Deel 3 Antwoord

29 Meer dan innerlijke betekenis
 

29.1    DOOR GELOOF ALLEEN
De stelling van het jodendom dat religie en wet onlosmake­lijk met elkaar verbonden zijn, is voor velen lastig te begrijpen. De moeilijk­heid komt door de voorstelling die de huidige mens heeft van het wezen van religie. Het is immers een zielstoestand, een innerlijke betekenis met meer gevoel dan gehoorzaamheid, meer geloof dan daad, meer geestelijk dan concreet. Voor het jodendom is het geloof niet een gevoel voor iets wat bestaat, maar een antwoord aan hem op een vraag om op een bepaalde manier te leven. Oorspronkelijk is het een bewustzijn van een volkomen toewijding, een besef dat het leven niet alleen behoort tot de belangensfeer van de mens maar ook tot die van God.

‘God vraagt het hart.’1 Maar vraagt Hij alleen het hart? Is de juiste bedoeling voldoende? Sommige leerstelsels houden vol dat liefde de enige voorwaarde voor redding is (soefi, bhakti-marga2), waarbij ze de nadruk leggen op het belang van innerlijke, van liefde of geloof met uitsluiting van goede werken.

Paulus voerde hartstochtelijk strijd tegen de macht van de wet en verkondigde in plaats daarvan de gena­dereligie. Hij voerde aan dat de wet de zonde niet kan overwinnen en dat rechtvaardigheid niet kan worden verkregen door de werken der wet. Een mens wordt gerechtvaardigd ‘door geloof zonder werken der wet’.3

Dat verlossing wordt verkregen door het geloof alleen was Lu­thers centrale stelling, sola fides, sola gratia. De denkwijze die zich niet aan wetten en wetsbepalingen wil onderwerpen legde een te grote nadruk op liefde en geloof en had uitsluiting van goede werken tot gevolg.

De Formula Concordia van 1580, nog van kracht in het protestantisme, veroordeelt de stelling dat goede werken nodig zijn voor de verlossing en verwerpt de leer dat ze schadelijk zijn voor de verlossing. Volgens de Duitse theoloog Albrecht Ritschl († 1889) is het leerstuk van de ver­dienste van goede werken een indringer in het gebied van de christelijke theologie, de enige weg tot verlossing is de rechtvaar­diging door het geloof. In navolging van Kierkegaard verwoordt Karl Barth lutherse gedachten wanneer hij stelt dat de daden van de mens te zondig zijn om goed te zijn. Er zijn fundamenteel geen menselijke daden die, op grond van hun gewicht in deze wereld, in Gods ogen genade vinden. Alleen door God kan God bena­derd worden.

29.2    DE VERGISSING VAN DE VORMENCULTUS

Wanneer wij proberen duidelijk te maken dat gerechtigheid niet samenvalt met onze voorkeur of opstelling, dat zij onafhankelijk is van ons belang en onze instemming, moeten we niet de gebrui­kelijke vergissing maken om de verhouding van de mens tot rechtvaardigheid te verwarren met de verhouding van de religie tot de mens. Want hoewel het waar is dat wij recht behoren te doen omwille van het recht, is het recht zelf er omwille van de mens. Het omschrijven van het recht als datgene wat waard is gedaan te worden omwille van zichzelf, is het omschrijven van de beweegreden, niet van de bedoeling. Het is juist het tegenover­gestelde: anders dan het spel wordt het goede nooit voor zichzelf gedaan, maar met een bedoeling. Anders maak je een afgod van een ideaal, het is het begin van fanatisme. Het is een halve waarheid om het goede te om­schrijven met de beweegreden alleen, om het goede op één lijn te stellen met het goede voornemen en de bedoeling en de zelfstandigheid van de goede daad te negeren.

