Deel 3 Antwoord

28 Een vaardigheid van daden
 

28.1    DE HOOGSTE BERUSTING

Kennis van God is kennis van het leven met God. Israëls gods­dienstig bestaan wordt gevormd door drie innerlijke houdingen: de verbintenis met de levende God, tegenover wie wij verantwoordelijk zijn, de verbintenis met de thora waarin zijn stem gehoord kan worden en de verbintenis met zijn zorg zoals die in de mitswot (geboden) tot uitdrukking komt.

Verbondenheid met God voltrekt zich in het zielenleven. Ver­bondenheid met de thora is het resultaat van studie en omgang met haar woorden. Verbondenheid met zijn zorg komt tot stand door gehechtheid aan de noodzaak van in aanbidding verzonken te zijn. De betekenis hiervan wordt onthuld door daadwerkelijke eerbied.

Als God een theorie zou zijn, dan zou theolo­giestudie de manier zijn om hem te begrijpen. Maar God leeft en heeft behoefte aan liefde en eerbied. Daarom is denken over God verbonden aan onze eerbied. Zoals bij artistiek begrijpen, zingen we hem toe voordat we hem kunnen be­grijpen. Wij moeten liefhebben om te kennen. Behalve als we leren hoe te zingen en weten hoe te liefhebben, zullen we nooit leren hoe hem te begrijpen.

De joodse traditie legt de woorden die Israël bij de Sinaï sprak, ‘Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we doen en ter harte nemen.’ (Exodus 24:7), uit als een belofte om zijn geboden te volbrengen zelfs voordat zij gehoord werden, als de voorrang van ge­loof boven kennis. “Toen Israël bij de Sinaï zei: wij zullen alles wat de HEER gezegd heeft doen en ter harte nemen (dus niet in de volgorde: wij zullen horen en dan doen, maar omgekeerd, eerst doen), weerklonk een hemelse stem die uitriep: ‘Wie heeft aan mijn kinderen dit mysterie onthuld, dat de hulpverlenende engelen opvoeren door zijn woord te vervullen voordat zij de stem horen’.”1

Een ketter, meldt de talmoed, hekelde de joden voor de haastigheid waarin zij volgens hem volhardden. ‘Eerst hadden jul­lie moeten luisteren, pas wanneer het onderhouden van de geboden binnen jullie bereik ligt, zouden jullie die hebben moeten aanvaarden en wanneer het onderhouden daarvan buiten jullie be­reik ligt, de geboden verwerpen.’ Inderdaad, Israëls hoogste overgave bij de Sinaï was een omkering, een op zijn kop zetten van de volgorde van zienswijzen zoals ons abstracte denken die zich voorstelt. Beweren we niet altijd dat we een systeem moeten on­derzoeken, voordat we besluiten deze te aanvaarden? Deze volg­orde van onderzoek geldt voor pure theorie, voor beginselen en regels, maar kan alleen in beperkt toegepast worden op terreinen waar gedachte en feit, het abstracte en het concrete, theorie en ervaring onafscheidelijk zijn. Het zou bij voorbeeld een slag in de lucht zijn om de betekenis van muziek te onderzoe­ken en niet te luisteren naar muziek. Even­zo zou het een slag in de lucht zijn om het joodse denken te afstandelijk en zonder betrokkenheid te on­derzoeken. Het joodse denken wordt onthuld in het joodse leven. Dit is daarom de manier van religieus bestaan. We onderzoeken niet eerst en beslissen later of wij de joodse levenswijze aanvaarden. We moe­ten aanvaarden om te kunnen onderzoeken. Aan het begin is er de toewijding, de hoogste overgave.

 

28-2    EEN DADENSPRONG

In onze reactie op zijn wil nemen we zijn aanwezigheid in onze daden waar. Zijn wil wordt onthuld in ons handelen. Door een geheiligde daad te verrichten ontsluiten wij de bronnen van het geloof. Maar laat mij, recht gedaan, uw gelaat aanschouwen (Psalm17:15).

Er voert een weg van vroomheid naar geloof. Vroomheid en geloof doen zich niet noodzakelijkerwijze gelijktijdig voor. Rituelen kunnen zonder vertrouwend geloof worden uitgevoerd. Geloof is visie, gevoe­ligheid en verbondenheid met God. Vroomheid is een poging een dergelijke gevoeligheid en verbondenheid te verkrijgen. De poorten van het geloof staan niet op een kier, maar de mitswot (religieuze en ethische geboden) geven toegang. Door als joden te leven bereiken we wellicht ons ge­loof als joden. Wij geloven niet door daden. We zouden ge­loof kunnen bereiken door geheiligde daden.

