35.1 DE BETEKENIS VAN MITSWA
Als de frequentie en de intensiteit waarmee een woord gebruikt wordt een maatstaf is voor de mentaliteit van een volk, dan is het woord mitswa van het allergrootste belang. De rol van het woord mitswa zowel in het Hebreeuws als in het Jiddisch is vrijwel zonder weerga. Zoals verlossing het centrale concept is in de christelijke beleving, zo is mitswa het brandpunt van het joodse religieuze gevoel. Het is, na thora, de fundamentele term van het jodendom en dient als verzamelnaam voor positieve én negatieve regels, voor zowel richtlijnen als beperkingen.Een omschrijving of verduidelijking van het woord mitswa is moeilijk te geven. In andere talen bestaan afzonderlijke woorden voor de verschillende betekenissen die in het Hebreeuws worden weergegeven door het enkele woord mitswa. Het duidt niet alleen gebod aan, maar ook de wet, de verplichting van de mens om de wet te vervullen en de handeling ter vervulling van de verplichting of de daad, in het bijzonder een handeling van liefdadigheid of naastenliefde.
De betekenissen variëren van de handelingen door de hogepriester verricht in de tempel tot het kleine bescheiden gebaar van vriendelijkheid tegenover de naaste, van uiterlijke handelingen tot innerlijke houding, zowel in relatie tot anderen als tot zichzelf. Het wordt vaak gebruikt in de ruime zin van religie of religieus.1 Het omvat alle niveaus van menselijk en geestelijk leven. Elke handeling, verricht in overeenstemming met de wil van God, is een mitswa.2
Maar de betekenis van het woord mitswa is nóg ruimer. Naast de betekenissen die het aanduidt – namelijk gebod, wet, plicht en daad - duidt het ook de talrijke kenmerken aan die meeklinken bij de hoofdbetekenissen. Het heeft de bijbetekenis van goedheid, waarde, deugd, verdienste, vroomheid en zelfs heiligheid. Hoewel het dus mogelijk is om te spreken van een goede, deugdzame, waardevolle, verdienstelijke, vrome of heilige daad, is het dubbelop om te spreken van een goede, verdienstelijke, vrome of heilige mitswa.
Het Hebreeuws spreekt we van een mitswa alsof deze begiftigd is met waarneembare eigenschappen, alsof het een werkelijk bestaand ding is. Het klinkt door in de uitdrukkingen ‘zich mitswot toe-eigenen’, ‘mitswot verkrijgen’, ‘mitswot nastreven’, ‘tot de rand gevuld zijn met mitswot’.3 ‘Zelfs onwetende mensen zijn geheel gevuld met mitswot als een granaatappel’ (geheel gevuld is met zaden).4 ‘Versier jezelf met mitswot voor Hem.’5 Elke mitswa roept ‘een goede engel in het leven’. Mitswot zijn ‘vrienden van de mens’.6 Mitswot zijn werkelijk ‘nakomelingen’, zijn verdedigers in de komende wereld,7 zijn gewaden, zijn gedaante. Zonder mitswot is een mens naakt.8 Door het unieke concept van de mitswa als een bijna concreet ding is het moeilijk om een gelijkwaardige term in andere talen te vinden. Drie vertalingen van het vers Spreuken 10:8 verduidelijken dit. Het zegt; ‘De wijze van hartyikah mitswot.’ De twee Hebreeuwse woorden zijn vertaald in de King Jamesbijbel ‘zal geboden ontvangen’ (The wise in heart will receive commandments), in Moffat ‘onderwerpt zich aan het gezag’, in de Amerikaanse vertaling ‘gehoorzaamt de wetten’, in de Revised Standard Version ‘zal acht slaan op de geboden’. De rabbijnen behielden het gevoel voor het concrete en namen als betekenis aan, ‘de wijze van hart zal mitswot verkrijgen’. [Statenbijbel, Luther en de Leidse vertaling: ...neemt de geboden aan; Willibrord: Wie wijs is van hart aanvaardt geboden; NBV: Een wijze doet wat hem geboden wordt.]