Zij die alleen aandacht geschonken hebben aan de verhouding van de mens tot de idealen, met veronachtzaming van de ver­houding van de idealen tot de mens, hebben in hun theorieën al­leen de beweegreden maar niet de bedoeling van religie en moraliteit gezien. In vervolg op de paulinische doctrine herhalen Kant en zijn leerlingen dat de mens door het geloof al­leen wordt verlost. Zij onderwezen dat de religieuze of morele kern zou bestaan uit een absolute kwaliteit van de ziel of de wil, ongeacht de daden die daaruit mochten voortko­men of de doeleinden die bereikt mochten worden. De waarde van een religieuze daad zou dus geheel bepaald worden door de intensiteit van iemands geloof of door iemands oprechtheid. Het voornemen, niet de daad, het hoe, niet het wat van ie­mands gedrag zou wezenlijk zijn en geen andere beweegreden dan het plichtsgevoel zou van enige morele waarde zijn. Daarom zijn vriendelijke daden, tenzij voorgeschreven door plichtsge­voel, niet beter dan wreedheid. Mededogen of aandacht voor menselijk geluk als zodanig wordt beschouwd als een heimelijk motief. ‘Ik zou mijn woord niet breken zelfs als ik de mensheid daardoor zou kunnen redden!’ riep de Duitse filosoof Johann Fichte († 1814) uit. Zijn redding en gerechtigheid waren voor hem blijkbaar zoveel be­langrijker dan het lot van alle mensen dat hij de mensheid ver­nietigd zou hebben om zichzelf te redden. Bewijst een dergelijke houding niet de waarheid van het spreekwoord ‘de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens’? Zouden we niet moeten zeggen, dat de zorg voor iemands eigen redding en rechtschapenheid die zwaarder weegt dan de aandacht voor het welzijn van één men­selijk wezen, geen goede instelling kan worden genoemd?

Het jodendom legt de nadruk op het belang van menselijke da­den. Het weigert het beginsel te aanvaarden dat de bedoeling on­der alle omstandigheden de daad bepaalt. Dit betekent echter niet dat het ontbreken van de juiste intentie een goede daad meteen minderwaardig maakt.4 De goede daden van elk mens, tot welke natie of godsdienst hij ook behoort,5 zelfs in­dien verricht door een persoon die nimmer door een profeet werd bereikt en die dus naar eigen inzicht handelt,6 zullen door God beloond worden.

29.3    GEEN TWEEDELING
De oorzaak van bijna alle mislukkingen in menselijke relaties is, dat wij de taken bewonderen en toejuichen, maar dat wij falen in het verkrijgen van de gereedschappen. De blote hand, noch de ziel alleen kan veel uitrichten. Het werk wordt gedaan met behulp van gereedschappen. De ziel heeft ze net zo hard nodig als de hand. En zoals de werktuigen van de hand hem beweging of leiding geven, zo verschaften de werk­tuigen van de ziel wenken of waarschuwingen. De betekenis van de mitswot is, dat ze voertuigen zijn waarmee wij voort­bewegen op de weg naar geestelijke grenzen.

Het geloof is geen stille schat die in de afzondering van de ziel bewaard moet worden, maar de munt om het muntstuk van gangbare daden te slaan. Het is niet genoeg om toegewijd te zijn in de ziel, om in de stilte van contemplatie ogenblikken te heiligen.

De tweedeling tussen geloof en werken, die in de christelijke theologie zo’n belangrijk probleem vormde, was in het jodendom nooit een probleem. Het grote probleem is niet wat de juiste handeling is of wat de juiste bedoeling is. Het grote probleem is: wat is juist leven? En het leven is ondeelbaar. De in­nerlijke sfeer staat nooit los van uiterlijke handelingen. Daad en gedachte zijn aaneengeklonken. Alles wat een mens denkt en voelt, werkt door in alles wat hij doet, en alles wat hij doet, beďnvloedt alles wat hij denkt en voelt.

Spirituele verlangens zijn tot mislukken gedoemd als we pro­beren daden te verrichten ten koste van gedachten of gedachten te koesteren ten koste van daden. Is het de innerlijke visie van de kunstenaar of zijn worsteling met de steen die een beeldhouw­werk voortbrengt? Juist leven is als een kunstwerk, het resultaat van een visie en van een worsteling met een concrete situatie.