Van een jood wordt gevraagd om een dadensprong te maken en niet zozeer een gedachtesprong. Er wordt gevraagd de behoeften te overstijgen, meer te doen dan begrijpelijk is om meer te begrijpen dan je doet. Door het woord van de thora te volbrengen kom je in de nabijheid van de spirituele betekenis. Door de opgetogenheid van daden leer je zeker te zijn van Gods aanwezigheid in het hier en nu. De juiste manier van leven kan leiden tot de juiste manier van denken.

Het gevoel voor het onuitsprekelijke, het deelnemen aan de thora en Israël, de dadensprong, het brengt je allemaal naar hetzelfde doel. Ongevoeligheid voor het mysterie van het bestaan, onver­schilligheid voor de thora en Israël, wreedheid en werelds leven vervreemden de jood van God. Reageren op het wonder, deelne­men aan de thora en Israël en discipline in het dagelijkse leven brengen je dicht bij hem.

Welke verplichtingen moeten aanvaard zijn voor we een dergelijke betekenis ervaren? Welke overtuigingen moeten standhouden om zulke inzichten mogelijk te maken? Onze le­venswijze moet verenigbaar zijn met ons wezen als geschapen naar de gelijkenis van God. Wij moeten oppassen dat onze gelijkenis niet wordt vervormd of zelfs verspeeld. Onze levenswijze moet niet alleen trouw blijven aan ons gevoel voor kracht en schoonheid, maar ook aan ons gevoel voor de grandeur en het bestaansmysterie. De echte betekenis van het bestaan wordt onthuld op levensmomenten in de aanwezigheid van God. Het probleem is: hoe kunnen wij op een wijze le­ven die overeenstemt met zulke overtuigingen?

 

DE DAAD IS DE KANS

Hoe hoort een mens, een wezen geschapen naar de gelijkenis van God, te leven? Welke levenswijze is verenigbaar met de grootsheid en het mysterie van het leven? Het is een probleem dat de mens altijd graag naast zich neer heeft gelegd. Op het pla­veisel van de Romeinse stad Timgat heeft men de volgende in­scriptie gevonden: ‘jagen, baden, dobbelen, lachen dat is leven.’ Het jodendom is een herinnering aan de grandeur en de ernst van het leven.

In welke dimensie van het bestaan wordt de mens zich bewust van de grootsheid en de ernst van het leven? Bij welke gebeurtenissen ontdekt hij zijn eigen aard? De noodzaak om de diagnose te stellen van de conditie van de ziel en om die te genezen? In de eenzaamheid van zelfreflectie kan het zelf een fontein van mooie gedachten en idealen lijken. Maar denken kan een bezweringsformule zijn en idealen kunnen worden gedragen als een geleen­de kroon.

In daden gaat de mens beseffen wat zijn leven werkelijk is, dat hij kwaad kan doen en pijn, dat hij kan verwoesten en ten onder kan gaan. Dat hij in staat is om vreugde te proeven en die weg kan schenken. De mens kan zijn eigen spanningen en die van anderen te verlichten of te verzwaren. Door het gebruik van de wil en niet door overdenking ontmoet de mens zichzelf zoals hij is en niet zoals hij graag zou willen dat het was. In zijn daden toont de mens zo­wel zijn bewuste als verdrongen verlangens, waarbij hij zelfs datgene betekenis geeft wat hij niet kan begrijpen. Wat de mens misschien niet durft te denken, uit hij vaak in daden. Het hart maakt zich bekend in da­den.

De daad is de test, de proef en de kans. Wat we doen kan onbeduidend lijken, maar de gevolgen zijn immens. Een individuele wandaad kan het begin van een nationale ramp zijn. De zon gaat onder, maar de daden gaan door. Alles wat we gedaan hebben, ligt in het duister. Als de mens in staat zou zijn om met één blik alles te overzien wat hij in de loop van zijn leven gedaan heeft, wat zou hij dan voelen? De reikwijdte van zijn ei­gen macht zou hem doodsbang maken. Om alles wat wij ge­daan hebben met ons geweten of onze geest te verbinden zou ge­lijken op de poging om een stortvloed aan een rietstengel te bin­den. Zelfs één enkele daad veroorzaakt een eindeloos aantal ge­volgen en zet meer in gang dan de machtigste mens kan beheer­sen of voorspellen. Eén enkele daad kan de levens van ontelbare mensen ketenen aan haar onvoorspelbare gevolgen. Wij hebben niet meer dan een voorbijgaande bedoeling, maar wat er gaat ge­beuren, overleeft en overtreft onze kracht. Wanneer de mens de wereld nuchter beziet, wordt hij vaak overmand door een angst om te handelen, een angst die, zonder kennis van Gods we­gen, tot wanhoop drijft.