Het grondwoord van het joodse leven is dus meer mitswa dan wet (din). De wet dient ons als bron van kennis over wat wel of niet als een mitswa moet worden beschouwd. De handeling zelf, wat een mens met die kennis doet, wordt niet alleen bepaald door wat de wet voorschrijft, maar ook door wat de wet niet kan afdwingen, de vrijheid van het hart.
De hoogste waardigheid van mitswa heeft zodanige geestelijke kracht dat de voorrang verwierf boven haar tegenovergestelde, namelijk zonde of averah. Zelfs de zonde van Adam werd beschreven als het verlies van een mitswa. Na de verboden vrucht, zo vertelt men ons, werden hun ogen geopend en merkten ze dat ze naakt waren (Genesis 3:7). ‘Eén mitswa was hun toevertrouwd en die hadden zij afgelegd.’9
Voor het joodse gevoel is mitswa werkelijker en wordt het als woord vaker en nadrukkelijker gebruikt dan averah. In de christelijke woordenschat is het voorkomen en het gewicht van de twee woorden juist andersom. Het christendom heeft het idee mitswa niet overgenomen en er is, zoals wij gezien hebben, geen nauwkeurig gelijkwaardig woord in de westerse talen. Aan de andere kant heeft het woord ‘zonde’ de bijsmaak gekregen van iets stoffelijks, een betekenis die averah niet heeft.
Het leven draait om de goede en de verkeerde daad, maar we zijn geoefend om ons meer bewust te zijn van mitswa dan van avera of zonde.10
In het Jiddisch, waarvan het taaleigen veelzeggend is voor de joodse denkwijze, betekent het doen van een mitswa een geestelijke winst behalen. Gib mir a gloss vasser vest hobn in mir a misval betekent: geef mij een glas water, je zult een geestelijke winst behalen. Een averah begaan betekent verspillen, zinloos verbruiken. Du redst tsu a toybn s‘iz an aveyre (averah) di reid betekent dat je spreekt tegen een dove - je verspilt woorden.
35.2 ‘WANT WIJ HEBBEN GEZONDIGD’
Beide polen, mitswa en zonde, zijn werkelijk. We hebben geleerd om mitswabewust en aandachtig aanwezig te zijn in het hier en nu, om de voortdurende mogelijkheid om goed te doen voor ogen te houden. Ons is ook geleerd om zondebewust te zijn met betrekking tot het verleden, om onze mislukkingen en overtredingen te beseffen en te onthouden. De macht van mitswa én zonde moet volledig begrepen worden. De exclusieve vrees voor zonde kan leiden tot een afkeuring van de werken. De exclusieve waardering voor mitswa kan leiden tot eigendunk. Het eerste kan resulteren in een ontkenning van het belang van de geschiedenis door een overdreven eschatologische visie. Het tweede op een ontkenning van messianisme in een werelds optimisme. Voor beide afwijkingen waarschuwt het jodendom keer op keer.Van twee dingen moeten we ons aldoor bewust zijn: God en onze zonden (Psalm 16:8; 51:5). Drie maal per dag bidden wij: Vergeef ons, onze Vader, want wij hebben gezondigd; vergeef ons, onze Koning, want wij hebben een overtreding begaan. Volgens een talmoedisch gezegde wordt elke ziel vlak voor zijn geboorte in deze wereld gewaarschuwd: “Wees rechtvaardig en wees nooit slecht; en zelfs als de hele wereld je zegt: ‘Je bent rechtvaardig,’ beschouw jezelf als slecht.”11 Inderdaad: Wie zou kunnen zeggen: ‘Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben vrij van zonden’? (Spreuken 20:9).
De zondenlast is licht voor hen die vergeetachtig zijn. Hij was niet licht voor hem die zei: Uit de diepte roep ik tot u, HEER... Als u de zonden blijft gedenken, HEER, Heer, wie houdt dan stand? (Ps. 130:1, 3).
