Deel 3 Antwoord

36 Het probleem van het kwade

 

36.1    EEN PALEIS IN VLAMMEN
Aan sommigen dringt de uiteindelijke vraag zich op in ogen­blikken van verwondering, op momenten van blijdschap. Bij anderen dringt de uiteindelijke vraag zich op in ogenblikken van verschrikking, op momenten van wanhoop. Het is zowel de grootsheid als de misère van het leven die mensen voor de ultieme vraag gevoelig maakt. Inderdaad, zijn ellende is even groot als zijn grandeur.

Hoe kwam Abraham tot de zekerheid dat er een God is die de wereld ter harte gaat? Rabbi Isaac zei: Abraham kan “verge­leken worden met een mens, die van plaats tot plaats reisde en toen een paleis in vlammen zag. Is het mogelijk dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor dit paleis? vroeg hij zich af. Totdat de eigenaar van het paleis hem aankeek en zei: ‘Ik ben de ei­genaar van het paleis.’ Op dezelfde wijze vroeg Abraham, onze vader, zich af: ‘Is het denkbaar dat de wereld geen leidsman heeft?’ De Heilige, Hij zij geprezen, keek hem aan en zei: ‘Ik ben de leidsman, de Soeverein van de wereld.’”.1

De wereld staat in vlammen, zij wordt verteerd door het kwade. Is het mogelijk dat er niemand is die zich verantwoordelijk voelt?

36.2    ‘IN DE MACHT VAN DE BOOSDOENERS’
Had de bijbelse mens geen besef van het vreselijke ru­moer van de wereldgeschiedenis, of van de gruwelijke wreedheid van de mens, zoals veel theologen consequent beweerd hebben? Zorgvuldig onderzoek steunt zo’n opvatting niet echt.2 Met uitzondering van het eerste hoofdstuk van Genesis houdt de bijbel niet op met het wijzen op verdriet, zonden en het kwade in deze wereld. Wanneer de profeten de wereld bekij­ken, dan zien zij verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal (Jesaja 8:22). Bekijken zij het land, dan zien zij het boeten voor zijn schuld tegenover de Heilige van Israël (Jeremia 51:5). Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen en luistert u niet, moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen en brengt u geen redding? Waarom toont u mij dit onheil en ziet u zelf de ellende aan? Ik zie slechts verwoesting en geweld, opkomende twist en groeiende tweedracht. De wet wordt ondermijnd, het recht krijgt niet langer zijn loop, de wettelozen verdringen de rechtvaardigen, het recht wordt verdraaid (Habakuk 1:2­-4). Dit is een wereld waarin boosdoeners in voorspoed leven, en trouwelozen rust genieten (Jer. 12:1). Een wereld die het sommigen mogelijk maakte om te beweren dat ‘Iedereen die kwaad doet, doet wat goed is in de ogen van de HEER, zulke mensen bevallen hem.’ Of: ‘Waar is nu de God die rechtspreekt?’ (Maleachi 2:17).

De psalmist vond het geen gelukkige wereld toen hij bad: God, houd u niet stil, zwijg niet, God, zie niet onbewogen toe, uw vijanden roeren zich, trots heffen uw haters het hoofd (Psalm 83:2-3).

De verschrikking en de zielenleed die de psalmist overkwa­men, werden niet veroorzaakt door natuurrampen, maar door de kwaadaardigheid van de mens, door het kwaad in de geschie­denis.

 

Vrees en beven grijpen mij aan,

ik huiver over heel mijn lichaam.

Had ik maar vleugels als een duif,

ik zou opvliegen en neerstrijken.                                  Psalm 55:6-7

Er is één regel die de stemming van de joodse mens door de eeu­wen heen weergeeft: De aarde wordt gegeven aan de goddelozen (Job 9:24).

Hoe ziet de wereld eruit in Gods oog? Wordt ons ooit gezegd: de Heer zag dat de rechtvaardigheid van de mens groot was op de aarde? Dat hij blij was dat hij de mens op de aarde gemaakt had? De algemene teneur van de bijbelse kijk op de geschiedenis ligt vast na de eerste tien generaties: De HEER zag dat alle mensen op aarde slecht waren... Hij kreeg er spijt van dat hij mensen had gemaakt en voelde zich diep gekwetst (Genesis 6:5-6). Alles wat de mens uitdenkt is nu eenmaal slecht (8:21). Eén grote kreet weerklinkt door de hele bijbel: de kwaadaardigheid van de mensen is groot op de aarde.