 

ONZE ULTIEME BELEMMERING

De ernst van het handelen gaat de gevoeligheid van ons geweten te boven. Oneindig zijn de gevolgen van onze daden, maar begrenst is onze wijsheid. Wanneer de mens alleen is, lijkt zijn verant­woordelijkheid te verdwijnen als een druppel in de oceaan van de noodzakelijkheid. Het is bovenmenselijk om verantwoordelijk te zijn voor alles wat wij doen en voor alles wat wij nalaten, om in te staan voor alle gevolgen van onze handelingen. Hoe kunnen we onbeperkte verantwoordelijkheid verzoenen met beperkte wijs­heid? Hoe is verantwoordelijkheid mogelijk?

Onbeperkte verantwoordelijkheid zonder onbeperkte wijsheid en onbegrensde macht is onze uiteindelijke belemmering.

Niet dingen maar daden zijn de bron van onze droevige verbijstering. Geconfronteerd met een wereld van dingen ontketent de mens een vloed van daden. Het fabelachtige feit van het ver­mogen van de mens om te handelen, het wonder van het doen, is niet minder verbazingwekkend dan het wonder van het bestaan. De zijnsleer onderzoekt wat bestaan is. Wat betekent het om te be­staan? De religieuze geest overdenkt wat doen is. Wat bete­kent het om te doen? Wat is de relatie tussen de dader en de daad? Tussen doen en bestaan? Is er een bedoeling te volbrengen, een taak te vervullen?

‘Een mens moet zich altijd beschouwen als half schuldig en half verdienstelijk. Als hij één goede daad verricht is hij gezegend want hij beweegt de weegschaal in de richting van de verdienste. Als hij één overtreding pleegt, wee hem, want hij beweegt de weegschaal in de richting van de schuld.’ Niet alleen de enke­ling, maar de hele wereld is in evenwicht. Eén daad van een enkeling kan het lot van de wereld beslissen. ‘Als hij één goe­de daad verricht, is hij gezegend want hij beweegt de weegschaal zowel voor zichzelf als voor de hele wereld naar de kant van de verdienste. Als hij één overtreding pleegt, wee hem, want hij beweegt zichzelf en de hele wereld naar de kant van de schuld.’2

EEN META-ETHISCHE BENADERING

Wat moeten wij doen? Hoe horen wij onze levens te leiden? Dit zijn grondvragen van de ethiek. Het zijn ook religieuze vragen. De godsdienstfilosofie moet onderzoeken waaróm we deze vragen stellen: Zijn ze zinvol? Op welke gronden stellen wij ze? Vanuit de ethiek gezien zijn het vragen van de mens, waartoe hij door de aard van het menselijke bestaan gedwongen wordt. Vanuit de religieuze optiek zijn het Gods vragen en ons ant­woord op die vragen gaat niet alleen de mens aan, maar ook God.

‘Wat behoor ik te doen?’ is volgens Kant de kernvraag van de ethiek. Onze benadering is echter radicaler, meta-ethisch. De ethische vraag gaat over bepaalde daden. De meta-ethische vraag gaat over alle daden. Zij behandelt het doen als zodanig; niet alleen wat wij zouden moeten te doen, maar waaraan ontlenen wij het recht om überhaupt te handelen? Wij zijn begiftigd met het vermogen om de natuurkrachten te overwinnen en te beheersen. Door macht uit te oefenen onderwerpen wij een wereld aan onze wil die we niet zelf hebben gemaakt, vallen we gebieden binnen die ons niet toe­behoren. Zijn wij de koningen van het heelal of gewone rovers? Door wiens genade, volgens welk recht, exploiteren, verbrui­ken en genieten wij de vruchten van de bomen, de zegeningen van de aarde? Wie is verantwoordelijk voor de macht om te ex­ploiteren, voor het voorrecht om te verbruiken?

