37 Het probleem van het neutrale
37.1 HET ISOLEREN VAN DE MORALITEIT
De zwakheid van vele moraalfilosofische stelsels ligt in hun streven naar isolement, in het stilzwijgende vermoeden dat het goede niets te maken heeft met moreel neutrale daden. Maar er is een onderling verband tussen de morele en alle andere handelingen van de mens, zowel op het gebied van de theorie als op het gebied van de esthetische of technische toepassing. Je moet iemand met moreel besef niet voorstellen als een beroepstovenaar, die zich onder bepaalde omstandigheden moreel hoogstaand gedraagt en in andere neutraal blijft.Daarom kan het morele probleem niet worden opgelost als een moreel probleem. Het moet aangepakt worden als onderdeel van het complete menselijke vraagstuk. Het allergrootste probleem is het leven in zijn totaliteit, niet goed en kwaad. Wij kunnen ons niet met ethiek bezighouden, behalve als we ons bezighouden met de gehele mens, de aard van het bestaan, van zijn doen en laten, van zijn betekenis.
De mens leeft in drie gebieden: het animale, het verstandelijke en het geestelijke. Het animale gebied is geestelijk neutraal en neutraliteit brengt risico’s met zich mee. Er is onzuiverheid in de natuurlijke levensstaat en veel dat ongeordend, ruw en wreed is. Wie zal de bruut in ons bedwingen als hartstocht de geest overstelpt? Wie zal ons leren dat het goede de prijs van zelfverloochening waard is? In geen enkel debat tussen geluk en mededogen, tussen plezier en rechtvaardigheid zou de laatste zegevieren. Behalve als wij ons leven in zijn totaliteit onder de wet van de heiligheid stellen, is het resultaat van verlokkingen dubieus.
Neutraliteit is een illusie. Aan het einde van zijn dagen blijkt de mens of een priester, ofwel een piraat te zijn geworden. Het leven dat we achterlaten als we voortgaan langs de weg van de tijd is vol met aanwijzingen naar een heiligdom of naar de restanten van een visioen. Het visioen van God laat ‘een koninkrijk van priesters, een heilig volk’ zien. Elk huis kan een tempel zijn, elke tafel een altaar en het hele leven een lied voor God.
Elke handeling - gedachte of daad - is een illustratie van de totaliteit van het bestaan. Zelfs de geest die maar één keer, op een lang vervlogen ogenblik van het bestaan, flakkerde, zal elke handeling verlichten, zodat bijna elke handeling door de stille verhevenheid van de toewijding zal worden aangeraakt. Op hetzelfde moment kan de wreedheid en de harteloosheid waarvoor een mens op sommige ogenblikken van zijn leven bezwijkt uitbreken, zelfs in zijn handelingen van hartstochtelijke toewijding, .
37.2 HOE MET HET NEUTRALE OM TE GAAN
Het probleem van het leven begint niet met de vraag wat wij aan moeten met de schurken, hoe we criminaliteit of afschuwelijke misdaden kunnen voorkomen. Het probleem van het leven begint met het besef dat iedereen blunders maakt in de omgang met de medemens. De stille wreedheden, de geheime schandalen, die geen wet kan voorkomen, zijn de werkelijke haard van morele besmetting. Het probleem van het leven begint bij onszelf, hoe we omgaan met onze emoties, de wijze waarop wij bezig zijn met afgunst, hebzucht en trots. Het eerste dat in het leven van een mens op het spel staat, is niet het feit van de zonde, van het verkeerde en het immorele, maar de neutrale handelingen, wat nodig is. Onze bezittingen vormen niet minder een probleem dan onze passies. De eerste taak is daarom niet hoe met het kwade om te gaan, maar hoe met het neutrale om te gaan, hoe met onze behoeften om te gaan.De enige waarborg tegen voortdurend gevaar is voortdurende waakzaamheid, voortdurende leiding. Zo’n leiding en waakzaamheid wordt gegeven aan hem die leeft bij het licht van de Sinaï, wiens weken, dagen, uren zijn ingevoegd in het ritme van keva en kavanah.
Drie maal per dag herinneren wij ons dat hij in het licht van zijn aangezicht ‘de thora van het leven en de barmhartigheid’ gaf. De hele dag moeten wij leren hoe een situatie te zien in het licht van zijn aangezicht.
Denk aan hem bij alles wat je doet, dan baant hij voor jou de weg (Spreuken 3:6). Van deze woorden hangt alles af.1
Godsdienstigheid en leven zijn geen afgescheiden gebieden. Behalve als leven een vorm van verering is, heeft onze verering geen levendigheid. Religie is geen reservaat, een periode gereserveerd voor plechtige vieringen op feestdagen. De geest verwelkt als hij in een schitterende afzondering is opgesloten. Beslissend is niet de climax die we op zeldzame momenten bereiken, maar hoe dit de sfeer van het hele leven beïnvloedt. Het doel van de joodse wet is om de grammatica te zijn van het leven, voor alle relaties en functies van het leven. Het hoofdonderwerp is niet zozeer de gevestigde gewoonte als wel de persoon.
Religie is niet gemaakt voor buitengewone gelegenheden, zoals geboorte, huwelijk en dood. Religie probeert ons te leren dat geen handeling afgezaagd is, dat elk moment een buitengewone kans is.
De hoogste top van geestelijk leven wordt niet noodzakelijk bereikt in de zeldzame ogenblikken van vervoering. De hoogste top ligt daar waar wij ook zijn, en kan bestegen worden door een gewone daad. Er kan een net zo verheven heiligheid zijn in het onderhouden van vriendschap, het dag aan dag naleven van de spijswetten, als in het uitspreken van een gebed op de Grote Verzoendag.