De ervaring van de gemakkelijke en ontelbare gunstige gelegenheden om kwaad te doen en het besef van dit vreselijke gevaar dreigen alle levensvreugde te verstikken. De reactie op dat gevaar is óf wanhoop, óf de vraag: God, waar ben je? ‘Waar is nu de God die rechtspreekt?’ (Maleachi 2:17).3

Deze wezenlijk gevaarlijke toestand van de mens dringt zich op in onze tijd, waarin we leven in een beschaving waar vernietigingskampen werden gebouwd en waar zeep werd gemaakt van menselijk vlees. Wat hebben wij gedaan om zulke misdrijven mogelijk te maken? Wat doen wij om zulke misdrijven onmoge­lijk te maken?

De moderne mens kan worden gekarakteriseerd als ongevoelig voor catastrofes. Als een slachtoffer van afge­dwongen ontmenselijking, wiens gevoeligheid steeds verder achteruit gaat; zijn gevoel van afgrijzen is aan het afnemen. Het onderscheid tussen recht en onrecht vervaagt. Het enige wat overblijft is de vervulling van afschuw over het verlies van ons gevoel van afgrijzen.

36.3    DE VERWARRING VAN GOED EN KWAAD
Nog frustrerender dan het feit dat het kwaad werkelijk, mach­tig en verleidelijk is, is dat het zo goed gedijt in de vermom­ming van het goede, dat het zijn voeding kan onttrekken aan het leven van het heilige. Het lijkt erop dat in deze wereld het heilige en het onheilige niet afzonderlijk bestaan, maar vermengd zijn, verwant en door elkaar gehaald. Het is een wereld waar idolen rijk aan schoonheid kunnen zijn en waar de aanbidding van God een slechte ondertoon kan hebben.

Het was niet het gemis aan godsdienst, maar ontaarding ervan die de profeten van Israël aan de kaak stelden. Hoeveel altaren heeft Efraïm niet gebouwd – maar om te zondigen! Altaren die dienen om te zondigen! (Hosea 8:11). De priesters zeiden niet: ‘Waar is de HEER?’ De hoeders van de wetten kenden mij niet (Jeremia 2:8). Hoe groter de mens, des te meer is hij blootgesteld aan de zonde.4 Soms is vroomheid het kwade in vermomming, een stuk gereedschap bij het najagen van macht. ‘De tragedies in de geschie­denis van de mensheid, de wreedheden en het fanatisme zijn niet veroorzaakt door misdadigers... maar door goede mensen... door idealisten, die het vreemde mengsel van eigenbelang en idealen, dat in alle menselijke motieven een rol speelt, niet begrepen.’ De grote strijd is niet ‘tussen godvrezende gelovi­gen en onrechtvaardige ongelovigen’. De bijbelse godsdienst heeft de nadruk gelegd op ‘de ongelijkheid van schuld en wel evenveel als op de gelijkheid van zonde’. ‘Bijzonder zware von­nissen worden geveld over de rijken en de machtigen, de invloedrijken en de elite, de wijzen en de rechtvaardigen.’5 Inder­daad is het de meest weerzinwekkende manifestatie van het kwaad als zij optreedt in de vermomming van het goede. ‘Tot het plegen van zulke monsterachtig boosaardige daden kon de gods­dienst de mens aanzetten’ (Lucretius).6

Ezechiël (1:4) zag in zijn grote visioen een stormwind, komend uit het noorden, een grote gloeiende wolkenmassa, een vuur van bliksemflitsen en omgeven door een glans (‘nogah’). Hij aanschouwde eerst de machten van onheiligheid. Een stormwind stelt ‘de macht van vernietiging’ voor, ‘hij wordt zwaar genoemd vanwege zijn duis­ternis, die zo intens is dat hij al de bronnen van licht verbergt en onzichtbaar maakt, zodat hij de hele wereld verduistert [uit een zware wolk, omgeven door een lichtgloed, GNB ’96]. Het vuur van bliksemflitsen duidt op het vuur van strenge oordelen, die nimmer van haar wijken. Omgeven door een glans (nogah)... betekent dat, hoewel het hier gaat om het domein van ontwijding, het toch omgeven wordt met helderheid... het heeft een aspect van heiligheid en moet daarom niet met minachting behandeld wor­den, maar zou een plaats moeten krijgen naast de heiligheid.’7 Dus is er een heilige vonk van God, zelfs in de duistere uithoe­ken van het kwade. Zonder die vonk zou het kwaad zijn macht en werkelijkheid kwijtraken en haar belang verliezen. Zelfs Satan heeft een greintje heiligheid. Bij het doen van zijn verfoeilijke werk als verlei­der van de mens is het zijn intentie om op te treden ‘omwille van de hemel’, want hij werd geschapen met de bedoeling om de mens te verleiden.

