Deel 3 Antwoord

31 Kavanah


1    OPLETTENDHEID
Wat wordt bedoeld met de term kavanah? Als werkwoord lijkt de oorspronkelijke betekenis te zijn: recht worden, op een rij zetten, de weg wijzen. Daarna werd de betekenis: aandacht rich­ten, aandacht schenken, iets doen met een bedoeling, aanwijzingen geven. Het zelfstandig naamwoord kavanah betekent: aandacht, betekenis, bedoeling, motief, intentie.

Kavanah betekent dus in de eerste plaats wat gewoonlijk intentie of bedoeling wordt genoemd, namelijk de aandacht richten op het tot stand brengen van een specifieke handeling, het zich bewust zijn van wat wij doen, van de taak die we op ons genomen heb­ben. In deze betekenis is kavanah hetzelfde als oplettendheid.

Drukt oplettendheid alles uit wat het woord kavanah inhoudt? Betekent kavanah niets anders dan tegenwoordigheid van geest? Is het niet duidelijk dat een geheiligde daad verricht kan worden met volledige medewerking van de geest en dat hij toch weinig meer is dan een routinehandeling, een opdracht verricht om de klus te klaren? Bovendien, wanneer kavanah alleen een mentale houding zou zijn, zou het eenvoudig door een wending van de geest bereikt kunnen worden. Maar de vrome mensen in vroegere dagen meenden dat ze een uur moesten mediteren om de staat van kavanah te bereiken.1

Oplettendheid is een formeel concept, het vertolkt de richting, maar niet het doel van de geest. Maar waarop zouden we moeten letten bij het plaatsen van de mezuzah [Schrijf mijn woorden op de deurposten van uw huis; Deut. 11.20]  of bij het zeggen van een gebed? Op het fysieke aspect van de hande­ling: dat de mezuzah op de juiste plaats wordt aangebracht of dat de woorden uitgesproken worden in overeenstemming met de voorschrif­ten van Hebreeuwse klankleer?

Volgens een klassieke formulering betekent kavanah hebben ‘het hart richten op de Vader in de hemel’. Er wordt niet gezegd het hart richten op de ‘tekst’ of op de ‘inhoud van het gebed’.

Kavanah is dus meer dan aandacht geven aan de tekst van de li­turgie of aan de vervulling van de mitswa. Kavanah is oplettend­heid naar God: Het is eerder haar bedoeling om het hart te leiden dan de tong of de armen. Het is geen handeling van de geest die dient om een uiterlijke activiteit te leiden, maar een handeling met een waarde die in zichzelf besloten ligt.

31.2    APPRECIATIE
Mitswa betekent gebod. Bij het vervullen van een mitswa is onze eerste gedachte dat wij uitvoeren wat hij ons geboden heeft om te doen en het is een dergelijk besef dat onze handeling in de richting van het goddelijke plaatst. In deze betekenis is kavanah niet het besef dat ons geboden worden opgelegd, maar het besef van hem die gebiedt, niet van een last die wij dragen, maar van de Wil die we gedenken, het besef van God, meer dan het besef van een plicht. Zo’n besef is meer dan een geesteshouding. Het is een taxatie of waardering van de omstandigheid dat ons geboden worden opgelegd, van het leven in een verbond, van de kans om te handelen in overeenstemming met God.

Waardering is niet hetzelfde als bespiegeling. Het is een hou­ding van de hele persoon die wordt aangetrokken door de intrinsieke waarde van een object of van een situatie. Het voelen hoe waardevol het is om naar een gebod van God te kunnen luiste­ren; het gevoelig zijn voor de unieke waarde van het vervul­len van een mitswa, is het begin van een hogere kavanah.

Door zo’n waardering beseffen wij dat uitdrukking geven aan de wet, het geven van vorm aan een goddelijk thema is. Dat het onze taak is om in daden het goddelijke bekend te maken, om de geest in tastbare vormen uit te drukken. Want een mitswa is als een partituur en haar uitvoering is geen werktuiglijke pres­tatie maar een kunstzinnige handeling.

De muziek in een partituur staat alleen open als er al muziek in de ziel zit. Het is niet genoeg om de noten te spe­len, je moet zijn wat je speelt. Het is niet genoeg om de mitswa te doen, je moet leven wat je doet. Het doel is om toegang te krijgen tot de geheiligde daad. Maar de heiligheid in de mitswa openbaart zich alleen als je weet hoe je heiligheid in je eigen ziel kan ontdekken. Een mitswa te doen is één ding, te delen in haar inspiratie een ander. En om te delen moet je le­ren om door te geven, te schenken.

