30.1 ALLEEN DADEN EN NIETS ANDERS?
Een leven dat volgens de halacha (regels van de mondelinge traditie) geleid wordt, lijkt op een mozaïek van uiterlijke daden en oppervlakkige gezien kan het erop lijken dat een mens uitsluitend beoordeeld wordt naar het aantal rituelen of goede daden dat hij verricht, naar de nauwgezetheid waarmee hij de kleinste details van de wet vervult, en niet zozeer naar kwaliteiten van geestelijke waarde en toewijding.Verheerlijkt het jodendom uiterlijke daden, ongeacht bedoeling en beweegreden? Roept het meer op tot handelen dan tot toewijding? Moet een mens meer beoordeeld worden naar wat hij doet dan naar wat hij is? Is alleen gedrag van belang? Hebben de mitswot de ziel niets te zeggen? Heeft de ziel niets te zeggen door de mitswot? Ons wordt opgedragen om bepaalde rituelen uit te voeren, zoals het tweemaal per dag reciteren van ‘Hoor O Israël...’ of het aanbrengen van de tefillin (gebedsriemen) op arm en hoofd. Wordt ons alleen opgedragen om ‘Hoor 0 Israël... God is Eén’ op te zeggen en niet om te horen? Is het aanbrengen van de tefillin op hoofd en arm louter een uiterlijke voorstelling?
Geen godsdienstige handeling wordt naar behoren gedaan behalve als die gedaan wordt met een gewillig hart en een verlangende ziel. Je kunt hem niet met je lichaam eerbiedigen als je niet weet hoe hem in zijn ziel te aanbidden.1 De verhouding tussen daad en innerlijke toewijding moet, zoals we zullen zien, worden opgevat in tegenover elkaar staande termen.
30.2 EEN ROEP OM CREATIVITEIT
Een religieus gebruik moet niet verschralen tot een uiterlijk volgen van de wet. Overeenstemming tussen hart en geest en niet alleen in overeenstemming met de letter van de wet, is op zichzelf een vereiste van de wet. Het doel is een leven dat de geboden van de wet overstijgt, om het eeuwige opeens te vervullen, om als het ware goedheid uit het niets te scheppen.De wet, stijf van vormelijkheid, is een kreet om creativiteit; een roep om edelmoedigheid verborgen in de vorm van geboden. Zij is niet gemaakt om een juk, een rem of een dwangbuis voor menselijk handelen te zijn. Bovenal vraagt de thora om liefde: Je zult liefhebben je God; je zult je naaste liefhebben. Elk religieus gebruik is een oefening in de kunst van de liefde. Als we vergeten dat liefde het doel is van alle mitswot, ontkrachten we hun betekenis. ‘Zij die menen dat de uitvoering het belangrijkste is, vergissen zich. Het belangrijkste is het hart. Wat we doen en wat we zeggen heeft maar één doel: de devotie van het hart te wekken. Dit is wezen en doel van alle mitswot: hem lief te hebben met geheel uw hart.’2
‘Alles wat je doet hoor je te doen uit liefde.’3 Het resultaat van onze wil om te gehoorzamen is het vermogen om lief te hebben. De wet is gegeven om gekoesterd te worden, niet alleen om je bij neer te leggen.
Joodse wetsnaleving vindt - het moet worden beklemtoond - plaats op twee niveaus. Zij bestaat uit daden verricht door het lichaam op een duidelijk omschreven en tastbare wijze en uit daden van de ziel, verricht op een manier die omschrijfbaar noch waarneembaar is; uit de juiste bedoeling en uit het omzetten van de juiste bedoeling in een daad. Lichaam en geest moeten beide deelnemen aan de uitvoering van een ritueel, een wet, een gebod, een mitswa. Gedachtes, gevoelens verscholen in de innerlijke diepte van de mens, dingen doen tijdens geestelijke afwezigheid, zijn onvolledig.