De grote heilige, rabbi Hirsch van Zydaczów, merkte eens op tegen zijn leerling en neef: Zelfs nadat ik de leeftijd van veertig bereikt had - ‘jaren des onderscheids’ - wist ik niet zeker of mijn leven niet ondergedompeld was in de modder van de verwarring van goed en kwaad (nogah). ...Mijn zoon, elk moment van mijn leven ben ik bang dat ik alsnog in die verwarring verstrikt zal ra­ken.8

De verschrikkelijke verwarring, het feit dat er niets in deze we­reld is dat geen mengsel van goed en kwaad is, van heilig en onheilig, van zilver en schuim, is volgens de joodse mystiek het centrale probleem van de geschiedenis en het uiteindelijke doel van de verlossing. De verwarring gaat terug tot het scheppings­werk zelf.

‘Toen God kwam om de wereld te scheppen, om te openbaren wat verborgen was in de dieptes en licht te onthullen uit de duisternis, waren ze allen in elkaar gewikkeld en daarom scheen licht uit de duisternis en uit het ondoordringbare kwam het diep­zinnige voort. Op dezelfde wijze komt goed uit kwaad voort en uit mededogen oordeel en alle zijn verweven, de goede impuls en de kwade...’9

36.4    VERZOENING VOOR HET HEILIGE

Het besef van het binnendringen van het kwade in de sfeer van het goede en het heilige is in de joodse traditie vaak tot uitdrukking geko­men. Het kan de betekenis geweest zijn van een van de grote ce­remoniën die jaarlijks in de tempel in Jeruzalem voltrokken wer­den. Tijdens het ritueel van de Grote Verzoendag placht de ho­gepriester het lot toe te wijzen over twee bokken: één lot voor de HEER en één lot voor Azazel. Het doel van het ritueel van de bok waarop het lot voor Azazel viel, was om verzoening (boete) te doen voor het kwade. De hogepriester legde zijn beide handen op de kop van de bok ‘en bekende over hem al de onrechtvaardigheden van de Israëlieten en al hun overtredingen, al hun zonden’. Het doel van de bok waarop het lot voor de HEER viel, was om verzoening te bewerkstelligen voor het heilige, ‘om verzoening te bewerken voor de tempel, voor de onrein­heden van de kinderen van Israël en voor hun overtredingen, zelfs al hun zonden. Zo zal hij doen bij de ingang van ontmoetingstent die staat te midden van hun onreinheden’.10 Op de heiligste dag van het jaar was de hoogste taak om verzoening te bewerken voor het heilige. Het ging vooraf aan het offer dat ten doel had verzoening te bewerken voor de zonden.

36.5    GODSDIENST IS GEEN LUXE
Laten wij ons geen illusies maken. Er zijn geen makkelijke oplos­singen voor problemen die tegelijkertijd hoogst persoonlijk en universeel, dringend en eeuwig zijn. Technologische vooruit­gang schept meer problemen dan zij oplost. Deskundigen op het gebied van de efficiency of sociale programma’ s zullen de mens­heid niet verlossen. Hoe belangrijk hun bijdragen ook mogen zijn, de kern van het probleem bereiken ze niet. Daarom is religie met zijn eisen en visies geen luxe, maar een zaak van leven en dood. Het is waar dat de boodschap vaak verwaterd is en vertekend door geleerddoenerij, rationalisering, formalisme en bij­geloof. Maar dit is precies onze taak: te herinneren aan de drin­gende problemen, de eindeloze crises van het menselijke be­staan, het zeldzame hunkeren van de geest, de eeuwige stem van God, waar de aanspraken van religie een antwoord op zijn.

36.6    HET GROOTSTE VERSCHIL
Het vermogen om verschil te maken is een eerste functie van het verstand. We onderscheiden tussen wit en zwart, mooi en le­lijk, prettig en onprettig, winst en verlies, goed en kwaad, recht en onrecht. Het lot van de mensheid hangt af van het doordrin­gen van het besef dat het verschil tussen goed en kwaad, recht en onrecht alle andere verschillen overtreft. Zolang dit besef niet is doorgedrongen, zal men de voorkeur geven aan plezierigheid verbonden met kwaad boven onplezierigheid ver­bonden met goed. Het behoort tot het wezen van de bijbelse boodschap om de mensheid het hoge belang van dit verschil te leren.

Nadat de Heer het universum geschapen had, bezag hij zijn schepping. Wat was het woord dat zijn indruk weergaf? Als een kunstenaar een woord zou moeten vinden om te beschrijven hoe het universum er in Gods ogen in de dageraad van zijn bestaan uit­zag, dan zou dat woord ‘verheven’ of ‘mooi’ zijn. Maar het woord dat de bijbel gebruikt is goed. Inderdaad, wanneer wij door een telescoop de sterrenhemel beschouwen, komen bij ons woorden op als grootsheid, mysterie, luister. Maar de God van Israël is van luister niet onder de indruk. Hij is onder de in­druk van goedheid.