Dit is geen academisch vraagstuk, maar een kwestie waar we elk moment mee geconfronteerd worden. Door de wil alleen wordt de mens de meest verwoestende van alle wezens. Dit is ons lot: onze macht kan onze ondergang worden. Wij staan op het scherp van de sne­de. Het is zo gemakkelijk om te kwetsen, te vernietigen, te bele­digen, te doden. Het baren van een kind is een mysterie. Het do­den van miljoenen is slechts een vaardigheid. Het ligt niet hele­maal in de macht van de menselijke wil om leven te verwekken. Het ligt volledig in de menselijke macht van de wil om leven te vernietigen.

Midden in deze psychische angst worden we geconfronteerd met de claim van de bij­bel. De wereld is niet alleen maar gevaar en de mens is niet alleen. God begiftigde de mens met vrijheid en hij wil delen in ons gebruik van de vrijheid. De aarde is des Heren en God zoekt de mens. Hij begiftigde de mens met macht om de aarde te veroveren, en zijn eer troont boven ons geloof. Wij misbruikten zijn kracht, we pleegden verraad tegenover zijn vertrouwen. Wij kunnen niet verwach­ten dat hij zegt: Hoewel je mij verraadt, zal ik je toch vertrou­wen.

De mens is verantwoordelijk voor zijn daden en God is verant­woordelijk voor de verantwoordelijkheid van de mens. Hij die leven geeft, moet een wetgever zijn. Hij deelt in onze ver­antwoordelijkheid. Hij wacht erop deel te kunnen nemen aan onze daden door onze trouw aan zijn wet. Hij kan partner in onze daden worden.

God en de mens hebben zowel een gemeenschappelijke taak als een gemeenschappelijke en wederzijdse verantwoordelijk­heid. De ultieme belemmering is geen probleem van de eenling, maar een innig verbonden probleem voor God en de mens samen. Wat op het spel staat, is de betekenis van Gods schepping, niet alleen de betekenis van het menselijke bestaan. Religie is niet alleen voor de mens van belang, maar een verzoek van God en een aanspraak van de mens, Gods verwachting en het menselijke streven. Het is geen inspanning om­wille van de mens alleen. Religie beschrijft nauwkeurig een opdracht in de mensenwereld, maar de beoogde resultaten reiken veel verder. Daarom heeft de bijbel een wet afgekondigd niet alleen voor de mens, maar voor God en de mens beiden.

U bent het die mijn lamp doet schijnen (Psalm 18:29). ‘De Heilige zei tot de mens: jouw lamp is in mijn hand, mijn lamp in de jouwe. Jouw lamp is in de mijne - zoals er gezegd is: Het licht van de HEER beschijnt de geest van de mens (Spreuken 20:27). Mijn lamp is in jouw hand om het eeuwige licht te ontsteken. De Heilige sprak: Als jij mijn lamp aansteekt, zal ik de jouwe aansteken.’3

 

HET PARTNERSCHAP VAN GOD EN MENS

Zoals een mens niet alleen is in wat hij is, zo is hij niet alleen in wat hij doet. Een mitswa is een daad die God en mens ge­meenschappelijk hebben. We zeggen: ‘Gezegend ben jij, heer onze God, koning van het universum, die ons geheiligd hebt door zijn mitswot.’ Ze verplichten zowel God als ons. Hun vervulling wordt niet gewaardeerd als een handeling die ondanks de ‘kwade neiging’ werd verricht, maar als een gemeenschappelijke handeling van met hem. De geest van de mitswa is saamhorigheid. We weten dat hij deelgenoot is in onze daad.

De oudste vorm van vroomheid wordt in de bijbel genoemd: wandelen met God. Henoch, Noach leefden in nauwe verbondenheid met God (Genesis 5:24; 6:9). Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wilt: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God (Mi­cha 6:8). Alleen de egoïst is opgesloten in zichzelf, een geestelijke kluizenaar. Bij het verrichten van een goede daad is het onmoge­lijk om alleen te zijn of je alleen te voelen. Door het vervullen van een mitswa wordt je een volgeling, treed je de broe­derschap met zijn wil binnen.