Het jodendom heeft een hekel aan algemeenheden, een hekel aan het zoeken van betekenis in een leven dat losstaat van doen, alsof de beteke­nis een afzonderlijke grootheid zou zijn. Het is geneigd om denk­beelden om te zetten in daden, om metafysische inzichten uit te leggen als actiemodellen, om aan de verhevenste beginselen eni­ge invloed op het dagelijkse gedrag toe te schrijven. In de joodse tradi­tie werd het abstracte concreet, het absolute geschiedenis. Door het heilige op het toneel van het concrete leven op te voeren ont­waren wij onze verwantschap met het goddelijke, de nabijheid van het goddelijke. Wat niet begrepen kan worden in overpeinzingen, vatten we in daden.

 

29.4    SPIRITUALITEIT IS NIET DE WEG

De wereld heeft meer nodig dan de geheime heiligheid van indi­viduele ingekeerdheid. De wereld heeft meer nodig dan geheiligde gevoe­lens en goede bedoelingen. God vraagt om het hart omdat hij de levens nodig heeft. Door levens zal de wereld verlost worden, door levens in harmonie met God, door daden die de beperkte barmhartigheid van het menselijke hart overtreffen.

Het vermogen van de mens om te handelen is minder vaag dan zijn vermogen om plannen te maken. En een handeling heeft betekenis in zichzelf, haar waarde voor de wereld staat los van wat zij voor de handelende betekent. Het geven van voedsel aan een hongerig kind heeft betekenis, of er nou een ethische bedoeling achterzit of niet. God vraagt om het hart en wij moeten ons antwoord betekenis te geven in daden.

Het zou een teken van verwaandheid, zo niet van arrogantie zijn om te beweren dat zuiverheid van hart de enige toets voor vroomheid is. Wij weten maar zelden hoe we volmaak­te zuiverheid kunnen verwerven of behouden. Niemand kan bewe­ren zelfs zijn hoogste verlangen van alle schuim gezuiverd te hebben. De persoonlijkheid is beperkt, maar eigenbelang is onbeperkt.

God vraagt om het hart, maar het hart wordt overstelpt door on­zekerheid in zijn eigen schemering. God vraagt om vertrouwen en het hart is niet zeker van zijn eigen geloof. Het is goed dat er een dageraad van beslissing is voor de nacht van het hart; daden om het geloof te objectiveren, bepaalde vormen om het geloof te be­vestigen.

Het hart is vaak een eenzame stem op de markt van het leven. Een mens kan verheven idealen koesteren en zich gedragen als de ezel die, zoals wel gezegd wordt, ‘goud draagt en distels eet’. Het probleem van de ziel is om hoogstaand te leven in een zinnelijke omgeving, hoe de tong en de gevoelens te overtuigen en te oefe­nen om zich te gedragen in overeenstemming met de inzichten van de ziel.

Een onkreukbare levenswandel gaat niet alleen het hart aan, het houdt meer in dan het bewustzijn van de morele wet. De binnenste kamer moet bewaakt worden bij de verste buitenpos­ten. Religie is niet hetzelfde als spiritualiteit, wat de mens doet in zijn concrete fysieke bestaan, is rechtstreeks van be­lang voor het goddelijke. Spiritualiteit is het doel, niet de weg van de mens. In deze wereld wordt muziek gemaakt op gemaakte instrumenten en de mitswot zijn de instrumenten waarmee het heilige wordt uitgedragen. Wanneer de mens alleen geest zou zijn, dan zou aanbidding in gedachten de vorm zijn om ge­meenschap met God te hebben. Maar de mens is lichaam en ziel en het is zijn bestemming om zo te leven dat beide ‘zijn hart en zijn lichaam zouden zingen voor de levende God’.

29.5    ZELFSTANDIGHEID EN AFHANKELIJKHEID
Maar hoe weten wij wat de juiste daden zijn? Kan de kennis van goed en kwaad alleen uit het verstand en het geweten afkomstig zijn?

