27 Het beginsel van de openbaring
27 Het beginsel van de openbaring
27.1 OPENBARING IS GEEN CHRONOLOGISCHE KWESTIE
De profetische inspiratie kan op twee niveaus worden behandeld: op het niveau van vertrouwen en op het niveau van geloof of overtuiging. Vertrouwen is de relatie tot de profetische gebeurtenis; geloof of overtuiging is de relatie tot het tijdperk van de bijbelse boeken.Het is een groot misverstand om het probleem van de openbaring te reduceren tot een kwestie van chronologie. Zo is vaak aangenomen dat de autoriteit en heiligheid van de Pentateuch (de vijf boeken van Mozes die samen het eerste deel van het Oude Testament vormen) steunen op het feit dat hij in zijn geheel in de tijd van Mozes te boek is gesteld en dat de aanname dat ook maar enkele passages na de dood van Mozes aan hem waren toegevoegd een ontkenning is van het grondbeginsel van de openbaring.
Steunt de heiligheid van de bijbel op de duur van het tijdsverloop tussen het moment van openbaring en het moment waarop de weergave aan het perkament werd toevertrouwd? Zou het aan de heiligheid van de Pentateuch afbreuk hebben gedaan als God had gewild dat bepaalde gedeelten die aan Mozes geopenbaard waren, door Jozua zouden worden opgeschreven? En aangenomen dat de ziel van Mozes naar deze wereld terugkeerde nadat zij het lichaam van Mozes verlaten had en - levende in een nieuwe incarnatie - geïnspireerd zou zijn om enkele regels aan de Pentateuch toe te voegen, zou dat de Pentateuch minder Mozaïsch maken?1 Is het gepast om de goddelijke waardigheid van de bijbel te behandelen alsof het om een chronologisch probleem ging, alsof zijn echtheid door een notaris zou kunnen worden vastgesteld?
Het inzicht in de betekenis van de openbaring is gegeven aan hen die openstaan voor het mysterie, niet aan hen die alles letterlijk opvatten. Van beslissende aard is niet het chronologische maar het theologische feit. Beslissend is wat zich tussen God en de profeet afspeelde, niet wat zich tussen de profeet en het perkament afspeelde. Het gezag van de Pentateuch aanvaarden we niet omdat hij Mozaïsch is, maar omdat Mozes een profeet was.
Het dogma van de openbaring van de Pentateuch bestaat uit twee delen: de goddelijke inspiratie en het schrijverschap van Mozes. Het eerste deel betreft een mysterie, het tweede een historisch feit. Op het eerste deel kan alleen gezinspeeld worden en kan alleen worden verwoord in termen van grootsheid en verwondering, het tweede kan geanalyseerd, onderzocht en uitgedrukt worden in termen van chronologische informatie.
De godsdienstfilosofie moet het eerste deel voor haar rekening nemen. Haar grootste zorg is niet zozeer of de Pentateuch in zijn totaliteit tijdens de veertigjarige omzwerving van Israël in de woestijn te boek is gesteld, maar meer om de betekenis en de geldigheid te leren begrijpen van de aanspraak dat de wil van God het begripsvermogen van de mens heeft bereikt en dat de Pentateuch de weerspiegeling is van het komen van God tot de mens. Het tweede deel is het probleem van de theologie die het dogma van de openbaring moet omschrijven en historische vragen moet beantwoorden.2
De kern van ons vertrouwen in de heiligheid van de bijbel is dat de woorden alles bevatten wat God wil dat wij zullen weten en doen. Hoe deze woorden neergeschreven werden is niet het grootste probleem. Daarom is het onderwerp van bijbelkritiek niet het motief van het vertrouwen. Net zo min als de vraag of de donder en bliksem bij Sinaï nou wel of niet een gewoon verschijnsel was, geen betekenis voor ons openbaringsgeloof heeft. De veronderstelling van sommige commentatoren dat de Tien Geboden op een regenachtige dag zijn gegeven, raakt onze voorstelling van de gebeurtenis niet.3
Het openbaringsgebeuren is een mysterie, maar het verslag van de openbaring is een literair feit, verwoord in de taal van de mens.
27.2 DE TEKST ZOALS DIE IS
Hebben de woorden van de Schrift dezelfde omvang en zijn ze identiek aan de woorden van God?In de ogen van hen die dagelijks hun onvermogen ervaren om de betekenis van een bijbelpassage geheel te doorgronden, is een dergelijke vraag een poging om het nauwelijks bekende te vergelijken met het totaal onbekende.
Aangenomen dat de tekst van de Schrift, zoals die aan ons is overgeleverd, bestaat uit juwelen van God en uit diamanten gedolven uit profetische zielen, alle gevat in een menselijke zetting, wie zal zich dan aanmatigen om het verschil aan te brengen tussen wat goddelijk is en wat ‘bijna goddelijk’ is? Wat is de geest van God en wat zijn de woorden van Amos? De geest van God is gevat in de taal van de mens, en wie zal oordelen wat inhoud is en wat vorm? Zij, die zich het meest denken te kunnen veroorloven, zijn ongetwijfeld het minst gekwalificeerd. Er zijn meer dingen tussen hemel en aarde die zich niet aan ons oordeel onderwerpen dan we willen toegeven.
Openbaring duurde een ogenblik; de tekst is blijvend naar tijd en plaats. Openbaring geschiedde aan de profeet; de tekst is aan ons allen geschonken. ‘De thora is niet in de hemel’. Wij worden geleid door het woord en het is het woord, de tekst, die onze gids is, ons licht in de duisternis van gemeenplaatsen en dwalingen. We moeten de openbaring niet verlagen tot iets feitelijks maar ook niet de bijbel vergeestelijken en zijn feitelijke integriteit vernietigen.
In de huidige vorm is de bijbel het enige voorwerp in de wereld dat geen aanbeveling of goedkeuring nodig heeft. In de huidige vorm is de bijbel de enige waarde in de wereld die God nooit zal laten varen. Dit is het boek waar Israël het hoofd voor boog. De gedachte dat we ermee zouden knoeien is om te huiveren.
27.3 OPENBARING IS GEEN MONOLOOG
Door de nadruk te leggen op het objectieve openbaringskarakter van de bijbel heeft de dogmatische theologie vaak het diepzinnige en beslissende aandeel van de mens uit het oog verloren.De profeet is geen passieve ontvanger, een opnameapparaat, van buitenaf aangewend, zonder deelneming van hart en wilskracht. Hij is ook niet iemand die zijn visioen krijgt door eigen krachtsinspanning. De profetische persoonlijkheid is meer een eenheid van inspiratie en ervaring, overrompeling en overgave. Voor elk object buiten hem is er een gevoel in zijn innerlijk, voor elke openbaring aan hem is er een reactie van hem. Voor elke glimp waarheid die hem gegund wordt, is er begrip dat hij moet opbrengen.
Zelfs op het ogenblik van de gebeurtenis is hij, zo wordt ons verteld, een actieve deelgenoot in de gebeurtenis. Zijn reactie op wat hem onthuld is, verandert openbaring in een tweespraak. In zekere zin bestaat profetie uit een openbaring van God en een medeopenbaring van de mens. Het aandeel van de profeet uitte zich niet alleen in wat hij kon geven, maar ook in wat hij niet kon ontvangen.