 

WEGEN, GEEN WETTEN

De morele vereiste is niet voor de eerste maal onthuld door Abraham of op de Sinaï. Dat moord een misdrijf was, wisten de mensen al eerder. Zelfs de instelling van de zevende dag als rust­dag was, volgens de traditie, bekend aan de joden toen zij nog in Egypte waren. Evenmin was het denkbeeld van de goddelijke rechtvaardigheid onbekend. Nieuw was echter het denkbeeld dat rechtvaardigheid een verplichting is tegenover God, zijn weg, niet al­leen zijn verlangen.4 Nieuw was, dat onrecht niet iets is wat God minacht als anderen dat plegen, maar dat onrecht het tegenovergestelde van God is. Nieuw was, dat de rechten van de mens geen wettelijk bescherm­de belangen van de samenleving, maar de geheiligde belangen van God zijn. Hij is niet alleen de hoeder van de morele orde, ‘de Rechter der ganse aarde’, maar Een, die niet onrechtvaardig kan handelen (Genesis 18:25). Zijn gunsteling was niet Nimrod, ‘de eerste machthebber op aarde’ (Gen. 10:8), maar Abraham: Want ik heb hem uitgekozen, hij moet zijn zonen en zijn verdere nakomelingen voorhouden de weg te volgen die ik wijs, door rechtvaardig en goed te handelen (Gen. 18:19). De thora is voornamelijk god­delijke wegen, meer dan goddelijke wetten. Mozes bad: Laat mij dan weten wat uw plannen zijn (Exodus 33:13). Alles wat God van de mens verlangt, werd samengevat in: Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u... de weg volgt die hij u wijst (Deuteronomium 10:12).

Wat betekent het, vroeg rabbi Hama, zoon van rabbi Hanina, wanneer er gezegd wordt: ‘Je zult de weg van de heer je God aan gaan’? ‘Is het voor een menselijk wezen mogelijk om achter de Shechinah aan te wandelen? Is er niet gezegd: Want de heer je God is een verterend vuur? Maar het is de bedoeling te wandelen in het spoor van de heer. Zoals hij de naakten kleedt, kleed ook jij de naakten, zoals hij de zieken bezocht, bezoek ook jij de zie­ken, zoals hij treurenden troostte, troost ook jij treurenden’ (So­tah 14a).


[Noot van de redactie: ·Emmanuel Levinas: ‘De mens die vraagt: God, waar bent u? weet dat Gods antwoord er niet in bestaat mij te antwoorden, maar in het mij terugsturen naar de Ander, ook al is hij een stoorzender en bij uitstek ongewenst, de dakloze die mijn tapijt bevuilt.’

Wij hebben Gods aanwezigheid in handen. Er schuilt dus een diepe waarheid in de oude hymne: Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Waar liefde heerst en vriendschap, daar is God aanwezig.]

 

DE GODDELIJKHEID VAN DADEN

Niet bepaalde handelingen, maar al het handelen, het leven zelf kan een schakel tussen de mens en God worden. Maar hoe kun­nen wij ons inbeelden dat onze platvloerse handelingen voor hem van betekenis zijn? Hoe durven wij te zeggen dat daden de macht hebben naar Hem toe te stromen? Dat menselijke alledaagsheid verbonden kan worden met eeuwigheid?

De geldigheid van de natuurwetenschap steunt op de vooron­derstelling dat de structuur van de gebeurtenissen in de natuur begrijpelijk is en geschikt om te worden waargenomen en be­schreven in redelijke termen. Alleen op basis van de overeenkomst tussen de structuur van de menselijke geest en de innerlijke structuur van het heelal is de mens in staat om de wetten te ont­dekken die zijn processen beheersen. Hoe staat het echter met gebeurtenissen in het innerlijke en morele leven van de mens? Bestaat er een gebied waarmee zij vergelijkbaar zijn? De profe­ten die wisten hoe de goddelijke maat te nemen van menselijke daden, de structuur te zien van het absolute licht in het spectrum van een enkele gebeurtenis, voelden die overeenkomst aan. Wat een mens in zijn donkerste hoeken van zijn innerlijk doet, is voor de schepper van belang. Met andere woorden, zoals de redelijkheid van natuur­lijke gebeurtenissen door de natuurwetenschap wordt aangenomen, zo wordt de goddelijkheid van menselijke daden veron­dersteld door de profetie (zie hoofdstuk 10, § 4).

