Deel 3 Antwoord

34 De betekenis van wetsnaleving

 

34.1    OORSPRONG EN AANWEZIGHEID
Een serieus probleem is de betekenis van joodse naleving van de wet. De hedendaagse jood kan de weg van de onveranderlijke gehoorzaamheid niet aanvaarden als een snelle route naar het mysterie van de goddelijke wil. Zijn godsdienstige situatie is niet bevorderlijk voor een houding van verstandelijke of geestelijke overgave. Hij is niet bereid zijn vrijheid te offe­ren op het altaar van de trouw aan de geest van zijn voorvade­ren. Hij zal alleen reageren op een uiting waaruit blijkt, dat wat er van hem verwacht wordt vol betekenis is. Het voornaamste probleem is niet zijn onvermogen om de goddelijke oorsprong van de wet te be­grijpen. Het echte probleem is zijn onvermogen om de aanwezigheid van goddelijke betekenis in de vervulling van de wet aan te voelen.

DE BETEKENIS VAN RELIGIEUZE VOORSCHRIFTEN
Het is een klassiek onderwerp van joodse beschouwingen: wat zijn de redenen, de redelijke gronden voor joodse wetsnaleving?

De naleving van de voorschriften kan vanuit veel kanten beoordeeld worden. Sociologisch: draagt ze bij aan het welzijn van de samenleving of aan het voortbestaan van het volk? Esthetisch: verhoogt ze ons gevoel voor vorm en schoon­heid? Ethisch: helpt ze ons het goede te realiseren? En dogmatisch: naleving van de wet is de wil van God en een andere rechtvaardiging is overbodig. Omdat joodse wetsnaleving het complete bestaan omvat, zou een samenvattende methode haar belang voor alle hogere waarden aan het licht brengen en een ruim overzicht van haar betekenis geven.

Het jodendom is zowel betrokken bij het geluk van het individu als bij het overleven van het joodse volk en voor de verlossing van alle mensen en voor het geschieden van de wil van de ene God. Het beweert echter dat geluk afhangt van trouw aan God. Het unieke belang van het voortleven van het volk ligt in zijn hoedanigheid van partner in een verbond met God. De verlos­sing van alle mensen hangt af van hun dienstbaarheid aan zijn wil. Daar­om worden de enkeling, de gemeenschap en de hele mensheid beoordeeld vanuit het gezichtspunt van religieus inzicht en godsdienstige overtuiging. Zonder de diepgaande betekenis van andere gezichtspunten te minimaliseren zullen we het probleem van de bete­kenis van de wetsbetrachting analyseren vanuit het gezichts­punt dat we in de voorafgaande delen van dit boek ontwikkeld hebben en de vraag proberen te beantwoorden hoe deze naleving zich verhoudt tot religieus inzicht.

Zoals hierboven betoogd kunnen sommige fundamentele, theo­logische veronderstellingen van het jodendom niet volledig verant­woord worden met aan de menselijke rede ontleende argumenten. Het concept van de natuur van de mens als geschapen naar de ge­lijkenis van God, het concept van God en geschiedenis, van gebed en zelfs van ethiek staan op gespannen voet met de uitkomsten waar we eerlijkheidshalve na kritisch en analytisch onderzoek op zijn uitgekomen. Wat devotie van ons verlangt, is een mysterie dat de mens vervult met ontzag en stilte. In een technolo­gische samenleving, waarin godsdienst een functie wordt, is ook godsvrucht een middel ter bevrediging van menselijke noden. Wij moeten dus bijzonder voorzichtig zijn om religie niet beschouwen als een machine of een organisatie die naar eigen inzichten gerund kan worden.