Openbaring komt niet voor wanneer God alleen is. De twee klassieke termen voor het ogenblik op de Sinaï zijn mattan torah en kabbalat torah, ‘het geven van de thora’ en ‘het aanvaarden van de thora’. Het was zowel een gebeurtenis in het leven van God als een gebeurtenis in het leven van de mens. Volgens de rabbijnse legende benaderde de heer elke stam en natie en bood hun de thora aan, voordat hij haar aan Israël gaf. Het wonder van Israëls aanvaarding was even beslissend als het wonder van Gods woord. God was alleen op de wereld totdat Israël met hem verbonden werd. Op de Sinaï openbaarde God zijn woord en Israël openbaarde de kracht om te antwoorden. Zonder die kracht om te antwoorden, zonder de bereidheid van een volk om het goddelijke gebod te aanvaarden, te horen, zou Sinaï onmogelijk zijn geweest. Want Sinaï bestond zowel uit een goddelijke verkondiging als uit een menselijke waarneming. Het was een ogenblik waarop God niet alleen was.
De bijbel bevat niet alleen verslagen van wat plaats vond in ogenblikken van profetische inspiratie. De bijbel vermeldt ook daden en woorden van de mens. Het is onjuist om te beweren dat alle woorden in de bijbel uit de geest van God voortkwamen. De godslasterlijke taal van de farao (‘Wie is die HEER, dat ik hem zou gehoorzamen?’), de opstandige uitlatingen van Korach (De Leviet Korach kwam tegen Mozes in opstand. Wee hun! Ze geven zich voor geld over aan bedrog, en net als Korach gaan ze aan hun opstandigheid ten onder.), de slimmigheid van Efron (Abraham ging hierop in en woog de hoeveelheid zilver af die Efron had genoemd: vierhonderd sjekel zilver naar de gangbare handelswaarde.) en de woorden van de soldaten in het kamp van Midian (‘Die horde vreet hier de hele streek nog kaal, als een rund dat een veld afgraast.’) kwamen voort uit de geest van de mens. Wat de profeet tegen God zegt als hij door hem wordt aangesproken, wordt niet als minder heilig beschouwd dan wat God zegt tegen de profeet wanneer hij hem aanspreekt.
Zo is de bijbel meer dan het woord van God: het is het woord van God en mens, een weergave van openbaring en de reactie daarop, het drama van het verbond tussen God en de mens. De heiligverklaring en het behoud van de bijbel zijn het werk van Israël.
27.4 DE STEM HARMONIËREND MET IEDERS GEHOOR
Niemand is in staat om de stem van God te horen zoals deze is . Maar God laat zijn donder wonderbaarlijk rollen (Job 37:5) op de Sinaï. ‘De stem werd uitgezonden - elk mens bereikend met een kracht die aan zijn persoonlijke ontvankelijkheid is aangepast - de ouderen overeenkomstig hun kracht en de jongeren in overeenstemming met de hunne... en zelfs Mozes in overeenstemming met zijn kracht, zoals er gezegd is: Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid (Exodus 19:19), dat wil zeggen, met een stem die hij kon verdragen. Zo wordt er ook gezegd: De stem van de HEER is vol kracht (Psalm 29:4), namelijk met de kracht van ieder persoonlijk. Daarom beginnen de Tien Geboden met Ik ben de HEER, uw God, in de tweede persoon enkelvoud en niet in de tweede persoon meervoud: God richtte zich tot elk individu in overeenstemming met zijn eigen bevattingsvermogen.’4Dit betekent geen subjectivisme. Het is precies de macht van de stem van God om tot de mens te spreken aangepast aan het ontvangende vermogen. Het is het wonder van de stem om zich in zeventig stemmen op te delen, in zeventig talen, zodat alle naties het kunnen begrijpen.
27.5 WIJSHEID, PROFETIE EN GOD
God openbaart zich niet; Hij openbaart slechts zijn weg. Het jodendom spreekt niet van Gods zelfopenbaring, maar van de openbaring van zijn leer voor de mensen. De bijbel weerspiegelt Gods openbaring van zijn verhouding tot de geschiedenis en niet een openbaring van zijn meest eigen zelf. Zelfs zijn wil of zijn wijsheid wordt niet volledig door de profeten vertolkt. Profetie gaat menselijke wijsheid te boven en Gods liefde gaat profetie te boven. Deze geestelijke hiërarchie wordt door de rabbijnen nadrukkelijk vermeld.‘Zij vroegen de Wijsheid: Wat zou de straf van een zondaar moeten zijn? En de Wijsheid zei: Zondaars treft ellende (Spreuken 13:21). Zij vroegen de profetie: Wat zou de straf van een zondaar moeten zijn? En de profetie zei: Iemand die zondigt zal sterven (Ezechiël 18:4, 20). Zij vroegen de Heilige, hij zij geprezen: Wat zou de straf van een zondaar moeten zijn? En Hij zei: Laat hij zich bekeren en hij zal verzoening vinden.’5
God is oneindig meer verheven dan de profeten konden begrijpen, en de hemelse wijsheid is diepzinniger dan wat de thora in haar huidige vorm bevat.
‘Er zijn vijf onvolledige verschijnselen (of onrijpe vruchten). De onvolledige ervaring van de dood is de slaap; een onvolledige vorm van profetie is de droom; de onvolledige vorm van de komende wereld is de sabbat; de onvolledige vorm van het hemelse licht is het bolvormige van de zon; de onvolmaakte vorm van de hemelse wijsheid is de thora.’6
27.6 DE NIET-GEOPENBAARDE THORA
Het woord thora wordt in twee betekenissen gebruikt: de hemelse thora, waarvan het bestaan aan de schepping van de wereld voorafging,7 en de geopenbaarde thora. Over de hemelse thora zeiden de rabbi’s: ‘De thora is verborgen voor de ogen van alle levenden... de mens kent haar waarde niet.’8 ‘Mozes ontving de thora’ - maar niet de hele thora - ‘op de Sinaï.’9 En niet alles wat aan Mozes geopenbaard was, werd aan Israël overgebracht; de betekenis van de geboden wordt als voorbeeld gegeven.10 Tegelijk met de dankbaarheid voor het woord dat onthuld werd, is er een reikhalzend verlangen naar de betekenis die nog onthuld moet worden. ‘De Heer schonk Israël de thora en sprak met hen van aangezicht tot aangezicht en de herinnering aan die liefde is heerlijker voor hen dan elke andere vreugde. Hun is beloofd dat hij nog eens tot hen zal terugkeren om hun de geheime betekenis van de thora en haar verborgen inhoud te openbaren. Israël smeekt hem om deze belofte na te komen. Dit is de betekenis van het vers: Laat hij mij kussen, laat zijn mond mij kussen! Jouw liefde is zoeter dan wijn.’11In de joodse literatuur is er een theorie die - als een gelijkenis een diepzinnige waarheid inhoudt, namelijk dat de thora, die naar de geest eeuwig is, in verschillende tijdperken verschillende gedaanten aanneemt. De thora was aan Adam bekend, toen hij in de Hof van Eden was, alleen niet in haar huidige vorm. Geboden zoals zorg en hulp voor de arme, de vreemdeling, de wees en de weduwe zouden in de Hof van Eden zinloos zijn geweest. In die tijd was de thora bekend in haar geestelijke gedaante.12 Zoals de mens een lichamelijke gedaante aannam toen hij uit de Hof van Eden verdreven was, zo heeft de thora een lichamelijke gedaante aangenomen. Als de mens ‘de gewaden des lichts’ behouden had, zijn geestelijke bestaansvorm, dan zou ook de thora haar geestelijke gedaante hebben behouden.13