Goed en kwaad zijn geen waardes te midden van andere waardes. Goed is leven en kwaad is dood. Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen voorspoed en tegenspoed, tussen leven en dood... Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst (Deuteronomium 30:15, 19). Goed en kwaad zijn geen waardes te midden van andere waardes. Het verschil tussen goed en kwaad is even zwaar als het verschil tussen leven en dood.

‘Gerechtigheid is ons altijd als een plicht voorgekomen, maar voor lange tijd was het een verplichting als elke andere. Het voldeed, evenals de andere, aan een maatschappelijke behoefte. De druk van de samenleving op het individu maakte gerechtigheid verplicht. Hiermee was onrecht niet meer of min­der schokkend dan elke andere inbreuk op de regels. Voor slaven was er geen rechtvaardigheid, behalve misschien als een betrekkelijke, bijna vrijblijvende rechtvaardigheid. Openbare veiligheid was niet alleen maar de hoogste wet, wat ze ook werkelijk voortdurend was, zij werd ook nog als zodanig afgekondigd. Tegenwoordig zouden wij echter niet de moed hebben om als beginsel vast te leggen dat de open­bare veiligheid onrechtvaardigheid rechtvaardigt, zelfs niet wanneer wij elke bijzondere consequentie van dat beginsel aanvaarden.

“Laten wij bij deze kwestie stilstaan en ons de bekende vraag stellen: ‘Wat doen we als we horen dat met het oog op het algemene welzijn, voor een waarachtige bestaanswijze van de mensheid, er­gens een mens was, een onschuldig mens, veroordeeld om eeu­wig gemarteld te worden?’ Misschien leggen we ons erbij neer in de verwachting dat een of ander toverdrankje het ons laat vergeten, dat we er nooit meer iets over ho­ren. Maar als we het moesten weten, als we erover moesten den­ken, als we moesten beseffen dat de afschuwelijke foltering van deze mens de prijs voor ons bestaan was, dat het zelfs de funda­mentele voorwaarde van het bestaan in algemene zin was, nee! Duizendmaal nee! Dan is het beter te aanvaarden dat niets zou behoren te bestaan! Dan is het beter dat onze planeet wordt op­geblazen.

Wat is er nu gebeurd? Hoe is de rechtvaardigheid opgekomen uit het maatschappelijke leven waarin ze altijd vertoefd had zonder bepaald voorrecht, en boven dat leven uitgestegen, categorisch en transcendent? Laten we de toon en de accenten van de pro­feten van Israël in gedachte terugroepen. Hun stem horen wij wanneer een groot onrecht is begaan en door de vingers is gezien. Uit de diepte der eeuwen protesteren zij. Zij gaven aan de rechtvaardigheid een krachtig gebiedend stempel, dat het heeft behouden en waarmee zij van toen af aan een oneindig uitgebreid stelsel van regels heeft bezegeld. Zou pure filosofie dit tot stand hebben kunnen brengen? Er is niets leerzamer dan te zien hoe de filosofen om het probleem heen hebben gedraaid, het hebben aangeraakt en het toch gemist hebben.”11

Maar hoe is zo’n suprematie mogelijk? Is ons gevoel voor schoonheid en lelijkheid, voor winst en verlies scherper dan ons gevoel voor goed en kwaad?

36.7    HOE EEN BONDGENOOT TE VINDEN
Het ego is een sterke rivaal van het goede. Het goede heeft een kans om te overwinnen als het samenvalt met voordeel, als verdienste loont. Als het goede gerealiseerd moet worden met ver­lies, zonder beloning, wordt het gemakkelijk verslagen. Maar, omdat het karakter van goede eigenschappen met zich mee brengt dat het goede niet ge­daan wordt voor een beloning, welke kans heeft het goede om ooit over de belangen van het ego te zegevieren? Wie staat ons bij in de strijd met het kwaad?

Heeft het goede niet de neiging om machteloos te worden te­genover verleidingen? Misdaad, ondeugd, zonde bieden ons be­loningen aan, terwijl deugd vraagt om zelfbeheersing, zelfverloo­chening. Zonde is spannend en vol opwinding. Is deugd span­nend? Zijn er veel spannende verhalen die de deugd beschrijven? Zijn er veel bestsellers die avonturen in goedheid weergeven?

36.8    DE THORA IS EEN TEGENGIF
Wanneer de aard van de mens het enige zou zijn dat wij hebben, dan zou het er somber uitzien. Maar we hebben ook de hulp van God, het gebod, de mitswa. Het centrale bijbelse feit is Sinaï, het Verbond, het woord van God. Sinaï werd ons geschonken omdat Adam gefaald had. Het schenken van de kennis van zijn wil was een teken van een zeker vermogen om het kwaad aan te kunnen. De stem is meer dan een uitdaging. Hij is krachtig genoeg om de woestenij van de ziel aan het wankelen te brengen, om het ego uit te schudden, om Gods wil als vuur te laten oplichten.