Het probleem hoe als jood te leven kan niet worden opgelost door gezond verstand en algemene ervaring. De orde van joods leven is een geestelijke. Het heeft een eigen, geestelijke logica, die alleen begrepen kan worden wanneer haar grondregels worden nageleefd en naar waarde geschat. De betekenis kan beter worden begrepen in een persoonlijke weerklank dan in afstandelijke definities. Leven moet geestelijk verworven worden, niet alleen materieel. Het gevoel voor het wonder moeten we levend houden door daden van verwondering.

 

34.2    EEUWIGHEID, NIET NUTTIGHEID
Naar welke soort betekenis zijn wij op zoek? Betekenis op zich­zelf is niets. Betekenis maakt altijd deel uit van een systeem van betekenissen. De soort van betekenis die wij zoeken hangt af van het soort systeem dat wij kiezen. Het meest voorkomende systeem is dat van de psychologie. Een mitswa wordt als betekenis­vol beschouwd als vaststaat dat ze een persoonlijke behoefte kan bevredigen.

Maar de religieuze essentie ligt niet in de bevrediging van een menselijke behoefte. Zolang de mens godsdienst ziet als een bron van bevrediging van zijn eigen behoeften, dient hij niet God maar zichzelf.1 Zo’n soort bevrediging kan verkregen worden door beschaving, die overvloedige middelen verschaft om aan onze intellectuele begeerte te voldoen.

Inderdaad gaat onze meeste aandacht uit naar geschikte middeltjes, die gunstige omstandigheden bevorderen en het vermogen vergroot om de hulpbronnen van deze planeet te ex­ploiteren. Als onze filosofie een projectie zou zijn van het werkelijke gedrag van de mens, dan zouden we de waarde van de aarde moeten omschrijven als bron van grondstoffen voor onze industrie en de oceaan als visvijver. Maar zoals we hebben ge­zien is er meer dan één aspect van de natuur dat onze aandacht trekt. Wij vertrekken om de wereld te ontmoeten, niet alleen langs de weg van doelmatigheid, maar ook langs de weg van de ver­wondering. Langs de eerste weg verzamelen we zoveel mogelijk gegevens om te kunnen domineren. Langs de tweede verdiepen we onze waardering om te reageren. Macht is de taal van doel­matigheid, poëzie de taal van verwondering.

Bidden heeft niet de bedoeling om de kennis te vermeerderen. Van een ritueel wordt geen belangenbehartiging verwacht. Geheiligde daden heb­ben tot doel het leven in overeenstemming te brengen met ons gevoel voor het onuitsprekelijke. De mitswot zijn vormen om de waardering van het onuitsprekelijke in daden uit te drukken. Het zijn geestelijke uitingen waarin we zinspelen op wat het verstand te bo­ven gaat. Het zoeken naar redelijke verklaringen, het nauwkeu­rig onderzoeken van de mitswot door het gezonde ver­stand, is het uitdoven van hun innerlijke betekenis. Wat zou de waarde zijn van het bewijs dat het navolgen van de spijswetten de gezondheid helpt te bevorderen, dat het houden van de sabbat bevorderlijk is voor het geluk? Het is niet nuttigheid die wij zoeken in religie, maar eeuwigheid. De toetssteen voor religie is niet of het in overeenstemming is met ons gezonde verstand, maar of het verenigbaar is met ons gevoel voor het onuitsprekelijke. Het doel van religie is niet om behoeften die wij voelen te bevredi­gen, maar om in ons de behoefte te scheppen om doeleinden te dienen die anders niet bij ons zouden zijn opgekomen.

34.3    GEESTELIJKE BETEKENIS
De vraagstelling van ethiek is: wat is het ideaal of beginsel voor gedrag dat verstandelijk verdedigbaar is? Voor religie is de levensvraag: wat is het ideaal of beginsel voor leven, dat geestelijk verdedigbaar is? De gewettigde vraag over de vormen van joodse wetsnaleving luidt: zijn ze van geestelijke betekenis?