27.6 DE THORA IS IN BALLINGSCHAP
God is niet alleen in de hemel maar ook op deze wereld. Maar om in deze wereld te kunnen wonen moet het goddelijke een gedaante aannemen die deze wereld zou kunnen verdragen, ‘omhulsels’ waarin het licht verborgen is. Ook de thora is, om de wereld van de geschiedenis binnen te komen, omhuld door ‘bedekking’, omdat zij niet zou kunnen bestaan of vervuld worden in haar volmaakte vorm in een wereld die met onvolkomenheden bevlekt is.14Zoals de Shechinah (Gods aanwezigheid) in ballingschap is, zo is ook de thora in ballingschap. Om zich aan de situatie van de mens aan te passen ‘hulde de thora zich voor onze eeuw in een vreemd gewaad en in hulzen zonder schoonheid of aantrekkelijkheid, zoals hoofdstuk 36 van het boek Genesis of Deuteronomium 2:23 en vele andere.* Tot dezelfde soort behoren vele agadische, verhalende passages in de rabbijnse literatuur, die onsmakelijk en aanstootgevend zijn en toch in verborgen vorm mysteries van de thora bevatten. Dit is allemaal nodig om het licht van de kennis te versluieren in het gewaad van de kelipah (stoffelijke wereld) en de bevuilde machten. God, de thora en Israël zullen in ballingschap blijven totdat de geest zal worden uitgestort uit den hoge om de gevangenen terug te brengen omwille van zijn thora en zijn naam, en het goede en het heilige zullen worden gereinigd van de boosheid en van de omhulling...’15
Vrijmoedig zei rabbi Simeon ben Lakish: ‘Er zijn vele verzen die eigenlijk verbrand zouden moeten worden zoals de boeken van de ketters, maar die in werkelijkheid wezenlijke bestanddelen van de thora zijn.’ Als voorbeelden worden aangehaald de Awwieten die in de buurt van Gaza in dorpen woonden (Deuteronomium 2:23). Chesbon was de hoofdstad van de Amoritische koning Sichon. Hij had oorlog gevoerd tegen de vorige koning van Moab (Numeri 21:26).16
In haar huidige vorm behandelt de thora kwesties over de materiële relaties tussen mensen. In de Messiaanse eeuwigheid zal een wijsheid die hoger is dan nu in haar wordt gevonden, onthuld worden in de thora. Nu hebben wij de thora, in de Messiaanse eeuw zullen wij de kroon van de thora hebben. Daarom is de voor ons in dit tijdperk toegankelijke wijsheid alleen nog maar het begin van haar bekendmaking.17
‘Daarom, wanneer een mens lang leeft, laat hij dan van elke dag genieten (Prediker 11:8) in de vreugde van de thora en bedenken dat de dagen van de duisternis, dit zijn de dagen der boosheid, ontelbaar zullen zijn. De thora die een mens leert in deze wereld, is ijdelheid vergeleken bij de thora (die zal worden geleerd in de dagen) van de Messias.’18
Jesaja’s voorspelling van de dagen die gaan komen - vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding (12:3) - wordt door Rashi als volgt verklaard: ‘Jullie zullen nieuw onderricht ontvangen want de Heer zal jullie begripsvermogen verruimen... De geheimen van de thora, die vergeten werden tijdens de Babylonische ballingschap door het leed waaronder Israël toen gebukt ging, zullen bekend worden gemaakt.’
De woorden van de Schrift zijn het enige, duurzame relaas van wat aan de profeten was overgebracht. Tegelijkertijd zijn ze niet hetzelfde als goddelijke wijsheid en ook geen eeuwige weergave hiervan. Als weerspiegeling van zijn oneindige licht is de tekst in zijn huidige vorm, figuurlijk gesproken, een van een eindeloos aantal mogelijke weerspiegelingen. In het einde der dagen, zo geloofde men, zouden ontelbare, onbekende herschikkingen van woorden en letters en onbekende geheimen van de thora bekend worden gemaakt. Toch bevat de tekst in zijn huidige vorm datgene wat God wenst dat wij weten.19
[*Religie is de beleving van het mysterie en het komt tot uiting als het gevoel zich openstelt voor de indrukken van het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke. (Rudolf Otto)]
27.7 DENKBEELD EN UITDRUKKING
Er zit een ander aspect aan de rol van de profeet. Volgens de rabbijnen ‘wordt hetzelfde denkbeeld geopenbaard aan veel profeten, maar geen twee profeten gebruiken dezelfde uitdrukking’. Dat de vierhonderd profeten van koning Achab dezelfde woorden gebruikten, werd beschouwd als een bewijs dat ze niet goddelijk geïnspireerd waren.20 Wanneer voor het gerecht twee getuigen van dezelfde gebeurtenis gelijkluidende verklaringen afleggen, worden ze verdacht samengespannen te hebben om een valse verklaring af te leggen.21 De profeten getuigen van een gebeurtenis. De gebeurtenis is goddelijk, maar deze wordt door de individuele profeet onder woorden gebracht. Volgens deze voorstelling wordt het denkbeeld geopenbaard; de verwoording wordt gesmeed door de profeet.22 De uitdrukking ‘het woord van God’ zou niet slaan op het woord als een geluid of een combinatie van geluiden. Inderdaad heeft men dikwijls beweerd dat wat het oor van de mens bereikte, niet hetzelfde was als wat voortgekomen was uit de geest van de eeuwige God. Want “Israël kon onmogelijk de thora gekregen hebben zoals die voortkwam uit de mond van de Heer, want het woord van de Heer is vuur en de Heer is ‘een vuur dat vuur verteert’. De mens zou zeker in vlammen opgaan als hij aan het woord zelf zou worden blootgesteld. Daarom werd het woord omhuld voordat het de wereld van de schepping binnenging. En zo spreekt de psalmist over openbaring: rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam uit zijn mond, hij spuwde hete as (Psalm 18:9). Het woord van God op zichzelf is als een brandende vlam en de thora die wij ontvangen hebben, is maar een deel van de kool waarmee de vlam verbonden is. Maar toch zou het, zelfs in deze vorm, zolang we stervelingen zijn onbegrijpelijk zijn gebleven. Het woord moest verder afdalen en de gedaante van de duisternis (arafel) aannemen om waarneembaar te worden voor de mens.”23Uit de ervaring van de profeten kwamen de woorden, woorden die proberen te vertolken wat zij waarnamen. Tot op de dag van vandaag brengen deze woorden tot leven wat in het verleden gebeurde. Zoals de betekenis en het wonder van de gebeurtenis het spirituele begrip van de profeet inspireerden, gaan de betekenis en het wonder van de bijbelse woorden door met het inspireren van het begrip van de mens.
De bijbel weerspiegelt zowel zijn goddelijke als zijn menselijke herkomst. Onder woorden gebracht in de taal van een bepaalde tijd, richt hij zich tot alle tijden; onthuld in bepaalde handelingen is zijn geest eeuwig. De wil van God werkt in tijd en eeuwigheid. God leende de taal van de mens en schiep een werk zoals geen mens ooit gemaakt had. Het is de taak van het geloof om dat werk vast te houden, om zijn mengeling van actualiteit en eeuwigheid in ere te houden en om voortdurend de polariteit van zijn inhoud te begrijpen.
