38 Het probleem van de ongeschonden toestand
38.1 GEVESTIGDE BELANGEN
De mitswa is, zeiden wij, ons instrument bij onze aanpak van het kwade. Maar gebruiken wij de gereedschappen op de juiste wijze? Als kavanah net zo wezenlijk is voor de dienst aan God als een onpartijdig oordeel is voor wetenschappelijk onderzoek, als, met andere woorden, niet alleen essentieel is wat men doet maar ook wat de motivatie ervan is, dan mag de mogelijkheid van werkelijke dienst, van oprechte vroomheid betwijfeld worden.Dieptepsychologie maakt duidelijk dat de drijfveren van menselijk handelen complex zijn, dat het buitenredelijke het bewuste leven overheerst of op z’n minst beïnvloedt, dat de kracht en de drang van het ego al onze gedragingen en beslissingen doordringen. We nemen misschien aan dat we God liefhebben, terwijl we in werkelijkheid houden van ons ego.
Psychologisch lijkt het onmogelijk dat een mens in staat zou zijn om God van ganser harte lief te hebben, om het goede te doen omwille van het goede, zonder te denken aan beloning en eigenbelang. Wij hoeven geen wichelroede te gebruiken om te stuiten op diepe lagen van gevestigde belangen onder de oppervlakte van onze directe beweegredenen. Iedereen die tot zelfreflectie in staat is, weet dat de aandacht voor het eigen ik in elke vezel aanwezig is, en dat het heel moeilijk is om zich los te maken van de ingewikkelde verstrengeling van egoïstische belangen.
Dus leiden niet alleen onze slechte maar ook onze goede daden tot een probleem. Als onze goede daden, nemen we aan, goed gedaan zijn, zijn ze dan ook goed bedoeld? Dienen wij God met het oog op hem? Zijn we in staat om hem te dienen in zuiverheid?
38.2 VREEMDE GEDACHTES
Bovendien, aangenomen dat de mens is geslaagd in zijn streven om een goede daad te beginnen op grond van een zuivere en oprechte motieven, zal het hem dan lukken om zichzelf te beschermen tegen het opkomen van ijdelheid gedurende de uitvoering van de daad?Bewustzijn vertoeft in het gezelschap van zelfbewustzijn. Bij elke perceptie of begrip voegt zich het besef van mijn zelfbewustzijn, wat gevaarlijk veel lijkt op verwaandheid. Met zijn kenmerkend gebrek aan terughoudendheid en tact is het ego geneigd om opdringerig tussenbeide te komen, zelfs in kwesties die achter zijn rug begonnen zijn. Een dergelijke tussenkomst van ‘vreemde gedachtes’ - oneigen aan de betekenis van de handeling - die niet tot de oorspronkelijke beweegreden behoorde, vormt een probleem op zichzelf.
Maar behalve dat wij onzeker zijn of onze motivatie die aan de handeling voorafgaat zuiver is, en dat wij tijdens de handeling door ‘vreemde gedachtes’ in verlegenheid worden gebracht, ben je zelfs na de handeling nog niet veilig. De joodse traditie spoort ons aan om onze handelingen van barmhartigheid voor anderen te verbergen;1 maar kunnen wij ze verbergen voor onszelf? Zijn we in staat om het gevaar te overwinnen van trots, overtuigingen van eigen goedheid, ijdelheid en superioriteitsgevoel, ontleend aan zogenaamd aan God toegewijde handelingen?
Het is makkelijker om het lichaam te beheersen dan de ziel. De vrome mens weet dat zijn innerlijk leven vol valkuilen zit. Het ego, ‘de boze impuls’ probeert voortdurend te betoveren. De verleidingen zijn heftig, maar zijn tegenstand is onbuigzaam. En zo bewijst hij zijn geestelijke kracht en houdt hij de overhand, onoverwinnelijk. Lijkt zijn situatie niet glorieus? Maar dan gebruikt de ‘boze impuls’ een subtieler middel, hij wenst hem geluk: wat ben jij vroom! Hij wordt trots op zichzelf. En dan is hij in de val gelopen.2
38.3 VLUCHT IN WANTROUWEN
Het probleem van de heelheid gaat niet alleen over de aard van onze morele daden, maar ook over de integriteit van ons denken. Het is niet alleen moeilijk om je een mens voor te stellen die goed doet omwille van het goeddoen, we trekken ook het vermogen om het goede puur en onvoorwaardelijk te bevatten in twijfel. De eerste vereiste voor een onpartijdig oordeel is onbevooroordeeldheid en zichzelf buiten beschouwing kunnen laten. Je kunt je afvragen of het niet laten meetellen van jezelf iets is wat een mens ooit kan bereiken. Psychologisch en sociologisch onderzoek heeft niet alleen laten zien hoe de motieven voor ons gedrag verweven zijn met de functies van instinctieve begeertes, maar ook hoe de gevestigde belangen van het ego niet alleen doordringen in morele beweegredenen, maar ook in waarnemingen, het kenvermogen.De ontdekking van deze tragische, hachelijke situatie is een zeer pijnlijke slag voor het gevoel van geestelijke veiligheid. Welke les kan hieruit anders getrokken worden dan de raad dat wantrouwen de kortste weg is naar het begrijpen van de menselijke aard. Dit lijkt de hedendaagse lezing te zijn van de Gulden Regel: Wantrouw je naaste zoals je jezelf wantrouwt. Zo kan de situatie van de hedendaagse mens dus gekenschetst worden als een vlucht in wantrouwen. Er rust een taboe op het denkbeeld van objectieve geldigheid, van heiligheid of van een hoogste waarde. Het is een publiek geheim dat elke handeling een kwaadaardige achtergrond heeft, dat heimelijke motieven de voedingsbodem voor elke goede eigenschap vormen en dat rechtvaardigheid een camouflage van het kwaad is. De deugd mist diepte, de werkelijkheid mist heelheid. Alles wat wij kunnen doen, is goedheid te verenigen met egoïsme, om waarheid te gebruiken als opportunistisch smoesje en om genotzucht in alle smaken te proeven. In een wereld als deze, die zo lijkt op een pandemonium, moet eerlijkheid worden beschouwd als wishful thinking, zuiverheid als de kwadratuur van de cirkel van de menselijke natuur en de noties van objectieve geldigheid, heiligheid of een hoogste waarde moeten als schijnheiligheid of bijgeloof worden beschouwd.