Het karakter wordt niet bepaald door een zeldzame, grootmoedige handeling, maar door dagelijkse daden, door een voortdurend streven om onze harteloosheid te doorklieven. Het is de constante die heiligt. Het jodendom is een poging om het gehele leven te plaatsen onder de glorie van de uiteindelijke betekenis, om alle verspreide daden te verbinden met de Ene. Door het duurzame ritme van gebeden, geboden, herinneringen, vreugdes wordt de mens geleerd zijn grootsheid niet te verspelen.
37.3 ALLE VREUGDEN KOMEN VAN GOD
Zoals gezegd, is een van onze problemen om goede eigenschappen vitaliteit te schenken. Zonde is spannend en vol opwinding. Maar zijn goede eigenschappen spannend? Gaan hartstocht en verdienste samen?Wij geloven dat het ego veranderd kan worden in een vriend van de geest. ‘De boze impuls’ kan de helper worden van ‘de goede impuls’. Maar zo’n verandering voltrekt zich niet in wanhoopsmomenten, of door ons morele failliet te aanvaarden, maar door de bewustwording van ons vermogen om te antwoorden op Gods vraag. Wij moeten leren hoe wij ‘de goede impuls’ meer macht kunnen geven, hoe we schoonheid kunnen verlenen aan geheiligde daden. De macht van het kwaad kan verteerd worden in de vlammen van de vreugde. Het mag waar zijn dat niet alle vreugdes tot God leiden, maar wel komen alle vreugdes van God. Zelfs bescheiden vrolijkheid heeft uiteindelijk haar oorsprong in heiligheid.
Misschien is dit een van de bedoelingen van de joodse opvoeding: hoe het onuitsprekelijke genot van goede daden te leren voelen. Er is gezegd dat de vreugde waarmee de daad is verricht, kostbaarder is dan de daad zelf. Het goede zonder de vreugde is het goede ten halve gedaan, en de liefde en de verrukking waarmee wij het goede en het heilige doen, zijn de toets van onze geest. Uw wet verheugt mij... Hoe lief heb ik uw wet (Psalm 119:77, 97).
‘Moraliteit sluit onvermijdelijk pijn in. In het goede kan geen gelukzaligheid zijn - het kan alleen paradijselijk zijn aan gene zijde van goed en kwaad.’2 In contrast hiermee is de joodse ervaring een getuigenis van simhah shel mitsvah, van ‘de vreugde van het doen van een mitswa’3 Iedereen weet dat uit het lijden een weg voert naar hem. Het jodendom herinnert ons eraan dat vreugde een weg tot God is. De mitswa en de heilige Geest zijn onverenigbaar met leed en wanhoop.
De gelukzaligheidervaring door het goede te doen is het meest verheven ogenblik dat stervelingen kennen. De discipline, de opoffering, de zelfverloochening die dikwijls een rol spelen bij het doen van het goede, bederven de vreugde niet. Het zijn haar bestanddelen.
Dagelijks bidden wij: ‘Gelukkig zijn wij; hoe goed is ons deel, hoe plezierig ons lot, hoe prachtig ons erfdeel.’ Er is vreugde in het joodzijn, in het behoren tot Israël, tot God, in het vermogen om de hemel te proeven in een geheiligde daad. Het is vreugdevol om een verbinding te vormen met de eeuwigheid, in het vermogen om zijn wil te doen. Een rabbijnse stelregel luidt dat ‘de mitswot niet gegeven zijn met het doel om genoegen te verschaffen’.4 Maar genoegen is niet hetzelfde als vreugde.
‘Ik ben tevreden met een object wanneer het wat belangstelling van het gemoed opwekt of een prikkel van het instinct behaagt. Het doet mij plezier omdat het aan een behoefte tegemoetkomt. Het is een genoegen in relatie met mijn gevoeligheid of met mijn werkzaamheden. En we spreken terecht van de genoegens van het gevoel en van de beweging. Maar vreugde is niet egocentrisch zoals genoegen dat is. Ongetwijfeld is er genoegen in de vreugde, want al onze emoties worden gekleurd door plezier of pijn, maar zo’n plezier is het genoegen van de vreugde. Er is ook een groeien in de vreugde, maar dat behoort niet tot haar wezen. De vreugde zelf hecht zich niet aan het onderwerp maar aan het voorwerp, en het vreugde scheppen in een voorwerp is dat waarderen omwille van de zaak zelf. Vreugde is dus een actieve belangeloosheid en haar instinctieve drijfveer is niet alleen om haar voorwerp in stand te houden, maar om zichzelf aan hem over te geven en om onbezorgd in hem te rusten als in iets van intrinsieke waarde en belofte.
Vreugde scheppen in een object is respect hebben voor de eigen aard ervan. Dit ligt opgesloten in de strikte gedachtegang om zich in dat object te verheugen met het oog op het voorwerp zelf. Vreugde scheppen in wat werkelijk is, is de eigen opvatting van harte aan de waarheid van de aangelegenheid ondergeschikt te maken. Vreugde scheppen in wat mooi is, is de ingeving van het schone, vertrouwen en niet de handigheid van de kunstgreep. De belangen van het object schrijven stap voor stap de wijze van benadering voor.’5
I Berachot, 63a.
2 N. Berdjajew, The Destiny of Man, p. 30.
3 Shabbat, 30b. Zie Midrash Tehillim, 112, 1. Maimonides, Mishne Torah, Lulav, 8, 15.
[Simchat Thora, de Vreugde der Wet.]
4 Mitswot lav lehanot nitnu, Erubin, 31a; Rosh Hashanah, 28a. Rashi: ‘maar als een juk.’
5 W. R. Boyce Gibson, Encyclopaedia of Religion and Ethics, dl VIII, p. 152a.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90