die niet de onze is. Als de bijbel een beroep deed op het alledaagse begrip van de mens, dan zou het inderdaad een werk zijn dat elke dag zou kunnen ontstaan, in het tijdperk van Sinaï net zo goed als in dit tijdperk van maar doorgaande beeld- en geluidsstromen. Wij moeten ons afvragen of de bijbel iets heeft wat de tijdperken overstijgt.

Openbaring is een wolkbreuk, een stortbui, en toch leven we in een droog en dorstig land, waar de hemel als ijzer en de lucht als stof is. De meesten van ons zijn als gravende mollen: als we een stroom ontmoeten is hij ondergronds. Weinigen kunnen op zeldzame momenten boven hun eigen niveau uitstijgen. Maar als we op zulke momenten ontdekken dat het wezen van het menselijke bestaan ligt tussen hemel en aar­de, dan beginnen we de essentie van de aanspraak van de profeet te begrijpen.

Het besef dat wij tussen hemel en aarde hangen is net zo hard nodig om door God bewogen te worden als de punt van Archimedes om de aarde te bewegen. Fundamentele verwondering is voor het begrijpen van de werkelijkheid van God, wat helderheid en onderscheidingsvermogen zijn voor het begrip van wiskundige denkbeelden. Het is niet voldoen­de om over de profeten te denken: we moeten denken door de pro­feten. Het is niet voldoende de bijbel te lezen om zijn wijsheid; we moeten de bijbel bidden om zijn aanspraak te begrijpen.

Er is veel gebeurd om het contact met de wereld van de profe­ten te verbreken. Vandaag is de weg naar de bijbel bezaaid met bergen clichés en vooroordelen, en als we tot de woorden door­dringen, is de geest verblind door oppervlakkige kennis. Zeker, een eer­ste vereiste om de profeten te begrijpen is een geoefende gevoeligheid voor waar zij voor staan. De weg blijft afge­sloten als God minder werkelijk is dan ‘een verte­rend vuur’, voor hen die wel antwoorden kennen maar geen verwon­dering. Degenen die verlangen naar een weg naar de bijbel, zullen vele gedachten moeten afleren en zich het aangeboren ge­voel van verwondering, dat door schijnwijsheid is uitgeroeid, weer voor de geest moeten halen.

Abstracte redenen zouden ons nooit hebben kunnen overtui­gen, als God zelf ons niet dringend gevraagd had. Hij heeft een aandeel in onze houding tegenover zijn woord en zijn wil dat wij gelo­ven kan werken langs wegen die voor onze eigen wil om te gelo­ven niet toegankelijk zijn. En inderdaad, er is een manier waar­op wij indirect ontvangen wat de profeten direct ontvingen,

    Het is niet alle mensen gegeven om het goddelijke te on­derkennen. Het is mogelijk dat zijn licht ons beschijnt en dat we het niet voelen. Verstoken van verwondering blijven we doof voor het verhevene. Wij kunnen zijn nabijheid in de bij­bel niet voelen behalve als we erop reageren. Alleen het leven met zijn woorden, alleen het meevoelen met zijn bewogenheid, zul­len de oren openen voor zijn stem. Bijbelse woorden zijn als klan­ken van een goddelijke harmonie, die alleen de beste snaren van de ziel kunnen voortbrengen. Het is het gevoel voor het heilige dat de aanwezigheid van God in de bijbel bespeurt.

We kunnen de bijbel nooit alleen benaderen. De bijbel opent zich voor de mens met God.

26.3    DE GRENS VAN DE GEEST
De goddelijke kwaliteit van de bijbel wordt niet tentoonge­steld, zij is niet kenbaar voor een inhoudsloze en domme ziel, precies zoals het goddelijke in het heelal voor iemand zonder moreel besef verborgen blijft. Als wij ons tot de bijbel richten met een loze geest, door intellectuele ijdelheid bewogen, pogend aan te tonen dat wij de meerderen van de tekst zijn, of als onvruchtbare zielen die als dagjesmensen de woorden van de profeten benaderen en wel de verpakking ontdekken maar de inhoud missen. Het is gemakkelijker van schoonheid te genieten dan om het heilige aan te voelen. Om de geest in de woorden te kunnen ontmoeten, moet er gesmeekt worden voor een verwantschap met Gods bewogenheid.

Om Gods nabijheid in de bijbel te voelen moet je leren nabij te zijn voor God in de bijbel. Aanwezigheid is geen concept maar een situatie. Om liefde te begrijpen is het niet voldoende om er verhalen over te lezen. Je moet nauw betrok­ken zijn bij de profeten om de profeten te begrijpen. Je moet geïnspireerd zijn om inspiratie te begrijpen. Net zo min als we het denken kunnen onderzoeken zonder te denken, kunnen wij heilig­heid ervaren zonder heilig te zijn. Presentie wordt niet onthuld aan hen die vrijblijvend proberen te oordelen, aan hen die de kracht missen om uit te stijgen boven de waarden die ze koeste­ren, aan hen die wel het verhaal maar niet de bewogenheid aanvoelen, het denkbeeld maar niet de werkelijkheid van God.