Beperking tot de werktuiglijke kant van de wetsnaleving maakt ongevoelig voor de kern van de taak. Als de geest niet levendig is, is de mitswa een huls. Niet de doden loven de HEER,  (Psalm 115:17). De mitswot verspreiden niet al­tijd hun eigen licht. Wanneer we ons innerlijk leven voor een mitswa openen, klinken gezangen op in onze zielen.

31.3    INTEGRATIE
De aanwezigheid van God vraagt meer dan tegenwoor­digheid van geest. Kavanah is oriëntatie op God en heeft de heroriëntatie van de hele persoon nodig. Het is het samenbrengen van de verspreide krachten binnen de persoonlijkheid, de deelname van hart en ziel, niet alleen van wil en geest. Het is een samengaan van de ziel met het thema van de mitswa.

Het is één ding om voor een zaak te staan en een ander om in een zaak te staan. Het is niet genoeg om je naaste te helpen: ‘Gij zult uw naaste liefhebben.’ Het is niet genoeg om je God lief te hebben; er wordt van je gevraagd Hem lief te hebben met hart en ziel (Deuteronomium 11:13). Het is niet genoeg om Hem lief te hebben: Heb... lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten (Deut. 6:5).

31.4    MEER DAN KAVANAH
Wat wij voornamelijk voelen is ons onvermogen om voldoende te voelen. Menselijke ontoereikendheid komt niet voort uit deemoed, het is de waarheid van het bestaan. Een mitswa is geen vervanging van het denken, of een uiting van kavanah. Een mitswa is een daad waarmee de draagwijd­te van ons denken en onze intentie wordt overstegen. Iemand die een boom plant rijst uit boven het niveau van zijn eigen bedoeling. Iemand die een mitswa doet, plant een boom in de goddelijke tuin van de eeuwigheid.

Met een geheiligde daad gaat een roep van de ziel gepaard, soms onduidelijk uitgesproken, die beter uitdrukt wat wij waarnemen en voelen dan woorden.

Gewoonlijk wordt een vroom mens afgeschilderd als een soort boekenwurm, een persoon die gedijt tussen de bladzijden van oude boeken en voor wie het leven met zijn verlangens, verdriet en spanningen slechts een voetnoot is bij een geleerd commentaar op de bijbel. In werkelijkheid is een religieuze als een sa­lamander, de legendarische vuurgeest die ontstaat uit een vuur van mirtenhout dat zeven jaren brandend wordt gehouden.

Godsdienst wordt geboren uit vuur, uit een vlam, waarin de onzuiverheden van de geest en de ziel wegsmelten. Godsdienst kan alleen door vuur gedijen. De HEER zei tegen Mozes... Ieder... moet een halve sjekel... voor de HEER betalen. (Exodus 30:13). Rabbi Meir zei: ‘De Heer toonde Mozes een munt van vuur, zeggende: Dit is wat zij zullen geven.’2 Een godsdienstig leven is een altaar. Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden, het mag niet doven. (Leviticus 6:6).

De mens kan niet leven zonder verheffende daden, zonder ogenblikken van beven en verering, zonder door grandeur te worden meegesleept. Weken en maanden kan hij zich beperken tot de routine van zinnige interesses, totdat het uur komt dat al zijn gewoontes bezwijken onder de druk. Gezond ver­stand zou kunnen bepalen om het leven binnen de grenzen van gemiddelde opvattingen te houden, maar veel in het leven is bestemd om in een heilige vlam op te branden, wil het niet verrotten in monsterlijke daden, in kwaadaardige gedach­tes. Om zijn behoefte aan roes te bevredigen is de mens bereid zich in manies te verlustigen, oorlogen te voeren en is hij bereid de stad Rome in brand te steken.

Wanneer godsdienst wordt opgelegd als een juk, als een dogma, als een angstgevoel, zal het eerder de menselijke geest geweld aandoen dan het te koesteren. Religie moet een altaar zijn waarop het vuur van de ziel ontbranden kan in heiligheid.3

 

31.5    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 31

1          Mishnah Berachot, 1, 5.

2          Tanhuma, ed. Buber, ter plaatse; Jerushalmi Shekalim, i, 46b.

3          Er bestaat een oude strijdvraag tussen joodse wetgeleerden, te weten of de aanwezigheid van kavanah - van de juiste oriëntatie op God bij het ver­vullen van zijn plicht - een onvoorwaardelijke vereiste is bij de vervulling van alle godsdienstige handelingen. Zo rees bij voorbeeld de vraag of iemand die toevallig de sjofar (ramshoorn) heeft horen blazen op de eerste dag van Tishri (nieuwjaarsdag) zonder aan het bijbelse gebod te denken, geacht kan worden aan de wet te hebben voldaan. De eerste dag van de zevende maand zullen de hoorns schallen. Vier die dag gezamenlijk als heilige dag; (Numeri 29:1).