De overtuiging van de goddelijkheid van daden gaat dus de idee van de navolging van de goddelijkheid te boven. Ge­heiligde daden, mitswot, imiteren niet alleen; ze vertegenwoor­digen het goddelijke. De mitswot zijn de essentie van God, meer dan wereldse manieren om je te voegen naar zijn wil. Rab­bi Simeon ben Yohai zegt: ‘Eer de mitswot, want de mitswot zijn mijn afgevaardigden en een afgevaardigde is bekleed met het ge­zag van zijn waardigheid. Als je de mitswot eert, is het alsof je mij eert, als je ze zonder eerbied bejegent, is het alsof je schande over mij brengt.’5

De bijbel spreekt over de mens, gemaakt naar de gelijke­nis van God en vestigt zo het beginsel van een gelijkaardigheid van zijn. In de kern van zijn wezen heeft de mens iets overeen met God. Boven de overeenkomst van zijn uit, leert de bijbel het beginsel van een overeenkomst in daden. De mens mag handelen naar de gelijke­nis Gods. Het is deze overeenkomst van handelen - de weg volgen die hij u wijst - die de schakel is waardoor de mens dichtbij God kan komen. Leven in zo’n overeenkomst is het belangrijkste van de navolging van het goddelijke.

 

TE DOEN WAT HIJ IS

In andere godsdiensten zijn goden, helden en priesters heilig. Voor de bijbel is niet alleen God heilig: ‘Alle leden van de gemeenschap zijn heilig ’ (Numeri 16:3). ‘Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk’ (Exodus 19:6) was de reden van Israëls uitverkoren zijn, de zin van zijn onderscheiding. Het gaat tussen mens en God niet alleen om onderwerping aan zijn macht of om de afhankelijk­heid van zijn genade. De opdracht is niet om te gehoorzamen aan zijn wil, maar om te doen wat hij is.

Er is niet gezegd: Je zult vol ontzag zijn want ik ben heilig, maar: ‘Wees heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben heilig’ (Leviticus 19:2). Hoe wordt een menselijk wezen, een creatuur van ‘stof en as’, heilig? Door zijn mitswot, zijn geboden te doen. De heilige God toont zich heilig in zijn gerechtigheid (Jesaja 5:16). Om heilig te zijn moet je ontzag tonen voor je moeder en je vader, en steeds mijn sabbat in acht nemen. Laat je niet in met afgoden. Steel niet, lieg niet en bedrieg je naaste niet. Spreek geen vloek uit over een dove en plaats geen obstakel voor de voeten van een blinde. Wees niet partijdig wanneer je rechtspreekt.Spreek rechtvaardig recht over je naasten. Breng het leven van een ander niet in gevaar door lasterpraat over hem rond te strooien. Wees niet haatdragend en laad niet omwille van een ander schuld op je door je te wreken of wrok te blijven koesteren maar heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:3-18).

Leef in de overtuiging dat daden van goedheid het ver­borgen licht van zijn heiligheid weerspiegelen. Zijn licht reikt bo­ven onze zielen, maar niet buiten het bereik van onze wil. Het is in onze macht om zijn oneindige liefde te weerspiegelen in da­den van goedheid, zoals het spiegelende wateroppervlak de hemel vasthoudt.

 

GELIJKENIS IN DADEN

Mitswot zijn dus meer dan afspiegelingen van de wil van een mens of in daden omgezette visioenen. Door de uitvoe­ring van een geheiligde taak onthullen wij een goddelijk voorne­men. Een geheiligde daad is meer dan een beweging van het hart. In een geheiligde daad weerkaatsen wij Gods gedempte ge­zang, door lief te hebben zetten wij Gods onvoltooide lied in. Geen beeld mag van de allerhoogste gevormd worden behalve één: ons eigen leven als een gelijkenis van zijn wil. De mens, ge­vormd als zijn evenbeeld, werd gemaakt om zijn wegen van ge­nade te volgen. Hij heeft de mens gemachtigd om in zijn plaats te handelen. We vertegenwoordigen hem als wij nood verlichten, vreugde schenken. Het streven naar integriteit, het hel­pen van onze naaste, de drang om natuurlijke functies om te zetten in geest, wilskracht in dankgebed, instinct in liefde, dat zijn allemaal pogingen om hem te vertegenwoordigen.

 

‘DE GOEDE MOTIVATIE’

De wil van God vervullen in daden betekent te handelen in de naam van God, niet alleen ter wille van God, in ten uitvoer brengen wat in zijn wil besloten ligt. Voor de vervulling van zijn bedoelingen in de wereld heeft hij de inzet van de mens nodig.