Twee maal per dag zullen jullie herinnerd worden aan alle geboden van de HEER, zodat jullie die naleven en mij niet ontrouw worden door de begeerten van je hart en je ogen te volgen (Numeri 15:39). Het huis Israël zegt: ‘Onze misdaden en onze zonden worden ons aangerekend en wij gaan eraan te gronde – hoe kunnen we dan nog blijven leven?’ (Ezechiël 33:10). Inderdaad “zijn we niet zo aanmatigend of zo verhard om voor Jou, O Heer onze God en God van onze vaderen, te zeggen: ‘Wij zijn rechtvaardig en hebben niet gezondigd’; waarlijk, wij hebben gezondigd’ (de liturgie van de Grote Verzoendag).
35.3 ‘DE KWADE IMPULS’
Wij falen en zondigen niet alleen in onze daden. Wij falen en zondigen ook in ons hart. Kwaadheid in het hart is de bron van kwaadheid in daden. De afgunst van Kaïn, de hebzucht van de generatie van de zondvloed, de trots van de bouwers van de toren van Babel, brachten ellende over de mensheid. ‘Afgunst, hebzucht en trots verwoesten het leven van een mens.’12 Inderdaad, dit is de diagnose van de menselijke situatie: De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren: alles wat ze uitdachten was steeds even slecht. (Genesis 6:5).‘De slechtheid van mensen’ verwijst wellicht naar zondige daden, maar de kern van de diagnose, herhaald in Genesis 8:21, dat verwijst naar het hart van de mens dat immers van jongs af geneigd is tot het kwade. De enige van de Tien Geboden die herhaald wordt en waarmede zij besluiten is: Gij zult niet begeren.
Dagelijks bidden wij: Mijn God. de ziel die Jij mij gegeven hebt, is zuiver. Wat moeten wij doen om haar zuiver te houden? Hoe moeten we onze integriteit bewaren in een wereld waar macht, succes en geld hoger aangeslagen worden dan al het andere? Hoe moeten we ‘jaloezie, hebzucht en trots’ in bedwang houden? ‘Jij hebt mij een heilige ziel gegeven, maar door mijn daden heb ik haar bevuild,’ riep Ibn Gabirol uit.13
De ziel die we ontvangen is schoon, maar in haar woont een kracht ten kwade, ‘een vreemde god’,14 ‘die voortdurend probeert de overhand te krijgen en de mens te doden. Als God de ziel niet hielp, zou hij hem niet kunnen weerstaan, zoals er gezegd is, de goddeloze loert op de rechtvaardige en zoekt hem op om te doden’.15 ‘Terwijl mensen een sterk verlangen hebben om boze plannen te verwezenlijken, zijn ze achteloos in hun bezigheid naar wat hoogwaardig is. Ze zijn traag in het zoeken van het goede maar flirten op frivole paden van plezier. Als een hebzuchtig visioen opdoemt en naar hen lonkt, verzinnen zij onwaarheden zodat zij zich eraan kunnen overgeven. Ze verdedigen kunstmatige redeneringen om hun ontaarding goed te praten, hun zwakte als kracht voor te stellen en hun ongedisciplineerdheid als standvastig en robuust. Maar als de lamp van de waarheid uitnodigend voor hen schijnt, verzinnen zij loze uitvluchten om zich niet tot dat licht te hoeven keren. Zij argumenteren ertegen, verklaren haar richting misleidend en weerspreken haar beweringen om ze onsamenhangend te laten lijken en zo een excuus te hebben om bij haar uit de buurt te blijven.’16