De bijbel is het grensgebied van de geest waar wij moeten bewegen en leven om te ontdekken en te onderzoeken. De bijbel is een open boek als je jezelf eraan overgeeft en ermee leeft in een intieme omgang.

Wij kunnen de nabijheid alleen voelen door erop te reageren. Wij moeten leren te reageren voordat we wellicht horen; we moeten leren te handelen voordat we wellicht kennen. De bijbel stelt ons in staat de bijbel te kennen. Het is door middel van de bijbel dat we ontdekken wat er in de bijbel staat. Behalve als wij bij het woord betrokken blijven, en ons gesprek met de profe­ten voortzetten en daarop reageren, houdt de bijbel op heilige Schrift te zijn.

We bewegen ons in een cirkel. We zouden de bijbel alleen wil­len aanvaarden als we zeker zouden kunnen zijn van Gods aanwezigheid in de woorden. Maar om zijn aanwezigheid vast te stellen moeten we weten wat hij is, maar dat kunnen we alleen ontlenen aan de bijbel. Geen men­selijke geest, gevormd door eigen en andermans inzichten en aspiraties, is in staat om uit zichzelf voor alle mensen en alle tijden te verkondigen: ‘Dit is God en niets anders.’ We moeten de bijbel dus aanvaarden om de bijbel te leren kennen. We moeten zijn unieke gezag aanvaarden om zijn unieke waarde ge­waar te worden. Dit is inderdaad de vertrouwensparadox, de paradox van het bestaan.

In ons alledaagse leven worden woorden gebruikt als middel om bedoelingen over te brengen. In de bijbel is spreken han­delen en is het woord meer dan een uitdrukkingsmiddel Het is een voertuig van goddelijke kracht, het mysterie van de schep­ping. Het profetische woord creëert, vormt, wijzigt, bouwt en vernietigt. (Zie Jeremia 1:9-10: En de HEER strekte zijn hand uit, raakte mijn mond aan en zei tegen mij: ‘Hiermee leg ik mijn woorden in jouw mond. Nu, op deze dag, geef ik je gezag over alle koninkrijken en volken, om ze uit te rukken en te verwoesten, om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten.’)

Als de mens spreekt, probeert hij een bepaalde bedoeling over te brengen. Als de profeet spreekt, onthult hij de bron van alle beteke­nis. De woorden van de bijbel zijn spirituele bronnen. Ze bren­gen vuur in de ziel en roepen onze verloren waardigheid op uit onze verborgen oorsprongen. In dit licht komt plotseling de herinnering bij ons terug, plotseling hervinden we de kracht om eindeloos te verlangen om eeuwigheid in de tijd te ervaren.

‘Hij die bidt spreekt tot God; maar God spreekt tot hem die de bijbel leest, zoals er gezegd is (Psalm 119:99), ik overdenk uw richtlijnen.’3

 

26.4    NIET ZOMAAR EEN BOEK
Zoals er gebeurtenissen waren op bepaalde tijdstippen, zo is er een woord dat alle mensen in alle tijden om gehoor smeekt.

De bijbel is een eeuwige uiting van een voortdurende zorg: Gods roep om de mens. Geen brief van iemand die een bood­schap verzond en onverschillig bleef voor de houding van de ont­vanger. Het is geen boek om te lezen maar een drama om aan deel te nemen. Geen boek over gebeurtenissen, maar zelf een ge­beurtenis, de voortzetting van de gebeurtenis, terwijl onze be­trokkenheid in hem de voortzetting van onze weerklank is. De gebeurtenis zal voortduren zolang deze tegenzang doorgaat. Als wij de bijbel openen als een boek, dan zwijgt het. Als een geestelijke macht is hij een stem ‘...die dag in dag uit in liefde de mensen roept... De thora laat weliswaar een enkel woord uit haar omhulsel ontsnappen, laat een beetje zien en dan verbergt zij zich weer. Zij doet dit echter alleen voor hen die haar kunnen begrijpen. Vergelijk het met een geliefde, een prachtige verschijning, lieflijk van gestalte die zich in haar kamer verbergt. Zij heeft één geheime minnaar. Gedre­ven door zijn liefde loopt hij voortdurend voor haar deur heen en weer, en hij kijkt naar alle kanten om haar te vin­den. Zij weet hoe haar geliefde ronddoolt en wat doet zij? Ze opent de kleine deur van haar verborgen kamer, onthult voor een ogenblik haar gelaat voor haar geliefde en verbergt het dan weer snel. Behalve hij, die met hart en ziel tot haar werd aangetrokken, valt het niemand op. Hij weet dat zij zichzelf een ogenblik voor hem ge­openbaard heeft omdat zij hem liefheeft. Zo is het ook met de thora, die haar verborgen geheimen alleen openbaart aan hen die haar liefhebben. Zij weet dat hij die een wijs hart heeft de poor­ten van haar huis elke dag in de gaten houdt. Wat doet zij? Zij toont hem haar gelaat en geeft hem een teken van haar liefde, waarna zij zich direct in haar schuilplaats terugtrekt. Niemand verstaat haar boodschap behalve hij, die met hart en zijn zieldoor haar werd aangetrokken. Zo openbaart de thora zich voor een ogenblik aan haar vrienden, alleen om haar liefde te tonen. Zij geeft een wenk...’4