Het jodendom legt de nadruk op zowel het belang van een vast patroon van daden als op dat van de spontaneïteit van de toewijding. Zowel op de kwantiteit en de kwaliteit van religieus leven als op het handelen en de kavanah (oriëntatie op God). Een goede daad bestaat niet alleen uit wat wij doen, maar ook uit hoe wij het doen. Zelfs die mitswot die voor hun vervulling om een concreet doel en een uiterlijke handeling vragen, hebben innerlijke erkenning nodig, deelname, begrip en vrijheid van het hart.
Het is waar dat de wet altijd spreekt over uiterlijke uitvoering en zelden over innerlijke toewijding. Zij dringt niet krachtig aan op kavanah. Er zit wijsheid in deze terughoudendheid. De rabbijnen wisten dat een mens kan worden bevolen om op een bepaalde wijze te handelen, maar niet om op een bepaalde wijze te voelen, dat handelingen van een mens gereglementeerd kunnen worden, maar gedachtes of gevoelens niet.
Daarom zijn er geen uitvoerige wetten over de kavanah en inderdaad, de kavanah kan in de pure halacha verdrogen. Om de kavanah door te laten stromen moeten het gevoel voor het onuitsprekelijke levend blijven, voor iets dat voorbij kavanah ligt.
De joodse eerbiediging kan in twee soorten worden verdeeld: plichten die zowel om een uiterlijke handeling als om een werking van de ziel vragen en plichten die alleen een zielsberoering vereisen. De geest en het hart zijn dus nooit vrijgesteld van de dienst aan God. Het aantal voorschriften dat om uiterlijke handeling én werking van de ziel vraagt is beperkt, terwijl het aantal dat uitsluitend plichten van het hart betreft die in de ziel uitgevoerd moeten worden, eindeloos is.
Wij loven de daad, we verafgoden de uiterlijke prestaties niet. De uiterlijke verrichting is slechts een aspect van een daad in zijn geheel. De joodse literatuur weidt uit over het denkbeeld dat elke daad van de mens draait om en berust op de intentie en de verborgen gevoelens van het hart en dat de plichten van het hart voorrang hebben boven de plichten om de praktische voorschriften uit te voeren. Zij zijn bindend voor ons ‘in alle jaargetijden, in alle plaatsen, elk uur, elk ogenblik, onder alle omstandigheden, zolang we in leven zijn en bij ons verstand’.4
Geen ander terrein van eerbiediging vereiste zo’n strikte toepassing van formaliteiten als het ritueel in de tempel te Jeruzalem. De beschrijving van de regels en de gewoontes die in acht genomen werden bij de offerceremonies beslaat bijna een hele afdeling van de misjna. Maar het is veelbetekenend dat de twee voornaamste traktaten van die afdeling beginnen met een beschouwing over de innerlijke houding van de priester, waarbij met nadruk wordt verklaard dat de geldigheid van de ceremonie op de eerste plaats bepaald wordt door wat er omgaat in het gemoed van de priester. Nadat hij alle details van de verrichting van de priester uiteen heeft gezet, komt de redacteur van de misjna op het oorspronkelijke beginsel terug en besluit het tweede traktaat met een verklaring die klinkt als een afkondiging: ‘Het komt op hetzelfde neer of men veel of weinig offert, mits men zijn hart op de hemel richt.’ ‘Moge de HEER in zijn goedheid vergeving schenken aan ieder wiens hart gericht is op God... ook aan degenen die zich niet hebben gehouden aan de reinheidsvoorschriften die in het heiligdom gelden.’ (2 Kronieken. 30:18-19).4a
Voor de oude rabbijnen was de bezigheid van leren, naar thora, een van de hoogste doeleinden.5 Hield dit concept in dat in Gods ogen de geleerde in het leerhuis hoger stond dan de boer op de akker? Een favoriet gezegde van de geleerden in Yavneh was:
Ik ben een creatie van God,
Mijn naaste is ook een creatie van God;
Mijn werk is in de stad,
Zijn werk is op de akker;
Ik sta vroeg op voor mijn werk,
Hij staat vroeg op voor het zijne.