27.8 ALLEDAAGSE PASSAGES
Hierboven hebben we gesproken over de nabijheid van God in de bijbel en die aangeduid als heiligheid in woorden. Maar er zijn enkele passages in de bijbel die de indruk wekken dat God daar niet bij is. Passages die te alledaags of te hard zijn om de geest van God te weerspiegelen.We zullen het probleem dat beide soorten passages opleveren, behandelen.
De vraag is gesteld: “Als het voor een koning van vlees en bloed beneden zijn waardigheid is om aan kletspraat mee te doen, laat staan om het op te schrijven, is het dan denkbaar dat de allerhoogste Koning, de Heilige, Hij zij geprezen, niet genoeg heilige onderwerpen had om daarmee de thora te vullen, zodat Hij zulke alledaagse onderwerpen moest verzamelen zoals de anekdotes van Ezau en Hagar, Labans spreken tegen Jakob, de woorden van Bileam en zijn ezel, van Balak en van Zimri en dergelijke en daarvan een thora moest maken? En zo ja, waarom wordt zij dan genoemd de ‘thora der waarheid’? Waarom lezen wij: De wet van de HEER is volmaakt... de richtlijn van de HEER is betrouwbaar... de voorschriften van de HEER zijn waarachtig... Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed (Psalm 19:8-11 )?”24
Het antwoord lijkt te zijn dat de bijbel meer dan één betekenisniveau heeft. Terwijl het meeste vatbaar is voor eenduidig begrip, blijft veel ervan ontoegankelijk als de tekst letterlijk wordt opvat.
‘David bad: Meester van het universum, het is jouw wil dat ik je woorden nakom, daarom neem de sluier van mijn ogen – dan zal ik zien hoe wonderlijk mooi uw wet is. (Ps. 119:18). Als jij mijn ogen niet wilt openen, hoe zou ik dan weten? Want hoewel mijn ogen open zijn, weet ik niets.’25
“Rabbi Simeon zei: Jammer voor de mens die de thora beschouwt als een boek van louter verhalen over alledaagse dingen! Als dat zo was, zouden wij, zelfs wij, een thora kunnen samenstellen over alledaagse dingen en zelfs van groter uitmuntendheid. Nee, zelfs de vorsten van de wereld bezitten boeken van grotere waarde, die wij als voorbeeld zouden kunnen gebruiken om een dergelijke thora samen te stellen. Maar dé thora omvat in al haar woorden hoge waarheden en diepe geheimen. Zie het volmaakte evenwicht tussen de hoge en de lage wereld. Israël beneden, de engelen in den hoge, van wie gezegd wordt: ‘u maakt van de winden uw boden, van vlammend vuur uw dienaren’ (Ps. 104:4). Want als de engelen neerdalen, versluieren zij zich met het omhulsel van deze wereld, anders konden ze niet in deze wereld bestaan en de wereld zou hen niet kunnen verdragen. Als dit nu al het geval is met de engelen, des te meer nog met de thora; de thora die hen schiep, die alle werelden schiep en hen bestaan gegeven heeft. Wanneer de thora zich niet op deze wijze omhuld zou hebben met het kleed van deze wereld, zou de wereld haar niet kunnen verdragen. De vertellingen van de thora zijn gesluierd en de mens die de sluier beschouwt als de thora zelf is beklagenswaardig en heeft geen deel in de toekomstige wereld. Daarom zei David: Neem de sluier van mijn ogen – dan zal ik zien hoe wonderlijk mooi uw wet is; te weten, wat onder de sluier schuilt. Bedenk dit: de kleren die een mens draagt, zijn het meest zichtbare deel en gedachteloze mensen zien alleen de omhulling. Maar in waarheid is de roem van de bedekking het lichaam van de mens en de roem van het lichaam is de ziel. Op dezelfde wijze heeft de thora een lichaam dat bestaat uit de voorschriften van de thora, genaamd gufe torah (hoofdbeginselen van de thora) en dat lichaam is gehuld in klederen vervaardigd van wereldse vertellingen. Gevoelloze mensen zien alleen het kleed, niets anders dan de vertellingen. De iets wijzere dringen door tot het lichaam, maar de werkelijke wijzen, de dienaren van de allerhoogste Koning, zij die op de berg Sinaï stonden, dringen rechtstreeks door tot de ziel, het oerbeginsel van alles, tot de werkelijke thora. In de toekomst zijn zij bestemd om zelfs tot de opperste ziel, de ziel der zielen, van de thora door te dringen. Bedenk dat op dezelfde wijze in de hemelse wereld gewaad, lichaam, ziel en opperziel aanwezig zijn. Zij zijn alle met elkaar verstrengeld. Wee de zondaars die de thora beschouwen als een verzameling louter wereldse verhalen, die alleen haar omhulsel zien. Gelukkig de rechtvaardigen die hun blik op de thora zelf vestigen. Wijn kan alleen bewaard worden in een kruik; zo heeft de thora een bedekking nodig. Dit zijn de geschiedenissen en vertellingen, maar het past ons om tot achter de sluiers door te dringen.”26
[Noot van de redactie: De godsdienstwetenschapper Erwin Goodenough combineerde twee belangrijke uitdrukkingswijzen, de oude religieuze notie van de sluier die de godheid bedekt en Freuds psychologische theorie van de verdringing, en bracht toen het volgende naar voren: ‘De mens hangt een gordijn op tussen zichzelf en het tremendum en op dat gordijn projecteert hij de verhalen over hoe de wereld ontstond, afbeeldingen van goddelijke of bovenmenselijke machten of wezens die het universum en de mens beheersen, en ook codes voor ethiek, gedrag en ritueel die hem voordeel brengen en geen rampen. Zo heeft de mens zich overal beschermd met behulp van de religie.’ Klinisch psycholoog Paul Pruyser concludeert dan het volgende: ‘Wat voor namen men ook gebruikt: gordijn, sluier, muur, de deken der verdringing, de drempel van het bewustzijn – de kern van Goodenoughs stelling is dat het tremendum door de waarnemer ervan op afstand wordt gehouden, omdat een rechtstreeks contact ermee te gevaarlijk is. Rudolf Otto had reeds opgemerkt dat in de religieuze beeldspraak veel aanwijzingen te vinden zijn dat mensen een soort veiligheidsschild nodig hebben wanneer ze tot het heilige naderen. Ze houden hun handen voor hun gezicht. De mens probeert dus het tremendum te bedekken: hij werpt er een dekmantel overheen om de krachtige en misschien explosieve inhoud te bedekken, en op die bedekking tekent hij beelden, getallen, hiëroglyfen, woorden en diverse symbolen om aan te geven wat er zich daaronder zou kunnen bevinden.
De hoes verbergt, de tekeningen openbaren, maar men kent wat eronder zit nooit volledig.’]27.9 HARDE PASSAGES
We komen een nog ernstiger probleem tegen in de passages die onverenigbaar lijken met onze zekerheid van het mededogen van God.Bij het analyseren van dit uitermate lastige probleem moeten we in de eerste plaats voor ogen houden dat de maatstaven aan de hand waarvan deze passages beoordeeld worden, ons zijn ingeprent door de bijbel, die de belangrijkste factor is bij het op een hoger plan brengen van ons bewustzijn en bij het schenken aan ons van de gevoeligheid die in opstand komt tegen alle wreedheid.