Voor de jood staat Sinaï bij elke handeling van de mens op het spel, en het allerhoogste is niet goed en kwaad, maar God en zijn gebod om het goede lief te hebben en het kwade te haten; niet de zondigheid van de mens, maar het gebod van God.

‘De Heer schiep de boze neiging in de mens en hij schiep de thora om die in toom te houden.’12 Het leven van de mens werd vergeleken met ‘een eenzame nederzetting, die door binnendrin­gende bendes verstoord werd. Wat deed de koning? Hij be­noemde een bevelhebber om haar te beschermen.’ De thora is een waarborg, de thora is een tegengif.13

We zijn nooit alleen in onze strijd met het kwade. Een mitswa is, anders dan het concept van plicht, niet anoniem en onper­soonlijk. Het doen van een mitswa is een antwoord geven op zijn wil, reageren op wat hij van ons verwacht. Daarom wordt het doen van een mitswa voorafgegaan door een gebed: ‘Gezegend jij...’

Wat is een mitswa? Een gebed in de vorm van een daad. En bidden is zijn nabijheid ervaren. ‘Ken hem in al uw wegen.’ Gebed behoort deel te zijn van al onze wegen. Het hoeft niet altijd op onze lippen te liggen, als het maar altijd in onze ge­dachtes, in onze harten is.

In het licht van de bijbel is het goede meer dan een waarde, het is een goddelijke zorg, een weg van God. In de eenheid van God ligt een diepzinnige waarheid besloten: alle daden zijn voor hem van belang. Hij is aanwezig in al onze daden. Goed is de HEER voor alles en allen, hij ontfermt zich over heel zijn schepping (Psalm 145:9). Er is geen eerbied voor God zonder respect voor de mens. Liefde tot de mens is de weg naar de liefde tot God. De angst dat wij een hulpbehoevende pijn doen moet even diep zijn als de vrees voor God, want Wie een verschoppeling onderdrukt, beledigt zijn schepper, wie zich over een arme ontfermt, eert hem (Spreuken 14:31).

36.9    IS HET GOEDE EEN PARASIET?
Wat wij bespreken als een ethische kwestie is slechts een aspect van het grotere, wereldoverstijgende probleem van de relatie tussen goed en kwaad. Wie van de twee bestaat zelfstandig? Is het goede uiteindelijk een parasiet op de stam van het kwade? Of is het juist andersom: leeft het kwade als parasiet op de stam van het goede?

In ons verstandelijke klimaat lijkt er maar één antwoord op het probleem te zijn. Idealen hebben een hoog sterftecijfer in onze generatie. Het hedendaagse denken lijkt op een begraafplaats van afgedankte idealen. Je voelt dat de mens met zijn morele streven slechts luchtkastelen kan bouwen. Al onze maatsta­ven zijn niets anders dan vermomde wensen.

Wanneer je deze wereld aanvaardt als de uiteindelijke werkelijk­heid, en je geest is realistisch en je hart gevoelig voor lij­den, dan ben je geneigd om te betwijfelen dat het goede óf de oor­sprong, ofwel het uiteindelijke doel van de geschiedenis is. Voor de joodse geest is het kwaad eerder een werktuig dan een ijzeren muur. Het is eerder een verleiding, een gelegenheid, dan een uiteinde­lijke macht.

De woorden van de psalmist, Mijd het kwade, doe wat goed is (34:15), zijn de samenvatting van goed leven. Maar het blijkt dat de joodse traditie gelooft dat de juiste weg om het kwade te verlaten is, om goed te doen. Het legt de nadruk op de tweede helft van de zin: doe wat goed is.

 

36.10    HET KWADE IS NIET HET UITEINDELIJKE PROBLEEM
Het kwade is niet het uiteindelijke probleem van de mens. Het ultieme probleem van de mens is zijn relatie tot God. Het kwaad kwam de geschiedenis binnen als gevolg van de ongehoor­zaamheid van de mens aan God, als gevolg van zijn schending van de enige mitswa die hij had (niet eten van de vrucht van de boom der kennis). Het bijbelse antwoord op het kwade is niet het goede, maar het heilige. Het is een poging om de mens te verheffen tot een hoger bestaansniveau, waar hij niet alleen is als hij oog in oog met het kwaad komt te staan. Leven in het licht van Gods aangezicht verleent de mens een liefdevolle kracht die hem in staat stelt de machten van het kwade te overwinnen. De verleidingen van de ondeugd wordt overtroffen door de vreugden van de mitswa. Leef als mensen die aan mij gewijd zijn (Exodus 22:30). Hoe verwerven we die eigenschap, die kracht? ‘Met elke nieuwe mitswa die God aan Israël uitvaardigt, voegt hij hun heiligheid toe.’14