De hysterie van het wantrouwen houdt velen in de ban. Het heeft niet alleen ons begrip voor anderen aangetast maar ook ons zelfvertrouwen. Kunnen we onszelf vertrouwen? Kunnen we onze aspiraties en onze overtuigingen vertrouwen?
De mens die zichzelf wantrouwt, deinst terug voor het licht, vaak bang om zich zijn gevoelens te realiseren, bang om te erkennen wat hij gelooft, bang om lief te hebben wat hij bewondert. Zelf op een dwaalspoor geraakt geeft hij anderen de schuld voor zijn falen, draait om dingen heen, strijkt glad en is onbetrouwbaar. Levend in vrees denkt hij dat de hinderlaag een normale verblijfplaats is.
De nieuwe kijk op het kwade drijft de mens tot wanhoop. Want het afschuwelijke van het kwaad is niet zozeer zijn kennelijke macht, alswel zijn cryptische alomtegenwoordigheid, zijn vermogen tot camouflage.
Jezelf wantrouwen is een ernstiger bedreiging van het geloof dan twijfel, en anthropodicee, de rechtvaardiging van de mens, is vandaag net zo’n lastige kwestie als theodicee, de rechtvaardiging van God. Is er iets zuivers, iets wat niet door egoïsme is besmet in de ziel van de mens? Is heelheid ooit mogelijk? Kunnen wij ons eigen geloof vertrouwen? Staat vroomheid ooit los van opportunisme?
38.4 DE BEPROEVING VAN JOB
Zelfreflectie werd niet door de analytische psychologie ingeluid. Serieus gewetensonderzoek is een essentiële trek van vroomheid, en de vrome mens is geneigd te vermoeden dat zijn ontzag en toewijding heimelijke verbindingen kunnen zijn met egoïstische doeleinden.Keer op keer roept de bijbel op om God te eerbiedigen ‘met geheel uw hart’. ‘Leef in verbondenheid met mij, leid een onberispelijk leven’ (Genesis 17:1). U moet volledig op de HEER, uw God, gericht zijn (Deuteronomium 18:13). Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten (Deut. 6:5). En toch lijkt het erop dat de bijbelse mens verontrust is door het probleem of de mens ooit in staat is om God van ganser harte te dienen.
Er is een heel bijbelboek, in zekere zin, gewijd aan het onderzoek van dit probleem: het boek Job. Uit het gezichtspunt van deze wereld is het thema van het boek Job theodicee, de rechtvaardiging van God met het oog op het bestaan van het kwaad. Uit het gezichtspunt van de hemel is zijn thema antropodicee, de rechtvaardiging van de mens. In het openingsverhaal van het boek lezen wij dat de discussie tussen God en Satan de vraag betreft of Job God diende ‘uit vrees’ of ‘uit liefde’. De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’ Satan antwoordde de HEER: ‘Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken’ (1:8-11).
Het is veelzeggend hoe serieus en primair het probleem was voor de bijbelse mens, dat de schrijver het redelijk vond om Job de meest verschrikkelijke vormen van lijden te laten ondergaan om te bewijzen dat de mens in staat is tot onbaatzuchtige vroomheid.
De profeet klaagde: Ze roepen niet eerlijk en oprecht tot mij, maar liggen te jammeren op hun bed. Ze kerven hun lichaam voor hun goden, smekend om koren en wijn (Hosea 7:14). Volgens het boek Spreuken (11:20) verfoeit de HEER bedriegers. Toch lijkt de profeet te beseffen hoe moeilijk het is om niet te corrumperen, om niet verfoeilijk te zijn.