Wij moeten verder beseffen dat de harde passages in de bijbel alleen voorkomen bij het beschrijven van daden die verricht werden op bepaalde ogenblikken en dat ze in scherpe tegenstelling staan tot het mededogen, de gerechtigheid en de wijsheid van de wetten die voor alle tijden gegeven werden.
Zoals boven gezegd moeten we profetie niet gelijkstellen aan God. De profetie overtreft de menselijke wijsheid en Gods liefde overtreft de profetie. Niet elke uiting in de bijbel moet worden beschouwd als een maatstaf of een model voor gedrag. Ons wordt verteld dat Mozes ‘Ze zullen me vast niet geloven’, Elia ‘de Israëlieten hebben uw verbond met hen naast zich neergelegd’ en Jesaja ‘ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft’ - door God berispt werden voor het uiten van harde woorden over het volk,27 hoewel deze woorden een deel van de bijbel zijn (Ex. 4:1; 1 Kon. 19:14; Jes. 6:5).
Een opvallende eigenschap van de bijbelse geschriften is hun nietsontziende eerlijkheid. Geen van de profeten wordt afgeschilderd als feilloos, geen van de helden is onberispelijk. De Heerlijkheid is verhuld in een wolk en verlossing wordt verkregen in ruil voor ballingschap. In de benaderingswijze van de bijbel zit geen volmaaktheid, geen liefelijkheid of overgevoeligheid. Abraham heeft de moed om uit te roepen: ‘Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’ En Job durft de eerlijkheid van de Almachtige in twijfel te trekken. Hij beschuldigt zijn vrienden die God verontschuldigen, dat zij ‘alles met leugens toedekken’ en voert aan:
Spreken jullie onwaarheid namens God?Willen jullie God met leugens dienen?
Zien jullie hem naar de ogen?
Is het zijn zaak waarvoor jullie pleiten?
Loopt het goed af, als hij jullie onderzoekt?
Kun je hem bedriegen zoals je een mens bedriegt?
Streng zal hij je straffen,
als je heimelijk partijdig bent. Job 13:7-10
Overgave aan en aanvaarding van de ondoorgrondelijke wil van God zijn uitdrukkingen van normale vroomheid. In contrast, maar niet in tegenspraak hiermee, staat de profeet, die in plaats van ootmoedig en zonder vragen te stellen aan God het waagt Zijn oordeel te betwisten, Hem Zijn verbond indachtig te maken en om Zijn genade te smeken. In de geest van vroomheid zijn jood en christen bereid om zowel het kwade als het goede te aanvaarden en te bidden: Laat u wil gedaan worden,28 terwijl de profeet zal smeken: Wees niet langer toornig en zie ervan af onheil over uw volk te brengen! (Ex. 32:12).
Abraham vocht het voornemen van de Heer om Sodom te verwoesten aan. In de naam van Gods genade hebben ook wij het recht om de harde uitspraken van de profeten aan te vechten. Twee voorbeelden volgen:
“Zie, ik neem de hemel en de aarde tot getuigen dat de Heer niet tot Mozes zei, wat Mozes zei in de poort van de legerplaats: ‘Wie voor de HEER kiest, moet hier komen. Dit zegt de HEER, de God van Israël: Gord je zwaard om (Ex. 32:27). Maar Mozes, de vrome, liet zich hier meer door zijn eigen verstand leiden. Hij dacht, als ik het volk beveel: ‘Elke man dode zijn broeder, zijn metgezel, zijn naaste’, dan zal het volk zich verzetten: Leerde je ons niet zelf dat een gerecht dat in zeventig jaren zelfs maar één mens ter dood veroordeelt, als bloeddorstig moet worden beschouwd? Hoe kun je dan het doden van drieduizend mensen op één dag gelasten? Daarom schreef Mozes zijn bevel toe aan het gezag van de Heer en sprak: ‘Zo spreekt de Heer.’ Als de Schrift vermeldt dat de Levieten het bevel uitvoerden, zegt hij inderdaad: en de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes.”29
De onafhankelijkheid van het menselijk inzicht en zijn macht om de aanspraak van een profeet te betwisten kan ook verhelderd worden door de volgende legende:
“Toen Hizkia ziek werd, zei de Heilige, hij zij geprezen, tot Jesaja: ‘Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’ (Jesaja 38:1). Hizkia zei: Het is gebruikelijk dat een mens die een zieke bezoekt, zegt: ‘Moge de Hemel je genade bewijzen.’ Als de dokter komt zegt hij tot de zieke: ‘Eet dit en eet dat niet, drink dit en drink dat niet.’ Zelfs als hij ziet dat hij gaat sterven, zegt hij niet: ‘Maak je laatste wilsbeschikking op’, omdat hem dit van streek zou kunnen maken. Maar Jij zegt mij: ‘Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden!’ Ik schenk geen aandacht aan wat jij zegt en naar je raad zal ik ook niet luisteren. Ik houd me uitsluitend vast aan wat mijn voorvader zei: Dromerij en lege woorden zijn er al genoeg. Dus heb ontzag voor God (Prediker 5:6).”30
27.10 DE BIJBEL IS GEEN UTOPIE
Het oorspronkelijke licht is verborgen. Als de thora volmaaktheid geëist had, zou zij een utopie zijn gebleven. De wetten van de thora vragen elke generatie om te volbrengen wat binnen haar vermogen ligt. Sommige van haar wetten (bij voorbeeld Exodus 21:2 e.v.) formuleren geen idealen maar compromissen, realistische pogingen om de morele status van de antieke mens te verbeteren.Het hoogste streven van David, een grote en gezalfde koning, was om een tempel te bouwen voor de Heer zo groots en indrukwekkend dat hij over de hele wereld geroemd en bewonderd wordt. Terwijl hij bezig was met overvloedige voorbereidingen, ‘heeft de HEER zich tot hem gericht met de woorden: ‘Jij hebt ten overstaan van mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zul jij geen huis bouwen voor mijn naam’ (1 Kronieken 22:8; 28:3). Zo had de bijbel te maken met de verschrikkelijke oorlogswetten, hoewel hij zich de verschrikkingen van oorlog bewust was. Ook de thora is in ballingschap.31
Wij moeten steeds voor ogen houden dat de bijbel niet een boek is dat voor één tijdperk is gemaakt en dat zijn betekenis niet kan worden bepaald aan de hand van de bijzondere ethische en literaire maatstaven van één generatie. Passages die door het ene generatie als verouderd werden beschouwd, zijn voor de volgende een bron van troost geweest. Destijds beschouwden velen van ons de uitroep van Jeremia: ‘Stort uw woede uit over volken die u niet kennen, over naties die uw naam niet aanroepen, want zij verslinden Jacobs volk, laten er niets van over, en zijn weidegrond verwoesten zij’ (10:25) als primitief. Maar welke andere woorden konden gereciteerd worden toen moeders zagen hoe hun kinderen de vernietiging ingedreven werden in de kampen van de nazi’s? Zullen wij ons aanmatigen om in naam van de moraliteit een oordeel te vellen over hen die de wereld leerden wat gerechtigheid betekent?
Er is geen eenvoudige oplossing voor het probleem. Wij moeten nooit vergeten dat er een hogere waarheid is dan de waarheid die wij op het eerste gezicht kunnen bevatten.