Wij moeten de mitswot dus niet waarderen naar de grootte van de rationele betekenis die wij wellicht in hun motief ontdekken. Religie ligt niet binnen maar buiten de grenzen van het louter verstandelijke. Het is geen religieuze taak om met het ver­stand te wedijveren, ook niet om een bron van bespiegelende denkbeelden te zijn, maar om ons te helpen waar het verstand te kort schiet. De betekenis moet worden begrepen op een wijze die overeenstemt met het gevoel voor het onzegbare. Waar concep­ten ontbreken, waar verstandelijk begrijpen stopt, krijgt wetsnaleving frequent betekenis. Haar doel is niet om hygiëne, geluk of de vitaliteit van de mens te dienen. De bedoeling is om heilig­heid toe te voegen aan zorg voor de gezondheid, grootsheid aan geluk, geest aan levenskracht.

Geestelijke betekenis is niet altijd helder. Doorzichtigheid is de eigenschap van glas, terwijl diamanten zich onderscheiden door lichtbreking en het spel van het kleurenspectrum.

Inderdaad, elke reden die we zouden kunnen aanvoeren voor onze trouw aan de joodse levenswijze, verwijst slechts naar een van zijn vele facetten. Het is minder nauwkeurig om te zeggen dat de mitswot betekenisvol zijn dan te zeggen dat ze ons leiden naar bronaders van opwellende betekenis, naar ervaringen, die vol zijn van een verborgen gloed van het heilige die plotseling in onze gedachtes opvlamt.

Zij die, om de joodse levenswijze te redden, zijn betekenis on­der de hamer brengen, verkopen hem ten slotte aan de laagste bieder. De hoogste waarden worden niet veel gevraagd en zijn onverkoop­baar op het marktplein. In het geestelijke leven lijken sommige ervaringen op een camera obscura, waar licht door moet binnen komen om een beeld op het gemoed te werpen, het beeld van onuitsprekelijke begrijpelijkheid. Aandrang om het heilige te verklaren en met het betrekkelijke en functionele te verbinden is als het aansteken van een kaars in de camera.

Godgeïnspireerde werken zijn als kunstwerken. Ze zijn functio­neel, ze dienen een doel, maar hun aard is intrinsiek, in zichzelf besloten . Een mitswa is de vereeuwiging van een inzicht of een handeling waarbij het voorbijgaande met het duurzame, het kortstondige met het eeuwige wordt samengebracht.

Wanneer inzichten van de enkeling aan anderen moeten wor­den overgebracht en een deel van het maatschappelijk leven moeten worden of zelfs wanneer ze doelmatig bewaard moeten worden voor eigen later verstaan, dienen ze de vorm van daden, van mitswot aan te nemen.

Godsdienst zonder mitswot is een ervaring zonder uitdruk­kingsvermogen, een gevoel van mysterie zonder het vermogen tot heiliging; een vraag zonder een antwoord, Zonder de thora hebben we alleen daden die dromen van God; met de thora heb­ben we mitswot die God in handelingen tot uitdrukking brengt.

Toen rabbi Jochanan ben Zakkai zijn leerlingen vroeg: ‘Wat is de slechtste eigenschap die een mens behoort te mijden?’ ant­woordde rabbi Simeon: ‘Iemand die leent en niet terugbetaalt. Het maakt geen verschil of je leent van een mens of van God.’2 Misschien is dit de kern van de menselijke ellende: te vergeten dat het leven ons zowel geschonken als toevertrouwd is.

 

34.4    EEN ANTWOORD AAN HET MYSTERIE
Hoe kan ik de HEER vergoeden wat hij voor mij heeft gedaan? Hoe te reageren op het mysterie dat ons omringt, het onuitsprekelijke dat een beroep op onze zielen doet? Dit is inderdaad het univer­sele onderwerp van religie. De wereld is vol wonderen. Wie zal reageren? Wie laat zich ermee in? Onze verering is geen antwoord. Hoe dieper we vereren, des te duidelijker besef­fen we de ontoereikendheid van alleen maar verering. Is het genoeg om te prijzen, het ophemelen van wat boven alle lof verheven is? Wat is de waarde van verering? Zwak zijn al onze liederen en lof­zangen. Als we maar alles wat we hebben, alles wat we zijn, kon­den weggeven. Het enige antwoord aan het onuitsprekelijke is een levensstijl die ermee te verenigen is.