Zoals hij niet aanmatigend is over zijn beroep,
Zo ben ik niet aanmatigend over mijn beroep.
Misschien zeg je:
Ik doe grote dingen en hij doet kleine dingen!
Wij hebben geleerd:
Het doet er niet toe of men veel of weinig doet,
Als je hart maar op de hemel gericht is.6
Het jodendom heeft de geest en de ziel veel te zeggen en de geest en de ziel moeten veel aan het jodendom geven. Er is geen jodendom zonder liefde en ontzag, verwondering en eerbied, geloof en betrokkenheid, kennis en begrip.
‘God vraagt het hart’, niet alleen daden, inzicht en niet alleen gehoorzaamheid, begrip en kennis van God, niet alleen aanvaarding. Onpersoonlijke gehoorzaamheid vraagt de bijbel niet. De strengste woorden van het boek Deuteronomium zijn gericht tegen hen die de Heer niet met vreugde hebben gediend (28:47). De wegen van de thora zijn lieflijk, haar paden vredig. Ze is een levensboom voor wie haar omhelst, wie haar omarmt mag zich gelukkig prijzen (Spreuken 3:17-18). Moeten we niet leren om de vreugde, de lieflijkheid, de vrede en het geluk die van de thora uitgaan, te proeven?
De religieuze voorschriften hebben niet in de eerste plaats ten doel om ons een discipline op te leggen, maar om ons geestelijk scherp te houden. Het jodendom heeft geen belangstelling voor automatismen. In zijn wezen is obediëntie een manier van navolging van God. Dat wij naleven is gehoorzaamheid, wat wij naleven is navolging van God. 7
30.4 WAAROM KAVANAH?
Als een daad in principe goed is, waarom moet hij dan als onvolmaakt worden beschouwd als hij verricht is zonder deelneming van de ziel? Waarom is kavanah noodzakelijk?Een onbewust verrichte morele daad kan voor de wereld van belang zijn omdat zij anderen helpt. Maar toch zal een zonder piëteit verrichte daad, ongeacht haar invloed op de levens van anderen, het leven van de dader onberoerd laten. Het ware doel van de mens is te zijn wat hij doet. De waarde van een godsdienst is de waarde van de individuen die hem leven. Daarom is een mitswa niet alleen maar handelen, maar een handeling die zowel de dader als de daad omvat. De middelen mogen tot de wereld der verschijnselen behoren, maar het doel is persoonlijk. Laten je daden zuiver zijn, zodat jij heilig zult zijn.
Een echte held is groter is dan zijn wapenfeiten en waarlijk een vroom mens is groter is dan zijn rituelen. De daad is begrensd, maar de taak is onbegrensd.
Het is een verdraaiing om te zeggen dat het jodendom uitsluitend bestaat uit het verrichten van rituele of morele daden en te vergeten dat het doel van alle handelingen het omvormen van de ziel is. Zelfs vóór dat aan Israël in de Tien Geboden was opgedragen wat te doen, was het volk opgedragen wat te zijn: een heilig volk. Het verrichten van geheiligde daden is het in zich opnemen van de heiligheid van daden. We moeten leren hoe één te zijn met wat we doen. Hiertoe bestaat naast de halacha, de wetenschap van daden, de agada, de kunst van het zijn.