Een klassiek precedent is te vinden in de offerdienst in de tempel. Volgens de wet moet de priester die op rituele wijze slacht dat doen met het gepaste oogmerk, bij voorbeeld in het besef dat hij het ritueel voltrekt om Gods wil, of in het besef dat hij handelt na­mens de eigenaar van het offer (de persoon wiens offer de priester brengt). Zie Mishnah Zebahim, 4, 6. Wanneer de dienstdoende priester echter de ceremonie heeft verricht met een ongepaste bedoeling (hij offerde het bij voorbeeld voor een andere persoon dan degene wiens offer het was), dan ontslaat het offer de eigenaar niet van zijn verplichting en moet de eigenaar opnieuw het offer brengen waartoe hij gehouden was. Zie Mishnah Zebahim, 1, 1. (Zelfs hoewel het eerste offer zijn oor­spronkelijke heiligheid behoudt en alle daaruit voortvloeiende riten voltrokken moeten worden.) Wordt het offer voltrokken met een be­paald soort van ongepaste bedoeling - zoals wanneer de priester handelt met de bedoeling om het offer te eten of te verbranden op het verkeer­de uur (piggul) - dan wordt het beschouwd als onrein, heiligschen­nend of zondig. Zie Mishnah Zebahim, 3b. Wanneer aan de andere kant de priester helemaal geen oogmerk koesterde (hij handelde zonder het doel van de verrichting voor ogen te hebben), dan ontslaat het offer de eigenaar van zijn verplichting, uitgaande van het beginsel: geen intentie wordt geacht een gepaste intentie te zijn (Zebahim, 2b). De ob­jectieve omstandigheden verwijzen naar het doel van de handeling. Het doel is impliciet aanwezig.

Samenvattend: aanwezigheid van de gepaste bedoeling is vereist voor de handeling; aanwezigheid van een ongepaste bedoeling maakt de handeling (in sommige gevallen) ongeldig; het ontbreken van een doel, gepast of ongepast, hoewel niet wenselijk, maakt de hande­ling niet ongeldig.

Een ander precedent. Er bestaat een regel dat een scheidingsbrief van het begin af aan uitdrukkelijk bestemd moet zijn geweest voor de vrouw die hem moet ontvangen. Wanneer dus een scheidingsbrief geschreven was zonder een naam te vermelden en de naam later was ingevoegd, dan is de brief ongeldig. Het beginsel is: de brief moet worden ge­schreven met een speciale bedoeling, het moet gedaan worden met het oog op de vrouw voor wie hij bestemd is. Anders dan in het geval van het offer maakt afwezigheid van een oogmerk in dit geval de han­deling ongeldig. De reden is: als in de scheidingsbrief geen naam is ver­meid, slaat hij uit zichzelf niet op een bepaalde vrouw, terwijl een offer impliciet in relatie staat tot de wil van God, om wiens wil het wordt gebracht, zelfs wanneer de priester dat niet duide­lijk voor ogen stond toen hij het bracht.

De vraag rijst of alle godsdienstige handelingen beschouwd moeten worden in overeenstemming met het offer of overeenkomstig de scheidingsbrief.

De rabbijnse autoriteiten zijn verdeeld over deze kwestie. Sommi­gen houden staande dat het gepaste oogmerk onvoorwaardelijk ver­eist is voor de vervulling van een gebod en dat religieuze hande­lingen herhaald moeten worden, wanneer ze zonder zo’n doel zijn uitgevoerd. Daarom werd het in latere tijden gewoonte om wanneer men op het punt stond een religieuze handeling te ver­richten, te verklaren: ‘Ik ben gereed en voorbereid om het goddelijke gebod van... te vervullen.’ Anderen houden staande dat, hoewel de gepaste intentie wenselijk is, de geldigheid van religieuze hande­lingen niet afhangt van de intentie waarmee ze verricht zijn. Alleen dan is de intentie onmisbaar wanneer de vervulling van een gebod bestaat uit een mondelinge handeling. Telkens wanneer de vervulling een uiterlijk waarneembare handeling inhoudt, is die handeling gel­dig, zelfs als er geen gepaste bedoeling achter zit. Zie Rabbenu Yonah, Berachot, 12a.

De laatste mening houdt echter niet in dat geen kavanah vereist zou zijn. Zij betekent alleen dat de daad zonder kavanah geacht wordt te zijn verricht met kavanah, want waar een bewuste intentie ontbrak, mag toch aangenomen worden dat de daad werd verricht voor zijn eigen, juiste doel. Hieruit volgt dat een daad verricht met een ongepaste intentie - in welk geval niet aangenomen kan worden dat het juiste doel werd nagestreefd - niet geldig is door het ontbreken van kavanah. Zie Engel, Athvan Deoraitha (Lemberg 1891) hfdst. 23.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90