Terwijl het volk Israël in de woestenij vertoefde, kreeg Mozes de opdracht van God om mannen naar Kanaän te sturen, om het beloofde land te verkennen. Mozes koos daarom twaalf vooraanstaande mannen en sprak tot hen: Ga en kijk hoe het land is, of de bevolking sterk is of zwak en of er veel of weinig mensen wonen. Nadat ze het land veertig dagen lang verkend hadden, keerden ze terug. Ze brachten verslag uit: ‘Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd’ vertelden ze aan Mozes. ‘Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot. We kunnen dat volk niet aanvallen, het is te sterk voor ons. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn’ (Numeri 13).
De spionnen werden veroordeeld en hun verslag werd getypeerd als lasterlijk. Maar waarom? Hun waarnemingen waren juist en hun verslag was eerlijk.
Zeggen wat voor de hand ligt, is nog niet de waarheid spreken. Wanneer het voor de hand liggende en het Woord elkaar uitsluiten, is de waarheid de weigering om tevreden te zijn met de feiten zoals ze lijken te zijn. Waarheid is de moed om de feiten te doorgronden om te zien hoe ze zich verhouden tot het Woord.32
Hier volgen de laatste woorden van Job.
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,
over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.
“Luister,” zei ik, “dan zal ik spreken,
ik zal u ondervragen, zeg mij wat u weet.”
Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij,
zoals ik hier zit in het stof en het vuil.’ Job 42:3-6
De woorden in Job 28:13, Geen sterveling kent de weg erheen, hebben betrekking op de thora. ‘Verward zijn de wegen van de thora.’ Als de mensen haar ware opdracht kenden, zouden ze weten hoe de doden op te wekken, hoe wonderen te doen, zo geloofden de rabbijnen.33
Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij (Psalm 119:19). ‘Was David een vreemdeling, een pas bekeerde? Nee, maar dit werd bedoeld: zoals een pas bekeerde niets van de thora begrijpt, zo begrijpt de mens, hoewel zijn ogen open zijn, in het geheel niets van de thora. Als David, de dichter van alle liederen en psalmen, zei: ik ben een pas bekeerde en weet niets, hoeveel te meer is dit op ons van toepassing... Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, (1 Kronieken 29:15).’34
In de ontmoeting met de bijbel kunnen we óf een fundamentalistische houding aannemen, die elk woord letterlijk opvat en geen verschil maakt tussen het eeuwige en het tijdelijke en geen ruimte laat voor een persoonlijk of historisch verstaan óf voor de stem van het geweten. Maar we kunnen ook een beredeneerde houding aannemen die, met de wetenschap als toetssteen van religie, de Schrift beschouwt als een dichterlijk werk of mythe, nuttig voor mensen behorende tot een minderwaardige beschaving en dus achterhaald voor iedere latere periode in de geschiedenis.
Godsdienstfilosofie van de moet op twee fronten strijden, aan de ene kant proberen de onjuiste denkbeelden van de fundamentalisten eruit te filteren en aan de andere kant de al te grote vrijmoedigheid van de rationalisten te temperen. De uiteindelijke opdracht is om ons te leiden naar een hoger niveau van kennis en ervaring, naar toewijding door begrijpen.
We moeten oppassen voor het obscurantisme van een ongeïnspireerde eerbiediging voor de bijbel. De profetische woorden zijn ons gegeven om te begrijpen, niet alleen om ze mechanisch te herhalen. De bijbel moet begrepen worden door de geest die daardoor groeit, daarmee worstelt en ermee bidt.
De profeten maken ons deelgenoot van een voor ons bedoeld bestaan. Wat hun geopenbaard werd, was niet voor hun eigen belang maar bedoeld om ons te inspireren. Het woord moet niet verstarren tot een gewoonte - het moet een gebeurtenis blijven.
Het veronachtzamen van de belangrijkheid van voortdurend begrijpen is een ontwijking van de levende uitdaging van de profeten, een vlucht voor de dringende noodzaak van verantwoordelijk ervaren door ieder mens, een ontkenning van de diepere betekenis van ‘de mondelinge thora’.
27.11 VOORTDUREND BEGRIJPEN
De bijbel is geen intellectuele sinecure en de aanvaarding kan niet zoiets zijn als het monteren van een gelukbrengend slot dat zowel de geest als het geweten afsluit tegen het binnendringen van nieuwe gedachten. Openbaring is geen plaatsvervangend denken. Haar doel is niet om begrip te vervangen, maar om het te vergroten. De profeten probeerden de horizon van het bewustzijn te verruimen en een gevoel bij te brengen van goddelijke deelneming in het omgaan met goed en kwaad en in de worsteling met de raadsels van het leven. Ze probeerden ons te leren hoe te denken in de categorieën van God: zijn heiligheid, rechtvaardigheid en mededogen. De toe-eigening van deze categorieën, verre van de vrijstelling van de plicht om nieuwe inzichten in onze eigen tijd te verwerven, is een uitdaging om naar manieren te zoeken om de bijbelse geboden om te zetten in programma’s, die onder onze eigen omstandigheden nodig zijn. De volle betekenis van de bijbelse woorden werd niet voor eens en altijd onthuld. Elk uur wordt een ander aspect ontsluierd. Het woord is eens gegeven, de inspanning om het te begrijpen moet voor altijd doorgaan. Het is niet genoeg om de geboden te aanvaarden of zelfs na te leven. Het bestuderen, onderzoeken, ontdekken van de thora is een vorm van eredienst, een allerhoogste plicht. Want de thora is een uitnodiging tot oplettendheid, een oproep tot voortdurend begrip.Opgevat als plaatsvervangend denken wordt de bijbel een struikelblok. Hij die zegt: ik heb alleen de thora, heeft zelfs de thora niet. De Karaïeten (naar Mikra: de heilige Schrift) beweerden in de achtste eeuw een zuiver bijbelse godsdienst aan te hangen, los van schriftgeleerde toevoegingen. In ’s hemelsnaam, het jodendom is geen zuiver bijbelse godsdienst. Mozes was niet de stichter van het jodendom. Lang voordat hij geboren was, koesterden de kinderen van Israël tradities die teruggingen tot de dagen van Abraham. De mondelinge thora is gedeeltelijk ouder dan de geschreven thora. Ons wordt verteld dat de sabbat aan Israël bekend was voordat de gebeurtenis bij de Sinaï plaatsvond.35 Niet alle leerstellingen van Mozes werd in de Pentateuch opgenomen. Talrijke beginselen en regels bleven ‘mondelinge leer’, doorgegeven van generatie op generatie. Zowel de geschreven als de ‘mondelinge leer’ waren betrokken bij het verbond dat op de Sinaï werd gesloten.
We benaderen de wetten van de bijbel door middel van de uitleg en de wijsheid van de rabbijnen. Zonder hun uitleg is de tekst van de wetten vaak onbegrijpelijk. Zo steunt het jodendom op een minimum aan openbaring en een maximum aan uitleg, op de wil van God en op de afspraak van Israël. Om dat te begrijpen zijn wij afhankelijk van Israëls ongeschreven traditie. De inspiratie van de profeten en de uitleg van de wijzen zijn even belangrijk. Daar is een partnerschap tussen God en Israël met aandacht voor zowel de wereld als de thora: Hij schiep de aarde en wij bewerken de grond. Hij schonk ons de tekst en wij verfijnen en voltooien deze. ‘De Heilige, Hij zij geprezen, gaf de thora aan Israël als tarwe om daar fijn meel van te malen of als vlas om daar een kleed van te weven.’36
De bijbel is een zaad, God is de zon, maar wij zijn de grond. Van elke generatie wordt verwacht dat zij een nieuwe verstandhouding en een nieuwe realisatie zal voortbrengen.