Het menselijk leven is een punt waar gemoed en mysterie el­kaar ontmoeten. Daarom kan een mens niet alleen van brood leven en kan hij evenmin gedijen op mysterie. Zich overge­ven aan het mysterie is fatalisme, zich terugtrekken in de rede is solipsisme (solus=alleen; ipse=zelf). De mens wordt aangezet om in nauw contact te staan met wat het mysterie overstijgt. Het onuitsprekelijke in hem zoekt een weg naar wat het onuitsprekelijke overstijgt.

Aan Israël werd geleerd hoe hem aan te spreken die het mys­terie overstijgt. Voorbij de geest is mysterie, maar voorbij het mysterie is genade. Uit de duisternis klinkt een stem die onthult dat het uiteindelijke mysterie geen raadsel is, maar de God van genade. Dat de Schepper van het al de ‘Vader in de hemelen’ is. De uiteindelijke vraag werd een bepaald gebod. Een mitswa is waar gemoed en geheimenis samen worden gebracht om een beeld te scheppen van een attribuut van God. Een geheiligde daad is waar aarde en hemel elkaar ontmoeten.

De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven (Psalm 115:16). “Het is alsof een koning had bevo­len dat de burgers van Rome Syrië niet zouden bezoeken en omgekeerd. Aldus beval God, toen Hij de we­reld schiep: ‘De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft hij aan de mensen gegeven.’ Maar toen Hij op het punt stond de thora te geven, herriep Hij het eerste bevel en sprak: ‘Zij die beneden zijn zullen opstijgen tot hen die in den hoge zijn, terwijl zij die in den hoge zijn zullen afdalen naar hen die beneden zijn en Ik zal beginnen’, zoals er gezegd is, De HEER was op de top van de Sinaï neergedaald (Exodus 19:20) en verderop staat geschreven: De HEER zei tegen Mozes: ‘Kom naar mij toe’ (Ex. 24: 12).”3

Voor buitenstaanders zullen de mitswot wel lijken op hiëroglie­fen, duister, ongerijmd, ketenen van levenloos wetticisme. Voor hen die er niet naar streven om te delen in het weergaloze en alles overtreffende, kan wetsnaleving een treurige, akelige sleur worden. Voor hen die hun levens willen verbinden met het duurzame, zijn de mitswot een kunst, verheugend, veelzeggend, vol samengebal­de betekenis. Uw wetten zijn voor mij als liederen, zei de psalmist (119:54); voorschriften, huqim, duiden in de traditie op voorschriften waarvoor geen redenen te vinden zijn. In het jood­se gemoed zingt de handeling en de regelmaat van de vervulling is het ritme van de liederen. De dogma’s zijn toespelingen, aanduidingen, maar onze handelingen zijn defini­ties.

34.5    AVONTUREN VAN DE ZIEL
Verklaringen van de mitswot lijken op inzichten uit de kunst­kritiek. De uitleg kan nooit wedijveren met het creatieve werk van de kunstenaar. Bij religie is de rede als een slijpsteen die ijzer scherp maakt maar zelf niet kan snijden.

Er is maar één manier om de mitswot te waarderen: je moet de avonturen van je ziel verbinden met de gedachtes en daden van het eeuwige Israël en niet op eigen houtje de oorspron­kelijke en wezenlijke bedoelingen van de wet willen raden.