Wij voeren geen oorlog tegen het kwaad in naam van een abstract concept van plicht. Wij doen niet het goede omdat het van waarde is of doelmatig, maar omdat we dat aan God ver­plicht zijn. God schiep de mens en wat goed is ‘in zijn ogen’ is goed voor de mens. Het leven is zowel menselijk als goddelijk. De mens is een kind van God, niet alleen van waarde voor de sa­menleving. Wij kunnen dingen onderzoeken zonder God. We kunnen zonder God niet oordelen over waardes.

Wij stellen ons geen waardes voor die absoluut zijn en in de hemel opgeslagen liggen, om met Plato te spreken. Waardes zijn geen eeuwige denkbeelden, die onafhankelijk van God en mens bestaan. Zonder Gods wil zou er geen goedheid zijn. Zonder de menselijke vrijheid zou goedheid niet in de geschiedenis op haar plaats zijn. De Griekse filosofie stelt belang in waardes. Het joodse denken richt zich op de mitswot.

36.11    GOD EN DE MENS HEBBEN EEN GEZAMENLIJKE TAAK
Het kwaad is niet alleen een bedreiging, het is ook een uitdaging. Niet de onderkenning van het gevaar of geloof in de verlos­sende kracht van God is voldoende om de tragische toestand van de wereld ten goede te keren. Wij kunnen het getij van het kwaad niet keren door onze toevlucht te zoeken in tempels, door vurig de nog bedwongen almacht van God af te smeken.

De mitswa, de bescheiden, eenvoudige handeling van dienstbaarheid aan God, van hulp aan de mens, van loutering van de persoonlijkheid, is onze manier om het probleem aan te pakken. We weten niet hoe het probleem van het kwaad op te lossen, maar we zijn niet vrijgesteld van het aanpakken van kwade zaken. De macht van het kwaad ontkracht niet de werkelijkheid van het goede. Het is kenmer­kend dat de joodse traditie, hoewel zich bewust van de mogelijk­heden van het kwade in het goede, de nadruk legt op de moge­lijkheden om het goede in het goede te bevorderen. Ben Azzai zei: ‘Verlang enthousiast om een kleine mitswa te doen en vlucht voor overtreding, want de ene mitswa leidt tot een andere mitswa en een overtreding leidt tot een andere overtreding; want de beloning van een mitswa is een andere mitswa en de beloning van een over­treding is een overtreding.’15

Aan het einde der dagen zal het kwaad overwonnen worden door de Ene, in historische tijden moeten de kwade dingen een voor een overwonnen worden.16

Hoewel zich bewust van de gevaren en valkuilen van het be­staan is de joodse traditie een voortdurende herinnering aan de grootse en eeuwige kansen om het goede te doen. Ons wordt geleerd het leven in deze wereld lief te hebben om de mogelijkheden van barmhartigheid en heiligheid, om de vele mogelijkheden die wij hebben om de Heer te dienen. ‘Kostbaarder dan het hele leven in de komende wereld is dan ook één enkel uur van leven op aarde - een uur van berouw en goede daden.’17

Het is waar: deze wereld is slechts ‘een voorportaal voor de ko­mende wereld’, waar we ons moeten voorbereiden voordat we ‘de feestzaal’ binnengaan’.18 Toch wegen in Gods ogen de inspanning en de voorbereiding zwaarder dan de goede afloop en volmaakt­heid.

 

36.12    HET VERMOGEN OM TE VOLBRENGEN
Omdat het jodendom de nadruk legt op het fundamentele belang van de mitswa, neemt het aan dat de mens begiftigd is met het vermo­gen om te volbrengen wat God van hem verlangt, althans tot op zekere hoogte. Dit zou inderdaad een artikel van het profetische geloof kunnen zijn: het geloof in ons vermogen om zijn wil te doen. De geboden (mitswot) die ik u vandaag heb gegeven, zijn niet te zwaar voor u en liggen niet buiten uw bereik. Nee, die geboden zijn heel dichtbij, u kunt ze in u opnemen en ze u eigen maken; u kunt ze volbrengen (Deuteronomium 30:11, 14). De joodse traditie legt voortdurend meer de nadruk op het feitelijke falen van de mens dan op zijn wezenlijke onvermogen om het goede te doen. Ondanks alle onvolmaakt­heid blijft de waarde van goede daden in alle eeuwigheid.