30.5 DOEN OM TE ZIJN
De mens bestaat niet omwille van de goede daden; de goede daden bestaan terwille van de mens. Het jodendom vraagt meer dan inzet, meer dan het opus operatum. Het doel is niet dat een plechtigheid wordt verricht; het doel is dat de mens veranderd wordt, om de Heilige te aanbidden om heilig te zijn. Het doel van de mitswot is het heiligen van de mens.Hoe meer wij in zijn naam doen, hoe meer wij ontvangen in ons belang. Wat uiteindelijk het zwaarste weegt, is niet de draagwijdte daden, maar hun uitwerking op het leven van de ziel. ‘Hij die een mitswa doet, ontsteekt een lamp voor God en schenkt meer leven aan zijn ziel’8
De mens is meer dan wat hij doet. Geestelijk gesproken is wat hij doet een minimum van wat hij is. Daden zijn uitvloeisels, niet de essentie van de persoonlijkheid. Ze mogen het zelf weerspiegelen of zuiveren, maar ze blijven de werkingen, niet de werkelijkheid van het innerlijke leven. Het innerlijke leven is echter ons urgente probleem.
De Pentateuch bestaat uit vijf boeken (penta = vijf; teuchos = boekrol). De joodse godsdienstcodex, de Shulchan Aruch* bestaat maar uit vier boeken. Waar is het ontbrekende deel van de wet? Rabbi Israel van Roesjin antwoordde: het ontbrekende deel is de persoon. Zonder de levende deelneming van de persoon is de wet onvolledig.
De thora heeft geen hemelse glorie wanneer de mens zich afzijdig houdt. De bestemming van de mens is om een incarnatie, een belichaming van de thora te zijn.9 Het doel van de thora is, om in de mens, in zijn ziel en in zijn daden te aanwezig te zijn.
[*Houd hun ook deze regels voor, Ex. 21:1; ‘opgediend als een gerecht, klaar om gegeten te worden’.]
30.6 DE INWONING VAN GOD IN DADEN
Waar is de nabijheid, waar is de glorie van God te vinden? Zij wordt gevonden in de wereld (Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit), in de bijbel en in een geheiligde daad.Leggen alleen de hemelen een verklaring af van Gods eer? Het is van diepe betekenis dat Psalm 19 begint met de woorden De hemel verhaalt van Gods majesteit en eindigt met een loflied op de thora en op de mitswot: Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat.
De wereld, het woord net zo goed als de geheiligde daad, zijn vervuld van zijn majesteit. God wordt zowel directer, nabijer gevonden in de bijbel als in goede daden en aanbidding dan in de bergen en wouden. Het is zinvoller voor ons om te geloven in de inwoning van God in daden dan in de immanentie van God in de natuur. Het is inderdaad niet de eerste zorg van het jodendom hoe de nabijheid van God te vinden in de wereld van de dingen, maar hoe hem te betrekken in onze omgang met de dingen, hoe bij hem te zijn in de tijd, niet alleen in de ruimte. Daarom is de mitswa een onovertrefbare bron van religieus inzicht en religieuze ervaring. De weg naar God is een weg van God en een mitswa is een weg van God, een weg waarop de vanzelfsprekendheid van de Heilige wordt onthuld. We hebben weinig woorden, maar we weten hoe te leven in daden die God vertolken.
God is Eén en zijn majesteit is Eén. En eenheid betekent heelheid, ondeelbaarheid. Zijn glorie is niet deels hier en deels daar, zij is helemaal hier en helemaal daar. Maar hier en nu, in deze wereld, is de stralenkrans verborgen. Zij wordt geopenbaard in een geheiligde daad, in een geheiligd ogenblik, in een opofferende daad. Niemand die een mitswa doet is alleen, want een mitswa is waar God en mens elkaar ontmoeten.
We ontmoeten hem niet op de wijze waarop we ruimtelijke dingen ontmoeten. Hem te ontmoeten betekent door een innerlijke zekerheid van zijn werkelijkheid te worden bevangen en door een besef van zijn wil. Een dergelijke ontmoeting, zo’n nabijheid ervaren wij in daden.