Verklaringen van de mitswot komen en gaan. Theorieën veran­deren met de stemming van het tijdsgewricht, maar het lied van de mitswot blijft klinken. Verklaringen zijn als vertalingen: zo­wel nuttig als ontoereikend. Een vertaler van de Ilias in het Duits merkte eens op: ‘Lieve lezer, leer Grieks en gooi mijn vertaling in het vuur’.4 Hetzelfde geldt voor het heilige: verklaringen zijn geen vervangers.

Het is kenmerkend dat de Hebreeuwse term voor de verkla­ring van de mitswot ta‘am, of t ‘ame hamitsvot is.5 Maar ta‘am bete­kent ook smaak of geur. Het is de geur die een mens opvangt als hij een mitswa doet die haar betekenis vertelt.

De werkelijke betekenis is niet te vinden in een gestold con­cept, bepaald en vastgesteld voor eens en altijd. De exclusieve geur, die de betekenis overbrengt, laat zich niet onder woorden brengen. Deze ontstaat met de vervulling van de mitswa en de waardering groeit met de ervaring.

Mitswot zijn niet alleen uitdrukkingen van voor eens en altijd gegeven betekenissen, maar manieren om telkens opnieuw een nieuwe betekenis op te roepen. Zij zijn meer handelingen van in­spiratie dan handelingen van volgzaamheid. Het zijn de liederen die onze verwondering uitdrukken.

34.6    ‘EEN LIED ELKE DAG’
Rabbi Jochanan zei: ‘Als iemand de Schrift leest zonder een me­lodie of de misjna herhaalt maar niet met de juiste toonhoogte, zegt de Schrift van hem: Ik gaf hun zelfs slechte wetten (Ezechiël 20:25)’.6 Een mitswa zonder melodie is zielloos; thora zonder melodieusheid is geestloos. Kavanah is de kunst om een daad te toonzetten op innerlijke muziek. Dien de HEER met vreugde, kom tot hem met jubelzang (Psalm 100:2). Door te zingen treden wij zijn tegenwoordigheid binnen.

Wat is een edele daad? Een hongerige ziel die zich verheft. Voor sommigen is de handeling nieuw en waardevol, hoewel haar betekenis deels hier, deels boven de sterren is. Voor ande­ren is het als het zich ontdoen van een last, verdriet en ontgoocheling achterlatend. De toets voor kavanah is de vreugde die ze op­roept, het geluk dat ze meebrengt. Verblijd het hart van uw dienaar, naar u verlang ik, Heer (Ps. 86:4). Je ziel te verheffen boven de ondergeschiktheid van kort­stondige betekenis, ontvangt werkelijk de zegen van de vreugde.

Wat we tot stand brengen is oneindig bescheiden en brengt ons maar iets dichter bij een ver verwijderd doel. Maar wat we pro­beren is groots: het verlenen van een geheiligde glans aan gewone daden. Wat is een mitswa? Een daad in de vorm van een gebed. Joodse wetsnaleving is een liturgie van daden.

Het is heiligschennis om te treuren als de taak roept en God is bij voorbaat dankbaar voor de dienst die wij hem zullen bewij­zen. Het resultaat van de geheiligde daad is de vreugde die de ziel ten toon spreidt. De psalmist (100:2) roept uit: Dien de HEER met vreugde. Zijn dienst en vreugde zijn één en hetzelfde.

Het vervullen van een mitswa is het ontdekken van zijn nabijheid zoals die voor mij bedoeld is en in zijn nabijheid is ‘volheid van vreugde’. Wat is vroomheid? ‘Een lied elke dag, een lied elke dag.’7 Elke morgen beginnen wij met een gebed: ‘0 Heer onze God wij smeken U om de woorden van uw thora zoet te maken in onze mond.’

Er is een fontein in een geheiligde daad. Ze speelt een eeuwige melodie voor de ziel die zijn eigen woestenij reinigt.