Er zijn er die bereid zijn om de boodschap van de goddelijke geboden terzijde te schuiven en ons op te roepen om op ons ge­weten te vertrouwen. De mens, zo wordt ons verteld, is slechts verplicht om te handelen in overeenstemming met zijn verstand en zijn geweten en moet niet onderworpen worden aan welke wetten dan ook, behalve die welke hij zichzelf oplegt. Ethische wetten kunnen door het verstand en het geweten verworven worden en er is aan een wetgever geen behoefte. God is alleen maar nodig als borg voor de uiteindelijke zege van de morele inspanning.

De dwaling in het leerstuk van de zelfstandigheid bestaat uit het gelijkstellen van de mens met ‘de goede drijfveer’ en van zijn ge­hele aard met verstand en geweten. Het menselijke vermogen om lief te hebben en zichzelf weg te cijferen (‘de goede drijfveer’) vormt niet zijn complete aard. Hij is ook geneigd succes lief te hebben, om de overwinnaars te bewieroken en de overwonnenen te verachten. Zij die ons oproepen om op onze innerlijke stem te vertrouwen beseffen niet dat er meer dan één stem in ons is, dat de macht van het egoďsme gemakkelijk de stem van het geweten kan smoren. Bovendien wordt het geweten vaak geprezen voor wat niet binnen zijn vermogen ligt. Het geweten is geen wetgevende macht, in staat om ons te leren wat we ho­ren te doen, maar meer een middel ter bescherming, een rem, geen gids; een omheining, geen weg. Het verheft zijn stem nadat iets verkeerds is gedaan, maar geeft ons vaak géén aanwijzing vóórdat we tot handelen overgaan.

Het individuele inzicht alleen is niet in staat om aan alle pro­blemen van het leven het hoofd te bieden. Het is de leiding van de traditie waar we op moeten vertrouwen en waarvan we de regels moeten leren uitleggen en toepassen. We moeten niet alleen de bedoelingen leren, maar ook de middelen om die doelen te realiseren, en dan niet alleen de algemene wetten, maar ook de specifieke vormen.

Het jodendom roept op om niet alleen te luisteren naar de stem van het geweten maar ook naar de regels van een wet waarvan we afhankelijk zijn. Het goede is geen abstract denkbeeld maar een gebod, en de uiteindelijke betekenis van zijn vervulling is dat het een antwoord is aan God.

29.6    DE WET
De mens moest uit de Hof van Eden verdreven worden, moest getuige zijn van de moord op de helft van het menselijke ge­slacht, door Kaďn uit afgunst gepleegd, de catastrofe van de zondvloed ondergaan, de verwarring van de talen, de slavernij in Egypte en het wonder van de Exodus, om de wet te kunnen ont­vangen.

Wij geloven dat de jood aan een goddelijke wet is toegewijd, dat de uiteindelijke maatstaven niet in maar buiten de mens lig­gen. Wij geloven dat er een wet is waarvan de kern voortkomt uit profetische gebeurtenissen en waarvan de uitleg aan de wijzen is toevertrouwd.

Ons is geleerd dat God de mens niet alleen het leven maar ook een wet gaf. Het hoogste gebod is niet alleen te geloven in God, maar de wil van God te doen. De klassieke code, Turim, begint met de woorden van Judah ben Tema: ‘Wees dapper als een luipaard, licht als een adelaar, vlug als een hert en sterk als een leeuw om de wil te doen van je vader die in de hemel is.’7

Wat is wet? Een manier om de lastigste van alle problemen, het leven, te tackelen. De wet is een probleem als je denkt dat het leven een alledaags iets is. De wet is een antwoord aan hen die weten dat het leven een probleem is.

In het jodendom houdt trouw aan God toewijding in aan de joodse wet, aan een discipline, aan bepaalde verplichtin­gen. Deze termen, waar de hedendaagse mens een afkeer van schijnt te hebben, maken in feite deel uit van beschaafd leven. Iedere burger die loyaal is aan zijn land, erkent zijn wetten en aanvaardt de verplichtingen die daarmee gepaard gaan. Van tijd tot tijd zal zijn loyaliteit hem aansporen om zelfs meer te doen dan trouw alleen zou eisen. Het woord loyaliteit is dan ook af­geleid van dezelfde wortel als loyaal, ligo, dat ‘gebonden zijn’ be­tekent. Zo komt het Engelse woord obligation van het Latijnse obligo, binden, en duidt de toestand aan van gebondenheid door een wettelijke of morele band.