De idee waar het jodendom mee begint is niet de werkelijkheid van het kwaad of de zondigheid van de mens, maar meer het wonder van de schepping en het vermogen van de mens om de wil van God te doen. Er is altijd een gelegenheid om een mitswa te doen, en kostbaar is het leven omdat we elk ogenblik en op elke plaats in staat zijn om zijn wil te doen. Daarom is wanhoop het joodse geloof vreemd.

Het is waar dat het gebod om heilig te zijn buitensporig is en dat onze voortdurende mislukkingen en overtredingen ons ver­vullen met berouw en verdriet. Maar we zijn nooit verloren. Wij zijn de kinderen van Abraham. Ondanks alle fouten, mislukkingen en zonden blijven wij deel uitmaken van het Verbond. Zijn me­dedogen is groter dan zijn gerechtigheid. Hij wil ons aanvaar­den met alle tekortkomingen en zwakheid. Want hij weet waarvan wij gemaakt zijn (yetser), hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd (Psalm 103:14).

Het jodendom zou een axioma van Kant, ‘ik zou moeten, daarom kan ik’, afwijzen, het zou in plaats daarvan stellen: ‘Jou is geboden, daarom kun je.’ Het jodendom leert, zoals ge­zegd, dat de mens de mogelijkheden heeft om te volbrengen wat God gebiedt, ten minste tot op zekere hoogte. Aan de andere kant worden wij voortdurend gewaarschuwd om niet te vertrou­wen op eigen kracht en tegen het geloof dat de mens, door zijn kracht alleen, in staat zou zijn om de wereld te redden. Goede daden alleen zullen de geschiedenis niet goedmaken. Het is de gehoorzaamheid aan God die ons waardig zal ma­ken om door God te worden verlost.19

Als het jodendom uitsluitend had vertrouwd op de mense­lijke hulpbronnen voor het goede, op het vermogen van de mens om te volbrengen wat God van hem vraagt, op de kracht van de mens om redding te bereiken, waarom legde het dan telkens weer grote nadruk op de belofte van de Messiaanse verlossing? Inderdaad, messianisme houdt in dat elke levenswijze, zelfs de hoogste menselijke pogingen moeten falen in de verlossing van de wereld. Het houdt in dat, ondanks haar grote betekenis, de geschiedenis voor zichzelf niet voldoende is.

36.13    BEHOEFTE AAN VERLOSSING
Er zijn twee problemen: de bijzondere zonden, de voorbeelden van inbreuk op de wet, en het algemene en radicale probleem van ‘de boze impuls’ in de mens. De wet gaat over het eerste pro­bleem, gehoorzaamheid aan de wet voorkomt slechte daden. Het probleem van de kwade impuls echter wordt niet door naleving van de wet opgelost. Het antwoord van de profeet was eschatologisch. De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik met het volk van Israël... een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot... Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven (Jeremia 31:31-33). Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen (Ezechiël 36:26-­27).

‘Gedurende een bepaalde periode moest de wereld in duister­nis gehuld zijn. Wat is het bewijs? Er staat geschreven: De mens verdrijft de duisternis, hij dringt door tot in het binnenste der aarde, tot aan de steen van diepst verborgen donkerte (Job 28:3). Want zolang de kwade aanleg in de wereld be­staat, zijn diepe duisternis en de schaduw van de dood in de wereld, wanneer de kwade impuls met wortel en tak zal zijn uitgeroeid, zullen diepe duisternis en de schaduw van de dood uit de wereld ver­dwijnen.’20

De wereld heeft behoefte aan bevrijding, maar deze bevrijding kan niet worden verwacht als een akte van onversneden genade. De taak van de mens is, om de wereld de verlossingswaardig te maken. Zijn vertrouwen en zijn inzet zijn voorbereidingen voor de uiteindelijke verlossing.

36.14    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 36

1          Genesis Rabba, hfdst. 39. Zie in dit boek noot 7 bij hoofdstuk 10.

2          Schopenhauer maakte de gedachte populair dat de bijbel geen besef had van het probleem van het kwaad. Zie Die Welt als Wille und Vor­stellung, ii, hfdst. 48; Parerga und Paralipomena, ed. Gusbach, ii, p. 397; Sämtliche Werke, ed. Frauenstadt, iii, p. 712 e.v. Over zijn vij­andigheid tegenover de bijbel zie Isak Unna, ‘Die Stellung Schopen­hauers zum Judentum’, in: Jüdische Schriften, Josef Wohlgemuth zu sei­nem siebzigsten Geburtstage... gewidmet (Berlin 1928) p. 103 e.v.