De daad en de beloning moeten samenkomen. ‘Wees niet als knechten die de meester dienen om een beloning te verkrijgen, maar wees als knechten die de meester dienen zonder een belo­ning te verwachten.’8 De beloning van een mitswa is eeuwigheid. Maar wees niet als degenen die verwachten dat eeuwigheid op de daad volgt: in het komende leven. Eeuwigheid is in de daad, in het doen.9 De beloning van een mitswa is de mitswa zelf.10

34.7    GEHEUGENSTEUNTJE
Zoals boven gezegd, de joodse levenswijze is een reactie op het voornaamste menselijk probleem, te weten: Hoe moet de mens, een wezen dat naar de gelijkenis Gods geschapen is, den­ken, voelen en handelen? Hoe kan je leven op een wijze die ver­enigbaar is met de nabijheid van God? Behalve als we ons het probleem realiseren, kunnen we het antwoord niet op waarde schatten.

Alle mitswot zijn middelen om het besef wakker te schudden dat we leven in de buurt van God, leven op heilige grond. Zij vragen onze aandacht voor het onopvallende mysterie van din­gen en handelingen en helpen ons herinneren dat wij rent­meesters en geen eigenaren van het universum zijn. Mitswot brengen ons in herinnering dat de mens niet in een geestelijke woestenij woont, dat elke handeling van de mens een ontmoeting is van het menselij­ke en het heilige.

Vóór alles drukken alle mitswot eerbied uit. Ze zijn aanwijzin­gen van ons besef van Gods eeuwige aanwezigheid, vierin­gen van zijn aanwezigheid in handelen. De zegenspreuken staan in de tegenwoordige tijd. Wij zeggen: ‘Gezegend Jij, Die schept... Die voortbrengt.’ Het zeggen van een zegenspreuk is zich bewust zijn van zijn voortdurende schepping.

Wat zijn alle profetische manieren van uitdrukken anders dan een uiting van Gods zorg om de mens en van zijn zorg om de ongeschonden toestand van de mens? Wat doen die woorden anders dan ons te herinneren aan Gods aandeel in het menselijk leven, aan de on­mogelijkheid om ons te verbergen? Niemand kan zich verstop­pen, niemand kan zich aan zijn blik onttrekken. Hij woont bij Israël te midden van alle onreinheid van het volk (Leviticus 16:16). Leven is geen persoonlijke aangelegenheid van de enkeling. Leven is wat de mens doet met Gods tijd, wat de mens doet met Gods we­reld.

34.8    HANDELEN ALS HERENIGING
Voor het alledaagse gemoed is een daad een poging van het zelf om wat buiten hem ligt uit te buiten. Voor de gelovige mens is een daad een ontmoeting van het menselijke en het heilige, van de mense­lijke wil en Gods wereld. Beide zijn gehouwen uit dezelfde rots en bestemd om deel uit te maken van één groot mozaïek.

Er is geen kloof tussen het geluk van de mens en de plannen van God. Het ontdekken dat die kloof niet bestaat, het ervaren van deze volmaakte gelijkenis, is de werkelijke beloning van het religieuze leven. God deelt in de vreugde van de mens als de mens openstaat voor Gods zorg. De bevrediging van een menselijke be­hoefte is een overgave aan een goddelijk doel.

De wereld wordt verscheurd door conflicten, door dwaasheid, door haat. Het is onze taak om te zuiveren, te verlichten, te her­stellen. Elke daad is of in strijd met, of een steun aan het streven naar verlossing. De mens is niet één met God, niet eens met zijn eigen ik. Onze taak is om eeuwigheid in de tijd te brengen, in de woestijn  vrij baan te maken, in de wilder­nis een weg te effenen voor God. Gelukkig wie bij u hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar u. (Ps. 84:6).

Wat is het motief van het joodse leven? Het is misschien het verlangen om overeenstemming tussen het zelf en Gods wil te verkrijgen, een gaan door woestenij richting de enige bloem op de verre bergtop. Het is alsof ik de enige mens op de aardbol was en dat ook God alleen was, wachtend op mij.