Het doel van de profeten was om te leiden en eisen te stel­len, niet alleen om te troosten en gerust te stellen. Het jodendom is zinloos als een vrijblijvende houding die je naar believen kan aannemen. Voor het joodse gemoed is het leven een complex van plichten, en de fundamentele categorie van het jodendom is meer een eis dan een dogma, meer een toewijding dan een gevoel.

    Gods wil staat hoger dan het geloof van de mens. Eerbied voor het gezag van de wet is een uitdrukking van liefde voor God.

Maar zijn liefde gaat zijn wil te boven. De thora is Israël gege­ven als een teken van zijn liefde. Om deze liefde te beantwoor­den proberen we ahavat torah, liefde voor de thora te verkrijgen.

Een mate van zelfbeheersing is een eerste vereiste voor een creatief leven. Is een kunstwerk geen overwinning van de vorm op de ruwe stof? Ontroering beheerst door een idee? Wij lijden aan de illusie dat we volwassen zijn en aan een neiging om de mate van menselijke perfectie te overschatten. Nie­mand is volwassen behalve als hij geleerd heeft om zich te wijden aan werk dat om discipline en zelfbeheersing vraagt, en menselijke vol­maaktheid is afhankelijk van het vermogen tot zelfbeheer­sing.

Wanneer het gemoed een pijnlijke plek is door vooroordeel en arrogantie, door zijn onvermogen om de stroom van overlopende ijdelheid tot staan te brengen, door zijn voorstellingsvermogen dat in de duisternis zijn klauwen naar dwaasheid en zonde uit­steekt, begint de mens God te zegenen voor het voorrecht om te dienen in geloof en in overeenstemming met zijn wil. De tijd staat nooit stil, het leven loopt af, maar de wet neemt ons bij de hand en leidt ons naar huis, naar een eeuwige orde.

Er zijn zowel positieve als negatieve mitswot, daden zowel als onthoudingen. Inderdaad wordt het gevoel voor het heilige vaak uitgedrukt in beperkende bewoordingen, op dezelfde wijze als waarop het mysterie van God via negationis wordt overgedragen, door een negatieve theologie, die stelt dat wij nooit kunnen zeggen wat hij is; we kunnen slechts zeggen wat hij niet is. Ontoerei­kend zou onze dienst zijn als hij alleen zou bestaan uit rituelen en positieve daden, die zo gebrekkig en dikwijls vruchteloos zijn. Hoe waardevol positieve inzet ook is, er zijn tijden waarin de stilte van geheiligde onthoudingen sprekender is dan de taal der daden.8

29.7    EEN GEESTELIJKE ORDE
Er bestaat een doeltreffende manier om de betekenis van de wet over het hoofd te zien en wel door versplintering of generalisatie: door de delen zonder het geheel te beschouwen of door het ge­heel zonder de delen te zien.

Het is onmogelijk om de betekenis te begrijpen van daden die zijn losgemaakt uit het geheel van een leven waarin ze thuisho­ren. Daden zijn componenten van een geheel en ontlenen hun karakter aan de structuur van het geheel. Er is een nauwe samen­hang tussen alle daden en ervaringen van een persoon. Maar zo­als de delen worden bepaald door het geheel, zo wordt het geheel bepaald door de delen. Daardoor kan de amputatie van één deel de volheid van de gehele structuur aantasten, behalve als dat deel zijn vitale rol in het organische lichaam van het geheel had doorstaan.

Sommige mensen zijn zo bezig met het verzamelen van stukjes en beetjes van de wet, dat ze er nauwelijks aan denken om het patroon van het geheel te weven; anderen zijn zo bekoord door de betovering van algemeenheden, door het beeld van idealen, dat, terwijl zij hun ogen ten hemel heffen, hun handelingen be­neden blijven.