3             Wat de rabbijnen dachten over de situatie van de mens blijkt uit het volgende commentaar. We lezen in Habakuk 1:14: Als vissen in de zee maakt u de mensen, als kruipende dieren zonder leider. ‘Waarom wordt de mens hier vergeleken met de vissen van de zee? Net als bij de vissen van de zee verslinden de grotere de klei­nere, zo ook bij de mensen; als er geen ontzag voor de overheid zou zijn, zouden de mensen elkaar levend verslinden. Dit is nauwkeurig wat wij geleerd hebben: rabbi Hanina, de plaatsvervangende hoge­priester, zei: Bidt voor het welzijn van de overheid, want als er geen ontzag voor de overheid bestond, zouden de mensen elkaar le­vend verslinden.’ Avodah Zara, 3b-4a en Abot, 3, 2.

‘In de komende tijd zal de Heilige, Hij zij gezegend, de boze impuls (yetser hara) nemen en doden in de aanwezigheid van de rechtvaardigen en van de goddelozen. Voor de rechtvaardigen zal de boze yetser zo reusachtig als een berg lijken; voor de kwaadaardigen zal hij zo dun als een haar lijken. Zowel de eersten als de laatsten zullen wenen. De rechtvaardigen zullen zich verwonderen dat zij zo’n grote macht konden overwin­nen; de goddelozen zullen verbaasd zijn dat ze voor zo’n zwakke macht bezweken zijn. En de Heilige, Hij zij geprezen, zal zich verbazen met hen, zoals er gezegd is: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor mij onmogelijk zijn? (Zacharia 8:6). Sukkah, 52a.

4          Sukkah, 52a. Zie de interpretatie van Jesaja 64:5 [Wij allen zijn onrein geworden, onze gerechtigheid is als het kleed van een menstruerende vrouw. Wij allen zijn als verwelkte bladeren, verwaaid op de wind van ons wangedrag.] in Baba Metsia, 32b.

5          Reinhold Niebuhr, The Nature and Destiny of Man, dl I, p. 222 e.v.

6          De macht van beelden en afgoden die de mens geneigd is te aanbid­den, vloeit daaruit voort dat ze een zweem van het heilige hebben. Pesel, het Hebreeuwse woord voor beeld, wordt in de Zohar verbon­den met pesolet, dat ‘afval’ betekent. Afgoden zijn het afval van hei­ligheid. Zie Zohar, dl ii, p. 91a.

7             Zohar, dl ii, pp. 203a-203b; zie pp. 69a-69b. De kelipot of de krachten van het onheilige zijn van de mens uit gezien onzuiver en schadelijk. Maar vanuit het heilige gezien, bestaan ze omdat de Schepper dit wilde en in zijn belang. Een vonk van heiligheid woont in hen en houdt ze in stand. Rabbi Abraham Azulai, Or Hahamah (Przemysl 1897) dl ii, p. 218a.

8          Zohar Hai (Lemberg 1875) dl i, p. 2.

9          Zohar, dl iii, p. 80b.

10                        De stier biedt Aäron aan als reinigingsoffer namens zichzelf, om voor zichzelf en zijn familie verzoening te bewerken. De beide bokken moet hij naar de ingang van de ontmoetingstent brengen, en daar, ten overstaan van de HEER, moet hij door loting vaststellen welke bok bestemd is voor de HEER en welke voor Azazel. De bok die door het lot voor de HEER bestemd is, moet hij als reinigingsoffer opdragen; de bok die door het lot bestemd is voor Azazel moet levend voor de HEER blijven staan om verzoening mee te bewerken, en daarna de woestijn in worden gestuurd, naar Azazel (Leviticus 16:6 e.v.). Zie Sifra, Aahare, hfdst. 4, ed. Weiss, p. 81c. Volgens Ezechiël 45:18-20 moet twee keer per jaar verzoening over de tempel wor­den gedaan.

[Over het zondebokmechanisme valt veel te zeggen; zie ook René Girard, Le bouc émissaire (Parijs 1982).]

11        Henri Bergson, The Two Sources of Morality and Religion (New York 1935) p. 67 e.v.

12        Sifre, Deuteronomium, 45; Kiddushin, 30b.

13        Leviticus Rabba, 35, 5.

14        Mechilta, ter plaatse.

15        Abot, 4, 2.

            16        ‘Israël zei tot de Heilige: Hij zij geprezen: Heerser van het heelal! Jij kent de kracht van de boze impuls, hoe sterk hij is! De Heilige, Hij zij gezegend, zei tot hen: Jullie verdrijft hem een beetje in deze we­reld en ik zal hem van jullie wegnemen in de toekomst... In de ko­mende wereld zal ik hem met wortel en tak uit jullie uitroeien.’ Nu­meri Rabba, 15, 16.

17        Abot, 4:17

18        Abot, 4:21. 19. Vergelijk Reinhold Niebuhr, An lnterpretation of Christian Ethics, p. 65.

20        Genesis Rabba, 89, 1. De boze impuls wordt vaak ‘een steen’ ge­noemd, zie Theodor, ter plaatse.

 

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90