Het woord is het woord van God en aan de mens gaf hij het vermogen het te begrijpen. De bron van het gezag is niet het woord zoals dat in de tekst gegeven is, maar Israëls begripsvermogen van de tekst. Bij de Sinaï ontvingen wij zowel het woord als de geest om het woord te verstaan. De wijzen zijn de erfgenamen van de profeten, zij bepalen en vertolken de betekenis van het woord. Er is veel vrijheid en veel macht in de inzichten van de wijzen; zij hebben de macht om een voorschrift van de thora ter zijde te schuiven wanneer de omstandigheden daarom vragen. Hier op aarde kan hun opvatting een in de hemel bestaande opvatting herroepen.
Een deel van dat oorspronkelijke begrip en van de respons van Israël werd onder woorden gebracht, mondeling doorgegeven, opgeschreven, maar veel waar woorden slechts een afspiegeling van waren, bleef onuitgesproken, ongeschreven, een traditie overgedragen van ziel tot ziel, geërfd als het vermogen om lief te hebben en levend gehouden door een voortdurende gemeenschap met het woord door het te bestuderen, door het te behoeden, door het te leven en door bereid te zijn ervoor te sterven. In de handen van vele volken wordt het een boek; in het leven van Israël bleef het een stem, een thora in het hart (volk dat mijn wet in het hart draagt, Jesaja 51:7).
Want Israëls begrijpen van het woord werd niet op goedkope of romantische wijze verworven. Het werd verkregen ten koste van een duizendjarige worsteling, van volharding en bittere beproevingen van een weerspannig volk, van weergaloos martelaarschap en zelfverloochening van mannen, vrouwen en kinderen, van trouw, liefde en constante studie. Welke hedendaagse geleerde zou kunnen wedijveren met de intuïtie van zo’n volk? De thora is niet alleen onze moeder, zij is ‘ons leven en de lengte van onze dagen, wij zullen (haar woorden) dag en nacht overpeinzen’ (avondliturgie).
Zonder onze voortdurende inspanning om te begrijpen is de bijbel als papieren geld zonder dekking. Maar een dergelijk begrijpen vereist een strenge discipline en kan alleen bereikt worden in verbondenheid en toewijding, door het oorspronkelijke begrijpen zoals uitgedrukt door de profeten en de oude wijzen, vast te houden en te laten herleven.
Altijd bestaat het gevaar van het proberen de bijbel uit te leggen in termen van het heidendom. Zoals valse profetie bestaat, zo is er ook vals begrijpen. Het is mogelijk om in naam van de thora een moord te plegen, je kunt schofterig zijn en binnen de letter van de wet blijven, zei de invloedrijke geleerde Mozes Nachmanides († 1270). Er is inderdaad zoveel vroom misbruik geweest, dat de bijbel vaak gered moet worden uit de handen van zijn bewonderaars.
27.11 DE MONDELINGE THORA IS NOOIT OPGESCHREVEN
Gedurende eeuwen is het verbod om ‘de mondelinge leer’ op te schrijven beschouwd als een grondbeginsel. ‘Zij die de halacha, de voorschriften die het joodse leven omspant, opschrijven, zijn als zij die de thora verbranden.’37 Hij ‘die de agada, de verhalende en geloofsverdiepende literatuur, opschrijft, verliest zijn aandeel in de komende wereld’.38 Toen besloten de rabbijnen de mondelinge leer aan de geschreven vorm te onderwerpen. Ter rechtvaardiging van deze stoutmoedige hervorming legden zij Psalm 119:126 (Het is tijd om in te grijpen, HEER, overal wordt uw wet geschonden.) als volgt uit: ‘Er komt een tijd waarin je de thora mag afschaffen om het werk van de Heer te doen.’ Daarom is het, zo hielden de rabbijnen vol, beter dat één deel van de thora zal worden afgeschaft dan dat de hele thora vergeten wordt.39 De opstapeling van de enorme hoeveelheid geleerdheid, de verstrooiing van de joodse gemeenschappen en de verzwakking van de herinnering druisten in tegen het mondelinge systeem.
Rabbi Mendel van Kotsk vroeg: Hoe konden de antieke rabbijnen een punt zetten achter de grondgedachte van het jodendom om niet op te schrijven wat als een mondelinge overlevering moest worden behouden, op basis van één enkel vers in het boek der Psalmen? De waarheid is dat de mondelinge thora nooit is opgeschreven. De betekenis van de thora is nooit door boeken ingesloten.
De schrijver is van plan elders een uitvoerige studie uit te geven over de betekenis van het beginsel van de openbaring in de joodse traditie.
1. Vergelijk de verklaring van rabbi Mozes Cordovero († 1570), geciteerd door rabbi Abraham Azulai, Or Hachama (Przemysl 1897) dl II, p. 145d-146a.
2 Maimonides bespreekt de tweede aanspraak in zijn Commentaar op de Misjna, terwijl hij de eerste in The Guide of the Perplexed bespreekt.
3 ‘Onder ons volk is een traditie in omloop dat de dag van de openbaring op de berg Sinaï mistig, bewolkt en enigszins regenachtig was.’ Maimonides, The Guide of the Perplexed, boek iii, hfdst. 9. Vergelijk rabbi lsaac Caro (een Spaanse talmoedist en bijbelcommentator die veel schreef in de tweede helft van de vijftiende en de eerste helft van de zestiende eeuw. Hij was een oom van rabbi Joseph Caro), Toldot Yizhak (Amsterdam 1708) p. 65a.
4 Exodus Rabba, 5, 9.
5 Jerushalmi Makkot, ii, 31d.
6 Genesis Rabba, 17, 5.
7 Zij wordt gelijkgesteld met de Wijsheid, die van zichzelf zegt: De HEER heeft mij vóór al het andere verworven, toen hij zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij (Spreuken 8:22). Zie Jezus Sirach 1:4: De wijsheid is vóór alles geschapen, inzicht en begrip bestonden al voor de tijd begon. Wijsheid van Salomo 9:9: Bij u is de wijsheid, die uw werken kent en die erbij was toen u de wereld schiep. Vergelijk Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, dl V, pp. 4 en 132 e.v.