Wat wij moeten proberen te vermijden is niet alleen het verzui­men van een enkele mitswa, maar het verlies van het geheel, het verlies van te behoren tot de geestelijke orde van het joodse le­ven. De intentie van het joodse leven is niet bedoeld als een stel ri­tuelen, maar als een intentie voor het complete bestaan van de mens die al zijn eigenschappen, belangen en neigingen vormt en niet zozeer het verrichten van op zichzelf staande daden, het nu en dan doen van een stap, als wel het volgen van een weg, het onderweg zijn. Het is niet zozeer het volbrengen van daden als wel de toewijding aan de taak, het behoren tot een orde waarin op zichzelf staande daden, het complex van godsdienstige gevoelens, sporadische gevoelens, voorvallen van morele aard een deel van een volledig patroon worden.9

Het is een vervorming om het jodendom te beperken tot een eredienst of een systeem van religieuze plechtigheden. De thora is zowel onderdeel als geheel. Zoals in elke waarneming tijd en ruimte voorondersteld zijn, zo is het leven in zijn geheel in elke vrome daad betrokken. Er is een objectieve samenhang die alle belangrijke gebeurtenissen bijeenhoudt. Een mens kan nu een misdaad ple­gen en een uur later zonder moeite iets anders doen. Maar als een mens bidt, gaat alles wat hij in zijn leven gedaan heeft, zijn gebed binnen.

29.8    EEN THEOLOGISCHE OVERDRIJVING
De joodse traditie beweert niet dat elke jota van de wet aan Mo­zes op de Sinaď is geopenbaard. Dit is een ongerechtvaardigde uitbreiding van het rabbijnse concept van openbaring. ‘Zou Mozes de hele thora hebben kunnen leren? Van de thora is gezegd: Langer dan de aarde is zijn maat, hij is breder dan de zee (Job 11:9). Zou Mozes haar dan in veertig dagen hebben kunnen le­ren? Nee, het waren slechts haar beginselen (klalim) die God aan Mozes leerde.’10

De rabbijnen houden vol dat ‘aan Mozes niet-geopenbaarde dingen aan rabbi Akiba en zijn collega’s zijn geopenbaard’.11 De rol van de wijzen bij de uitleg van het woord van de bijbel en hun macht om nieuwe voorschriften uit te vaardigen zijn grondbe­standdelen van het joodse geloof, waarvoor onze wijzen een grondslag vonden in Deuteronomium 17:11: Houd u aan de uitleg die zij u geven en probeer in geen enkel opzicht te schikken en te plooien. De thora werd vergeleken met ‘een bron die onafgebroken meer water geeft dan hij opzuigt. Op dezelfde wijze kan men meer thora onderwijzen (of zeggen) dan men op de Sinaď ontving.’12

Met de bedoeling meer vreugde en liefde tot God in te boeze­men, breidden de rabbijnen het toepassingsgebied van de wet uit door steeds meer beperkingen en verboden op te leggen. ‘Er is geen generatie waarin de rabbijnen niets aan de wet toegevoegd hebben.’13 In de dagen van Mozes was alleen bindend wat hij met zoveel woorden op de Sinaď ontvangen had (de geschre­ven wet) én verschillende verordeningen, die hij om welke rede­nen dan ook toevoegde. (Maar) de profeten, de Tannaim en de rabbijnen van elke generatie (zijn doorgegaan met het vermeer­deren van deze beperkingen).14

De industriële beschaving heeft de levensomstandigheden van de mens diepgaand beďnvloed en zeer veel wetsgetrouwe joden menen dat veel van de rabbijnse beperkingen eerder een grotere vreugde en liefde tot God belemmeren dan opwekken.