Menselijk handelen is niet het begin. Aan het begin ligt Gods eeu­wige verwachting. In de wereld klinkt een eeuwige roep: God smeekt de mens om te antwoorden, óm te keren, te vervullen. Iets wordt ge­vraagd van de mens, van alle mensen, op elk moment. Door elke daad antwoorden of trotseren we, keren we terug of gaan we weg, bereiken we het doel of missen het. Het leven bestaat uit ein­deloze mogelijkheden om het wereldse te heiligen, mogelijkheden om de macht van God te bevrijden uit de kringloop van het potentiële vermogen, mogelijkheden om geestelijke oogmerken te dienen.

Zo zeker als wij gedreven worden om te leven, zo zeker worden wij gedreven om de spirituele kant te dienen die onze belangen te boven gaan. ‘De goede motivatie’ is niet door de samenleving uitgevonden, maar is iets wat de samenleving mo­gelijk maakt. Het is geen toevallige functie, maar behoort tot de wezenskern van de mens. Wellicht hebben we geen duidelijke voorstelling van zijn betekenis, maar als hem geweld wordt aan­gedaan, schrikken we. We hebben niet alleen God nodig maar ook het dienen van zijn doel, en Gods bedoeling kan niet zonder de mens.

Mitswot zijn geen idealen, geestelijke waarden voor altijd zwe­vend in de eeuwigheid. Het zijn geboden die aan ons allemaal gericht zijn. Het zijn de manieren waarop God ons in bijzondere ogen­blikken tegemoettreedt. In de oneindige wereld is er voor mij een taak te verrichten. Niet een algemene taak, maar een taak voor mij, hier en nu. Mitsvot zijn geestelijke besluiten, stipjes van eeu­wigheid in de stroom van de tijdelijkheid.

 

BEDOELINGEN HEBBEN DE MENS NODIG

De mens en de geestelijke bedoelingen staan tegenover elkaar in een verhouding van wederzijdsheid. De verhouding tot egoïstische oogmerken is eenzijdig: de mens heeft het nodig om brood te eten, maar het brood heeft het niet nodig om gegeten te worden. De verhouding tot geestelijke doelen is anders: recht is iets wat gedaan behoort te worden, recht heeft de mens nodig. Het gevoel van verplichting geeft een situatie weer waarin een ide­aal, als het ware, wacht op verwerkelijking. Geestelijke eindtermen doen een beroep op de persoon. Zij zijn gebiedend, niet alleen indrukwekkend, ze stellen eisen, het zijn geen abstracte denk­beelden. Esthetische waarden worden ervaren als voorwerpen van genot, terwijl religieuze daden worden ervaren als objecten van toewijding, als reacties op de zekerheid dat iets van ons wordt gevraagd, van ons wordt verwacht. Geestelijke doelen hebben onze daden nodig.

 

EEN VAARDIGHEID VAN DADEN

Het jodendom is geen wetenschap van de natuur, maar een vaardigheid van wat de mens met de natuur behoort te doen. Vóór alles houdt zij zich bezig met levenskwesties. Aan daden hecht ze meer waarde dan aan dingen. In zekere zin is de joodse wet een wetenschap van daden. De belangrijkste zorg is niet alleen de vraag hoe hem op bepaalde tijden te aanbidden, maar de vraag hoe met hem de hele tijd te leven. Elke daad is een vraagstuk, op elk moment ligt er een unieke taak. Het hele leven op elk moment is de opgave en de taak.

 

NOTEN BIJ HOOFDSTUK 28

1          Shabbat, 88a. Zie ook de passage uit Midrash Hazita, geciteerd in Man is Not Alone, p. 93.

2          Kiddushin, 40b.

3          Leviticus Rabba, 31, 4.

4          ‘De wegen van God zijn anders dan die van de mens; de mens draagt anderen op om iets te doen terwijl hij zelf niets doet, terwijl God Is­raël alleen gebiedt om die dingen te doen en na te leven die hijzelf doet.’ Exodus Rabba, 30,9. Zie Jerushalmi Rosh Hashana, 1,3, 7a.

5          Tanhuma op Genesis 46:28.


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok & Heleen de Both

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - Intekenprijs € 24,90; na verschijnen € 27,50.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), ca. 500 pagina's
3e druk

intekenprijs € 24,90
na verschijnen € 27,50