30.7 AANWEZIG ZIJN
De nabijheid van God is een majestueus vooruitzicht om gevoeld en behouden te worden en om, wanneer verloren, herwonnen en hervat te worden. De tijd is de aanwezigheid van God in de wereld.1O Elk moment is zijn subtiele aankomst, en het is de taak van de mens om aanwezig te zijn. Zijn aanwezigheid wordt vastgehouden op momenten waarin God niet alleen is; waarin we proberen in zijn buurt te zijn, om hem te betrekken bij onze dagelijkse daden, waarin we onze gedachten smeden in de smederij van de eeuwigheid. De aanwezigheid is niet één gebied en de geheiligde daad een ander. De geheiligde daad is het goddelijke in vermomming.11Het is de bestemming van de mens om partner van God te zijn en een mitswa is een handeling waarin de mens aanwezig is, een méédoen. Zonde is echter een handeling waarin God alleen staat, een handeling van vervreemding.
Zulke handelingen waarin de mens het goddelijke naar buiten brengt, zijn handelingen van verlossing. Het is de zin van verlossing om het heilige dat verborgen is, te onthullen en om het goddelijke dat onderdrukt wordt, te tonen. Elk mens is geroepen om een verlosser te zijn en verlossing voltrekt zich elk ogenblik, elke dag.12
De betekenis van de joodse wet wordt duidelijk als zij wordt opgevat als een heilig samenspel van woorden en lettergrepen zoals in een gedicht. Het goddelijke zingt in onze goede daden, het goddelijke wordt onthuld in onze geheiligde daden. Onze moeite is slechts een contrapunt in de muziek van zijn wil. Als wij onze levens openstellen voor God, ontdekken we het goddelijke in onszelf en zijn overeenstemming met het goddelijke dat ons te boven gaat.
1 Bahya Ibn Paquda, The Duties of the Heart, ed. Haymson (New York 1925) dl i, p. 4.
2 Hachayim, ms. München, in Otsar Hasafrut, dl iii, p. 66.
3 Sifre op Deuteronomium 11:13.
4 Zie Paquda, The Duties of the Heart, ed. Haymson, dl i, p. 7.
4a Volgens Moed Katan, 9a, werd de Grote Verzoendag niet in acht genomen in het jaar waarin Salomo’s tempel werd ingewijd omdat het volk deelnam aan de vrolijke feestelijkheden van de inwijding van de tempel. Toen het volk zich ongerust maakte omdat het verzuimd had de heilige dag in acht te nemen, weerklonk een stem uit de hemel die aankondigde: ‘Jullie zijn allemaal bestemd voor het leven in de komende wereld.’
5 Mishnah Kiddushin, 4:14.
6 Berachot, 17a. In Yavneh was de beroemde academie voor de talmoedstudie gevestigd, die was opgericht door Rabban Yohanan ben Zakkai na de verwoesting van de tweede tempel in het jaar 70.
7 De talmoed veroordeelt de Farizeeër die zegt: ‘Wat is mijn plicht opdat ik hem kan doen?’ Sotah. 22b. ‘God is niet tevreden met daden die louter in gehoorzaamheid aan een gebod verricht zijn. Hij verlangt vooral dat het hart zuiver is en zich richt op het bereiken van ware verering. Het hart is koning en leidsman van de organen van het lichaam. Vandaar dat, wanneer het hart zichzelf er niet toe kan brengen om God te vereren, de verering door de andere leden van het lichaam slechts weinig waard kan zijn. Vandaar het vers: Mijn zoon, geef me je vertrouwen (Spreuken 23:26).’ M. H. Luzzatto, Mesillat Yesharim, ed. M. M. Kaplan, p. 140.
8 Exodus Rabba, 36, 3.
9 ‘De goddelijke thora zou het wezen zelf van de mens moeten worden, zodat een persoon zonder thora niet langer als mens beschouwd kan worden, net zo min als hij als mens beschouwd kan worden als hij dood is.’ Rabbi Moshe Almosnino, Tefillah Lemoshe, p. 11a.
10 A. J. Heschel, The Sabbath, p. 100.
11 ‘Shechinah is de mitswa.’ Tikkune Zohar, VI; zie Zohar, dl I, p. 21a.
12 Zie boven, pagina 74.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90