34.9    VERBONDENHEID MET HET HEILIGE
Voordat wij een mitswa doen, wordt er gebeden: ‘Gezegend Jij... Die ons geheiligd hebt met Zijn mitswot...’ De betekenis van een mitswa is haar kracht tot heiliging.

Wat is een geheiligde daad? Een ontmoeting met het heilige, een manier om met God in broederschap te leven. Een lichtstraal van heiligheid in de duisternis van godslasterlijkheid, het ontstaan van grotere liefde en de gave van een diepere gevoe­ligheid.

De mitswot zijn vormend. De ziel groeit door nobele daden. De ziel wordt verlicht door geheiligde handelingen. Het doel van alle mitswot is inderdaad zuivering van de mens.11 Ze zijn gege­ven ten behoeve van de mens: om hem te beschermen en te louteren, om hem te disciplineren en te inspireren. We louteren het eigen ik door het goddelijke te onthullen. God verbergt zich in de wereld en het is onze taak om het goddelijke uit onze daden naar voren te la­ten komen.

Opgemerkt is dat de twee laatste letters van het woord ‘mits­wah’ dezelfde zijn als de twee laatste van het Tetragrammaton, de Onuitsprekelijke naam, en dat zijn eerste twee letters verwis­selbaar zijn, in de alfabetische rangorde A-T, B-Sj, met de eer­ste twee letters van het Tetragrammaton, Een mitswa is de On­uitsprekelijke naam. Zijn naam is zowel verborgen als geopen­baard in onze daden.

Het doel van wetsnaleving is niet om uitdrukking te geven aan wat we voelen of wat we denken. Als wij uitdrukking geven aan een gedachte of een gevoel, dragen we onze zielenroerselen over aan woorden. Uitdrukkingen zijn symbolen, vervangende handelingen. Wij spreken en we nemen af­scheid van wat wij zeggen. Het doel van wetsnaleving is niet om uit te drukken maar om te zijn wat wij voelen of denken, om ons bestaan te verenigen met wat wij voelen of denken, om dichtbij de werkelijkheid te zijn die alle denken en voelen overstijgt in verbondenheid met het heilige.

34.10    DE VERVOERING VAN DADEN
Het doen van een mitswa is zichzelf overtreffen, verder te reiken dan eigen behoeften en de wereld verlichten. Maar waar moet het vuur vandaan komen om de wereld te verlichten? Telkens op­nieuw ontdekken wij hoe vaal, hoe flauw en hoe kortstondig het licht is dat van binnen in komt. Er is niet genoeg kracht in ons om onszelf te transcenderen, om onze daden te bezielen. De verrichte moeite is te zwak om boven de onbetekende opwellingen van het ego uit te stijgen.

Maar er is een vervoering van daden, lumineuze momenten waar­in wij door overweldigende daden boven onze eigen wil uit wor­den geheven; ogenblikken vol overvloeiende vreugde, vol diepe verrukking. Een dergelijke vervoering is een geschenk. Voor hem die er met hart en ziel naar streeft om zich aan God te geven en die daarin slaagt, voor zover hij daartoe bij machte is, openen zich de poorten van de grootheid en hij vermag te bereiken wat boven zijn macht gaat.12

Het geschenk van grootheid is niet voor hen die zich niet de moeite getroosten om hun kleinheid te vernietigen. De mitswa tovert geen heiligheid uit het niets, ze voegt slechts toe aan wat de mens bijdraagt. Wanneer ons verlangen slaapt en ons hart mat en tevreden is, zal niets de verwondering in ons kunnen ont­steken. We moeten vriendelijkheid geven om goedheid te ver­werven. We moeten het goede doen om het heilige te bereiken.