 

Het woord is niet aan de profeten gegeven voor hun eigenbelang. Iedereen werd door God aangekeken toen de profeten door hem aangekeken werden. Iedereen werd aangesproken toen de profeten aangesproken werden. Geloof komt voort uit onze ontvankelijkheid voor het woord dat tot ons allen is uitgegaan.

Het volk van Israël stelde zijn vertrouwen in Mozes niet op grond van de wonderen die hij deed, zulke staaltjes hadden de Egyptische tovenaars kunnen verrichten. Dat zij een ogenblik tot op bepaalde hoogte konden delen in zijn beïnvloedbaarheid door God, daardoor konden zij hun vertrouwen in Mozes te stellen. Wat voor hen geldt, geldt ook voor ons. Onze hartstochtelijke waar­dering van de bijbel ontspruit niet in de eerste plaats aan een of ander bijzonder bewijs van de geloofwaardigheid van de profe­ten. Het is een mate van gevoeligheid voor profetie die ons in staat stelt om te zeggen: Hier is God aanwezig.

26.5    ‘VERWERP MIJ NIET’
Er is een spoor van de profeet in de schuilhoeken van elk mense­lijk bestaan. ‘Ik roep de hemel en de aarde tot getuigen dat op elk mens, goj of jood, man of vrouw, knecht of dienstmeid, naar de mate van zijn goede daden de geest van heiligheid rust.’5 De heilige geest rust op hen die in het Verbond leven.6

Zoals in de woorden van de bijbel de geschiedenis heilige Schrift werd, zo werd in het leven van Israël de heilige Schrift geschiedenis. De bijbel was een openbaring van God voor Israël. De joodse geschiedenis is een openbaring geweest van Israëls hei­ligheid voor God.

Niet als eenlingen, maar als het volk Israël kunnen wij een toe­gang tot de profeten vinden. De bijbel leeft in degenen die leven in het Verbond. De gemeenschap van Israël leeft door zijn belof­te: Dit verbond sluit ik met hen – zegt de HEER: mijn geest, die op jou rust, en de woorden die ik je in de mond heb gelegd, zullen uit jouw mond niet wijken, noch uit de mond van je kinderen, noch uit de mond van je kindskinderen, van nu tot in eeuwigheid – zegt de HEER.7

De eenling kan de geest echter verbeuren. Daarom bidden wij: ‘verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg.’8

De manier om de betekenis te begrijpen van torah min hashamayim (‘de bijbel is uit de hemel’) is de betekenis te begrijpen van hashamayim min hatorah (‘de hemel is uit de bijbel’). Al wat wij op aarde van de ‘hemel’ proeven, is in de bijbel.

 

26.6    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 26

1. ‘Hij die zelfs maar een enkele mitswa met zuiver geloof op zich neemt, is waardig dat de heilige Geest op hem zou rusten.’ Mechilta op 14:31, ed. Lauterbach, i, p.252.

2       Degel Mahneh Ephraim, Yitro.

3. Yosippon, ed. D. Günzburg (Berditsjev 1913) p. 22.

4. Zohar, dl ii, 99a; zie deel iii, 58a.

5. Seder Eliahu Rabba, IX, ed. M. Friedmann (Wenen 1902) p. 48.

6. Hillel zei: ‘Laat Israël met rust. De heilige Geest rust op hen. Zij zijn wel geen profeten, maar ze zijn leerlingen van profeten.’ Tosefta Pesa­him, 4, 8.

7. Jesaja 59:21. ‘Want de profetie zal u nooit verlaten.’ Rabbi David Kimchi, Commentaar, ad locum.

8. Psalm 51:13. Zie Targum en Rashi ad locum. Deze bede is een deel van de liturgie van de berouwvolle dagen.
 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90