In hun ijver om het oude gebod ‘zet een heg rond de thora’ uit te voeren, hebben veel rabbijnen de waarschuwing ‘be­schouw de heg niet als belangrijker dan de wijngaard’ over het hoofd gezien. Buitensporige aandacht voor de omhei­ning kan de ondergang van de wijngaard betekenen.15 De wijn­gaard wordt vertrapt. Hij is zo goed als verwoest. Is dit het moment om aan te dringen op de heiligheid van de omheiningen? ‘Als de thora gegeven zou zijn als een onbuigzame, onveranderbaar wetboek van rechtsregels, dan zou Israël niet kunnen voortbestaan... Mozes riep uit: Heer van het heelal, laat mij weten wat de wet is. En de heer sprak: Regeer met behulp van het beginsel van de meerder­heid... De wet zal nu eens op de éne dan weer op de andere ma­nier worden uitgelegd volgens de opvatting van de meerderheid van de wijzen.16

Een grote joodse autoriteit maakt de volgende opmerkingen over ons onderwerp: Hoe kregen de generaties vóór Sinaď hun geestelijke rechtschapenheid? Hoe kunnen wij zeggen dat de aartsvaders even hoog of hoger stonden dan de gemeenschap van Israël, nu in hun tijd de geboden nog niet gegeven waren zodat al hun vro­me daden vrijwillige dienst konden zijn, maar geen geboden. De rabbijnen hebben geleerd dat de geschiedenis in drie tijdperken kan worden verdeeld: de periode van de chaos, de periode van de thora en de periode van het voorspel op de Messias. De aartsva­ders leefden in een tijdperk van chaos waarin zijn heilige aanwezigheid alleen in een zeer verhulde vorm gevonden kon worden. Toch konden zij ondanks de duisternis en de hindernis­sen zeven geboden onderscheiden. Hij die ondanks zulke moei­lijkheden een beetje bereikt, wordt geacht even verdienstelijk te zijn als hij die in een tijd van overvloed veel bereikt. Iedereen die gedurende het tijdperk van de chaos de zeven geboden van Noach ontwaarde en onderhield, deed evenveel als hij die de gehele thora onderhoudt in een tijd waarin Gods woord uitgebreider is.

Het vermogen om te na te leven hangt af van de situatie. Zo zijn wij in deze tijd niet verplicht om aan de wetten over de tempel te voldoen en het weinige dat wij doen wordt gelijkge­steld aan de inachtneming van hen die in staat waren om de wet­ten te vervullen die in de tijd van de tempel vervulbaar waren.

In de tijd van Abraham was het niet verkeerd om de geboden te veronachtzamen omdat de tijd voor hun vervulling nog niet gekomen was. Elk woord en elke daad van de wet heeft zijn eigen tijd waarin hij kan en moet worden gehouden.17

29.9    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 29

1          Sanhedrin, 106b.

2          Ignaz Goldziher, Vorlesungen über den Islam (Heidelberg 1910) pp. 167 e.v.; D.S. Margoliouth, ‘The Devil’s Delusion of Ibn Al-Jauzi’, in: Islamic Culture, X (1936) p. 348. De broeders en zusters van de Vrije Geest die in de dertiende eeuw opkwamen, leerden dat God het best kon wor­den gediend in geestelijke vrijheid en dat de sacramenten en verorde­ningen van de Kerk niet nodig waren. ‘Omdat de mens in wezen god­delijk is en in staat is om zich door meditatie en het afzien van zinne­lijke dingen met God verenigd te weten, kan hij in zijn vrijheid doen wat God doet en moet hij handelen zoals God in hem werkt. Dus bestaat er voor de vrije mens deugd noch ondeugd. God is alles en alles is God en alles is het Zijne.’ ‘Zo groot is de deugd van liefde en barmhartigheid dat alles wat in hun naam gedaan werd, geen zonde kon zijn... Wees barmhartig en doe wat je behaagt.’ J. Herkless, En­cyclopaedia of Religion and Ethics, dl ii, pp. 842 e.v.; H. Ch. Lea, A His­tory of the Inquisition (New York 1909) dl ii, p. 321.