Het volgende is een illustratie van deze gedachte: ‘Een man plantte bomen, verzorgde hun wortels, maakte de grond vrij van doornen en onkruid, besproeide de bomen wanneer dat nodig was en gaf ze mest; dan bidt hij tot God dat de bomen vrucht mogen dragen. Maar als hij ze niet verzorgt, verdient hij niet dat de Schepper, Hij zij gezegend, hem vruchten van die bomen geeft’.13

De mitswa wordt vergeleken met een lamp (Want de lessen van je vader en je moeder zijn een lamp,

een licht dat je vermaant en de weg wijst naar het leven, Spreuken 6:23). Het doel van het ontsteken van een lamp ligt niet in de handeling zelf of de directe gevolgen, namelijk het gebruik van de olie en het branden van de pit. Het werkelijke doel is het voortbrengen van licht. Zo ligt het doel van een mitswa in haar betekenis, in het licht dat uit haar schijnt. De han­deling wordt verricht door de mens, maar het licht schijnt uit God.14 Elke mitswa voegt heiligheid toe aan Israël.15

De vonk van de mens kan versterkt en ontvlamd worden door een bliksemstraal van God. ‘Als een mens zich een beetje hei­ligt, wordt hij in hoge mate geheiligd. Als hij zich beneden hei­ligt, wordt hij geheiligd uit den hoge.’16 Heiligheid is niet uitslui­tend de vrucht van de ziel, maar het resultaat van momenten waarin God en ziel elkaar ontmoeten in het licht van een goede daad.

Religie is ons niet voor eens en altijd gegeven als iets om te bewaren in een kluis. Het moet voortdurend herschapen worden. Mitswot zijn vormen; vervullen van een mitswa betekent haar vullen met betekenis.

De psalmist bidt:

Laat hij u hulp sturen vanuit zijn heiligdom,
u bijstaan vanuit Sion.                                                
Psalm 20:3

Hulp komt uit de heiligheid. Maar waar is de heiligheid? Be­vindt zij zich ergens in de ruimte, in een hemelse sfeer? De rab­bijnen verklaarden het vers als volgt: ‘De Heer zende je hulp uit de heiligheid van de daden die je verricht hebt en ondersteune je uit Sion (mitsiyon), uit de daden waardoor jij je onderscheiden hebt; uit de heiliging van de naam, uit de heiliging van de daden die in je is.’17

De kostbaarheid die loyaliteit aan de mitswot verleent aan het leven van de enkeling en van de gemeenschap, kan niet helemaal onder woor­den worden gebracht. Joodse wetsnaleving geeft ons zuiverheid en wat meer is: mededogen. Zij geeft ons gezondheid en wat meer is: heiligheid. Zij geeft ons kracht en wat meer is: een in­nerlijke wereld. Een wereld die vaak beklagenswaardig en ontstellend is, wordt vriendelijk en betoverend.

 

34.11    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 34

I           Zie Man is Not Alone, pp. 232 e.v.

2          Abot, 2, 14.

3          Exodus Rabba, 12, 3; Tanhuma op Exodus 9:22. [Toen zei de HEER tegen Mozes: ‘Strek je arm uit naar de hemel, dan gaat het in heel Egypte hagelen, op mensen, dieren en planten.’]

4          Friedrich Leopold von Stollberg, geciteerd door Franz Rosenzweig, Jehuda Halevi, p. 153.

5          Voor een overzicht van dergelijke pogingen, zie Isaac Heinemann, Ta‘ame Hamitsvot Besafrut !srael (Jeruzalem 1942).

6          Megillah, 32a.

7          Vergelijk rabbi Akiba’s verklaring in Sanhedrin, 99b.

8          Abot, 1,3.

9          Rabbi Nahum van Tsjernobil, Meor ‘Ainayim.

10        Abot, 4, 2.

11        Genesis Rabba, 44.

12        Bahya; dl IV, p. 91.

13        Bahya, dl IV, pp. 91-92.

14        Albo, Ikkarim, iii, 28.

15        Zie Mekilta op 22:30; Sifre op Numeri 15:40.

16        Yoma, 39a.

17        Leviticus Rabba, 24, 4.

 

 

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90