“De Heilige, Hij zij geprezen, zegt tot de ziel: ‘Alles wat Ik in de zes dagen van de schepping geschapen heb, heb Ik alleen met het oog op jou geschapen en jij gaat heen en zondigt!’”17 ‘Zie, Ik ben puur, Mijn verblijf is puur, Mijn dienaren zijn puur en de ziel die Ik je gegeven heb is puur; als je haar aan Mij teruggeeft zoals Ik je haar gegeven heb, zal het goed zijn, maar zo niet, dan zal Ik haar wegwerpen.’18
35.4 ‘ER IS SLECHTS ÉÉN SCHREDE’
De nadruk op het gevoel van de mitswa mag op geen enkele manier onze oplettendheid laten verslappen voor het feit dat we altijd klaarstaan om hem te verraden, dat wij blootgesteld zijn aan zonde, zelfs als wij een rechtvaardige handeling aan het verrichten zijn. ‘Wees niet zeker van jezelf tot de dag van je dood,’ zei Hillel.19 Ons is geleerd dat een mens elke dag van zijn leven doortrokken kan zijn met de geest van het heilige, maar dat één ogenblik van onachtzaamheid genoeg is om hem in de afgrond te storten. ...Ik ben maar één stap van de dood verwijderd (1 Samuel 20:3).Het leven wordt geleefd op een geestelijk slagveld. Voortdurend moet de mens worstelen met ‘de boze impuls’, ‘want de mens is als een koord, waar God aan trekt aan het ene einde en Satan aan het andere’. ‘Wee mij wegens mijn yotser (Schepper), wee mij wegens mijn yetser (boze impuls)’, zegt een talmoedisch epigram.20 Als een mens toegeeft aan zijn lagere drijfveren, is hij verantwoordelijk tegenover zijn Schepper. Als hij zijn Schepper gehoorzaamt, wordt hij door zondige gedachten gekweld.
1 Devar misval staat tegenover devar reshut. Vergelijk Shabbat, 25b: ‘Geen plicht, noch een mitswa maar een godsdienstig neutrale handeling.’
2 Rabbi Nahman van Bratzlaw, Likkute Maharan, II, 5, 10.
3 Sanhedrin, 17a.
4 Sanhedrin, 37a.
5 Shabbat, 133b.
6 Pirke de Rabbi Eliëzer, hfdst. 34.
7 Avoda Zara, 2a.
8 Genesis Rabba, 3, 7.
9 Genesis Rabba, 19, 17.
10 Kenmerkend is de uitdrukking ‘overvloeiend van mitswot’; zie hier boven noot 4.
[Een God welgevallige daad wordt ‘dat is een grote mitswe’ genoemd; iemand een plezier doen: ‘doe mij een mitswe’; een verlossende dood, na langdurig lijden, is een ‘mitswetaud’. Zie H. Beem, Sje-eriet; woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch (Assen 1967).]
11 Niddah, 30b.
[Steeds houd ik de HEER voor ogen, met hem aan mijn zijde wankel ik niet (Psalm 16:8); Ik ken mijn wandaden, ik ben mij steeds van mijn zonden bewust (Psalm 51:5).]
12 Abot, 4, 28.
13 Selected Religious Poems, p. 113.
14 Shabbat, 105b.
15 Sukkah, 52b.
16 Bachja ibn Pakoeda, The Duties of the Heart, dl I, p. 14.
[De filosoof Bachja ibn Pakoeda (tweede helft elfde eeuw, Spanje) hield zich vooral bezig met religieuze ethiek. Zijn boek Chowot ha lewawot (‘De plichten des harten’) is oorspronkelijk in het Arabisch geschreven en later vertaald in het Hebreeuws en bevat de eerste systematische uiteenzetting over joodse ethiek.]
17 Leviticus Rabba, 4, 2.
18 Leviticus Rabba, 18, 1; zie Niddah, 30b; Baba Metsia, 107a.
19 Abot, 2, 5.
[Hillel was de grootste en meest invloedrijke leraar uit de tijd vóór de verwoesting van de Tweede Tempel in het jaar 70. Hillel stierf waarschijnlijk rond het jaar 10.]
20 Berachot, 61a, zie Rashi; Erubin, 18a.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90