[Als bhakti marga, de weg van geloof en liefde betitelt men in India de geluksleer van de aanhangers van enkele goden die hun mededogen uitstrekken over dolende schepselen. De voornaamste van deze goden is Vishnu, die de titel Ishvara, Heer draagt. De beroemde en bekwame verdediger van dit gelukspad is Ramanuya. Zijn theologie vertoont trekken van verwantschap met de ideeën van Jezus van Nazareth, speciaal in de vertolking van de hervormingsgezinden. De protestants-christelijke leer is gebouwd op de stelling dat de dwaze, fouten makende mens zich nooit voor God kan rechtvaardigen, zelfs niet met zijn meest verdienstelijke daden. God zelf moet hem vergeving schenken, zijn hart vernieuwen door de heilige Geest, zodat hij aangespoord door dankbaarheid een zuiver leven gaat leiden. Het voor-Indiase ideaal is niet sanctitas, heiliging, maar serenitas, zielenrust. Zie hierover R. Otto, De genadereligie van India en het christendom; overeenkomsten en verschillen (Amsterdam 2005).]

3            Romeinen 3:20. Daarom is voor hem geen sterveling onschuldig omdat hij de wet naleeft, want juist de wet leert ons de zonde kennen. Zie voor de theologische kanten van het probleem Z. La B. Cherbonnier, Hard­ness of Heart (New York 1955) hfdst. XI.

4             Rabbi Eleazar ben Azariah zei: ‘De Schrift zegt (Deut. 24:19) Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. Je ziet dat hij on­middellijk daarna zegt: De HEER, uw God, zal u erom zegenen. Zo geeft de Schrift de zekerheid van een zegen aan iemand door wie een verdienstelijke daad tot stand komt (het voeden van de vreemdeling), hoewel hij niet wist wat hij deed (omdat hij vergat om de schoof van het veld te halen). Je moet nu toegeven dat als een sela (een munt) in de slip van iemands gewaad geknoopt was en ze viel eruit en een arme man vindt haar en houdt zich daarmee in leven, de Heilige, Hij zij geprezen de zekerheid van een zegen geeft aan de mens, die de sela verloren heeft.’ Sifra op 5:17, ed. Weiss, p. 27 a.

5          Halevi, Kuzari, 1, iii.

6          Maimonides, The Guide of the Perplexed, boek iii, 17; zie echter Mish­nah Torah, Melachim 8, 11.

7          Abot 5, 20

8          A. J. Heschel, The Sabbath, p. 15.

9          A. J. Heschel, Man’s Quest for God, hfdst. 4.

1O           Exodus Rabba, 41, 6. Rabbi Simon ben Lakish beweerde dat de hele inhoud van de joodse leer aan Mozes op de Sinaď gegeven was, Bera­chot, 5a. In zijn bespreking van het dogma van de mondelinge leer stelt Maimonides alleen dat de algemene vormen van de vervulling van de bijbelse wetten, zoals sukkah, lulau, shojar en tsitsit, hun oor­sprong in Mozes vonden, maar niet de ontelbare details die zich voordoen in uitzonderlijke gevallen en die uitvoerig besproken wor­den in de rabbijnse literatuur.

11                        Pesikta Rabbati, ed. M. Friedmann (Wenen 1880) p. 64b; Numeri Rab­ba, 19. Volgens een middeleeuwse geleerde kan iedereen die werkt in de thora omwille van haarzelf, betekenissen en wetten ontdekken ‘die zelfs aan Mozes op de Sinaď niet gegeven werden’. Alfred Freimann, Yehiel, de vader van Rabbenu Asher, over de studie van de thora, in Louis Ginzberg Jubilee Volume (New York 1954) (Hebreeuws) p. 360.

12        Pirke de Rabbi Eliezer, hfdst. 21.

13        Rabbi Yom Tov Lipmann Heller, Tosefot Yom Tov, voorwoord.

14        Rabbi Isaiah Horovitz, Shne Luhot Haberit, p. 25b. Zie rabbi Moshe Cordovero, Pardes Rimonim, 23, sub humra.

15        Genesis Rabba, 19, 3.

16 Jerushalmi Sanhedrin, IV, 22a. Zie Pne AIoshe, ter plaatse; ook Midrash Tehillim, hfdst. 12.

17        Rabbi Moshe Cordovero, Shiur Komah (Warschau 1885) p. 45 e.v.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok & Heleen de Both

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - Intekenprijs € 24,90; na verschijnen € 27,50.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), ca. 500 pagina's
3e druk

intekenprijs € 24,90
na verschijnen € 27,50