8 Shevuot, 5a.
9 Rabbi Yehuda Loew ben Bezalel (Maharal), Derech Hayim (Warschau 1833) p. 8d.
10 Vergelijk Pesikta de Rabbi Kahana, 4, ed. Buber, p. 39a en Sanhedrin, 21b.
11 Rashi († 1105), Commentaar op het Hooglied 1:2. Zie Tanhuma, Balak, 14; Numeri Rabba, 20, 20.
12 Rabbi Moshe Cordovero, Pardes Rimonim, XXI, 6 (Korets 1786) p. 165a.
13. Rabbi lsaiah Horowitz, Shne Luhot Haberit, p. 59a.
14. Rabbi Abraham Azulai, Hesed Leavraham, mayan 2, nahar 12. Met het oog op de wet van Deut. 21:10-14 (Als u ten strijde trekt tegen de vijand, en de HEER, uw God, levert hem aan u uit, en u ziet onder de mensen die u krijgsgevangen maakt een mooi meisje dat bij u in de smaak valt en dat u tot uw vrouw wilt maken, en u neemt haar mee naar huis, dan moet zij haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen en de kleren die ze als krijgsgevangene droeg afleggen. Gedurende een maand mag ze in uw huis om haar vader en haar moeder treuren. Daarna mag u met haar slapen en kan ze uw vrouw worden. Als u haar op een gegeven moment niet meer wilt, moet u haar laten gaan waarheen ze wil. U mag haar niet verkopen en haar evenmin als een slavin behandelen, want u hebt haar al haar eer ontnomen.) merkt de talmoed op: ‘De thora hield rekening met het feit van de hartstocht.’ Kiddushin 21b.
Volgens Maimonides werden de offers in de wet opgenomen omdat het volk van die tijd geen afstand had kunnen doen van het offeren als vorm van de eredienst waarmee het zoals alle andere volken van die tijd vertrouwd was. The Guide of the Perplexed, boek iii, 32, 46. Deze motivatie wordt misschien aangegeven in Leviticus 17:7 (Men mag geen offerdieren meer slachten voor bokken die als goden vereerd worden. Deze bepaling blijft voor de Israëlieten en hun nakomelingen voor altijd van kracht.) en in Leviticus Rabba, 22, 5 wordt ze uitdrukkelijk vermeld; zie Zohar, dl iii, 224a. De offercultus wordt niet vermeld in de Tien Geboden. Hij werd pas ingevoerd nadat de kinderen van Israël het gouden kalf hadden aangebeden. Zie Abravanel, Commentaar op Jeremia 7:22 en Seforno, Commentaar, inleiding op Leviticus. Zie Zev Yaavets, Toldot Israel, dl i (Berlijn 1925) pp. 154-160.
15 Leshem Shevo Veahlama (Pietrkov 1911) dl ii, p. 305b.
16 Hullin, 60b.
17 Toameha Hayim Zahu (Jeruzalem 1924) dl iii, p. 40.
18 Prediker Rabba, ter plaatse.
19 Zie Temunah (Korets 1784) pp. 27a, 30a-31a; rabbi Moshe ben Joseph di Trani (1505-1585), Bet Elohim (Venetië 1576) p. 58b; rabbi Abraham Azulai, Hesed Leavraham, mayan 2, nahar 11; rabbi Gedaliah van Luninec, Teshuoh Hen, in de naam van de Baäl Shem.
20 Sanhedrin, 89a. Het woord signon wordt in twee betekenissen gebruikt, die beide denkbeeld en uitdrukking aanduiden. Zie Husiks opmerking in zijn uitgave van Albo’s Ikkarim, iii, p. 84.
21 Rabbi Samuel Edels, Commentaar op Sanhedrin, 89b.
22 De Tien Geboden zijn in de Pentateuch in twee lezingen gegeven die enkele verschillen vertonen. (Exodus 20:2-17:
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en heilig verklaard. Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. Pleeg geen moord. Pleeg geen overspel. Steel niet. Leg over een ander geen vals getuigenis af. Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’
Deuteronomium 5:6-21:
‘Ik ben de HEER, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd. Vereer naast mij geen andere goden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. Misbruik de naam van de HEER, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan. Neem de sabbat in acht, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden; het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw runderen, uw ezels en al uw andere dieren, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen; want uw slaaf en slavin moeten evengoed rusten als u. Bedenk dat u zelf slaaf was in Egypte totdat de HEER, uw God, u met sterke hand en opgeheven arm bevrijdde. Daarom heeft hij u opgedragen de sabbat te houden. Toon eerbied voor uw vader en uw moeder, zoals de HEER, uw God, u heeft geboden. Dan wordt u gezegend met een lang leven en met voorspoed in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. Pleeg geen moord. Pleeg geen overspel. Steel niet. Leg over een ander geen vals getuigenis af. Zet uw zinnen niet op de vrouw van een ander, en laat evenmin uw oog vallen op zijn huis, of op zijn akker, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.’)
De rabbijnen losten de moeilijkheid op door aan te nemen dat beide lezingen dezelfde goddelijke oorsprong hadden en op wonderbaarlijke wijze tegelijkertijd uitgesproken werden (Mechilta op 20:8). Ibn Ezra is echter van mening dat deze en veel van dit soort varianten in de bijbel zijn toe te schrijven door het feit dat voor Mozes de betekenis van de openbaring wezenlijker was dan de woorden. ‘Weet dat de woorden zijn als lichamen en de betekenissen als zielen, en het lichaam is een vat voor de ziel. Dit is de reden waarom geleerden... voorzichtig zijn met betekenissen maar gemakkelijk woorden veranderen of verschillende woorden gebruiken als de betekenis dezelfde blijft.’ Inleiding op de Tien Geboden in zijn Commentaar op Exodus 20; zie zijn Commentaar op Deuteronomium 5:5. Vergelijk Ibn Adret, Responsa, 1, 12; Nachmanides, Commentaar op Numeri 2:4 en op Genesis 1:4; Ibn Zimra, Responsa, iii, 149; Shem Tov, Commentaar op The Guide of the Perplexed, ii, 29; rabbi Shneur Zalman van Ladi, Tanya, hfdst. 21.
23 Rabbi Yaakov Yosef van Ostrog, Rav Yevi op Psalm 18. Het denkbeeld wordt besproken door rabbi Moshe Alshech, Commentaar op Leviticus 9:2. Volgens de rabbijnen aanschouwen alle profeten, met uitzondering van Mozes, een visioen van God door een schemerige spiegel. Mozes echter aanschouwde een visioen door een heldere spiegel. Het verschil was volgens Rashi dat de profeten ten onrechte geloofden dat ze God gezien hadden terwijl Mozes, die door een heldere spiegel keek, wist dat hij hem niet zag! Yebamot, 45b. Zie Joseph Albo, Ikkarim, dl 3, 9.
24 Zohar, dl iii, p. 52a.
25 Midrash Tehillim, 119, 9, ed. Buber, p. 493.
26 Zohar, dl iii, p. 152a.
27 Shabbat, 97a; Hooglied Rabba, 1,39. Vergelijk Shabbat, 89b; Yebamot, 49b; Baba Kamma, 38a; Sanhedrin, 111b; Midrash Tehillim, 7,1.3.
28 Tosefta Berachot, 3, 7.
29 Seder Eliahu Rabba, hfdst. 4, ed. M. Friedmann (Wenen 1902) p. 17.30 Prediker Rabba, 5, 4.
31 Leshem Shevo Veahlemah, dl ii, p. 305b. Zie boven, noot 15.
32 Rabbi Mendel van Kotsk.
33 Midrash Tehillim, 3, 1.
34 Midrash Tehillim op 119:19.
35 Zie I. Reicher, Torat Harishonim (Warschau 1926); S. Gandz, The Dawn of Literature, Osiris, dl VII, 1939, p. 438 e.v.
36 Seder Eliahu Zuta, hfdst. 2, ed. Friedmann, p. 172.
37 Temurah, 14b.
38 Jerushalmi Shabbat, XVI, 1.
39 Temurah, 14b; Gittin, 60a.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90