Niets is zo onbetrouwbaar als het hart,
onverbeterlijk is het, wie zal het kennen? Jeremia 17:9
38.5 ‘EEN KROON OM MEE TE OP TE SCHEPPEN’
Er zijn veel passages in de joodse literatuur waarin onthechting wordt voorgeschreven en evenveel waarin geklaagd wordt dat dit zo moeilijk is. De eerste geleerde waarvan de farizeese traditie niet alleen de naam maar ook een uitspraak heeft bewaard, is Antigonos van Socho, die leefde omstreeks de eerste helft van de derde eeuw voor het begin van de jaartelling. Zijn grondregel luidde: ‘Weest niet als knechten die hun heer dienen alleen om loon te ontvangen, maar weest als de knechten die hun heer dienen niet alleen om loon te ontvangen.’3 Hoezeer toewijding aan de thora ook van levensbelang, kostbaar en heilig is, het is schadelijk om de thora te bestuderen voor eigen doeleinden, haar te bestuderen zodat we rabbijnen genoemd kunnen worden, om hier of in het komende leven beloond te worden,4 van de thora ‘een kroon te maken om daarmee op te scheppen’, ‘een schop om mee te graven’. Volgens Hillel ‘zal hij die de kroon van de thora tot zijn eigen voordeel gebruikt, omkomen. Hij die winst behaalt voor zichzelf met de woorden van de thora, neemt zijn eigen leven’5De rabbijnen waarschuwen ons voortdurend: ‘Voor hem die de thora bestudeert omwille van de thora zelf, wordt de studie een levenselixer... maar voor wie die de thora om andere redenen bestudeert, wordt de studie een dodelijk vergif.’6 ‘Als je de woorden van de thora volbrengt met het oog op de thora zelf, dan brengen zij je leven; maar als je de woorden van de thora om andere redenen vervult, zullen ze je doden.’7
In de rabbijnse literatuur is Abraham de enige persoon van wie gezegd wordt dat hij God diende ‘uit liefde’.8 Dat Abraham de enige was om uitgekozen te worden,9 wijst op een besef van de onvolmaaktheid van de geest van alle andere profeten en heiligen.
38.6 VERMOMD POLYTHEÏSME
Je kunt alle wetten naleven en tegelijk een vermomd veelgodendom aanhangen. Want als iemand een religieuze handeling verricht met de bedoeling een menselijk wezen waarvoor hij bang is te plezieren, of waarvan hij hoopt te profiteren, dan is het niet God die hij eerbied bewijst, maar een menselijk wezen. ‘Een dergelijk persoon is erger dan een afgodendienaar..., Wanneer deze hulde bewijst aan de sterren, vereert hij iets dat niet tegen God rebelleert, terwijl de ander wezens vereert waarvan sommigen tegen God rebelleren. De afgodendienaar vereert maar één object, maar het aantal menselijke wezens dat godslasteraars kunnen vereren, is onbeperkt. Ten slotte is de innerlijke houding van de dweper voor iedereen duidelijk, je kunt ervoor op je hoede zijn - zijn verwerping van God is algemeen bekend. De verwerping van de huichelaar blijft echter onopgemerkt... Daarom is hij de ergste van de universele kwalen.’10Vermomd polytheïsme laat ook de verering van God samengaan met de toewijding aan zijn eigen voordeel, zoals er gezegd is: Laat geen andere god bij je toe, buig je niet voor een vreemde god (Psalm 81:10), waarover de leraren opmerkten dat dit betekende, de vreemde god in de mens zelf.11
38.7 HET FALEN VAN HET HART
God vraagt om het hart. Maar ons grootste falen is in het hart. Wie kan vertrouwen in goede bedoelingen als hij weet dat onder het mom van kavanah een zweem van ijdelheid zou kunnen schuilen? Wie kan er aanspraak op maken ook maar één mitswa te hebben vervuld met volkomen toewijding? Rabbi Elimelech van Lizjensk zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik ben zestig jaar en ik heb niet één mitswa vervuld.’12 Er is niet één mitswa die we volmaakt vervullen... behalve de besnijdenis en de thora die wij in onze kinderjaren leren,13 want deze beide handelingen zijn niet vervuild door ‘vreemde gedachtes’ of onzuivere beweegredenen.Ik heb nog iets onder de zon gezien: op de plaats waar recht gesproken wordt, heerst onrecht. Ik zag de plaats waar gerechtigheid zou moeten zijn, en er heerst onrecht. Daarom zal God zowel de rechtvaardigen als de goddelozen aan zijn oordeel onderwerpen (Prediker 3:16-17). Want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte. (12:14). ‘Elke daad’ doelt volgens rabbi Judah op ‘mitswot en goede daden’.13a
Want niemand op aarde is zo rechtvaardig, dat hij goed doet zonder te zondigen (Pred. 7:20). De commentatoren menen dat dit vers betekent dat zelfs een rechtvaardig mens bij gelegenheid zondigt; volgens hen is het leven een mozaïek van volmaakte daden, bestrooid met enkele zonden. Maar de Baäl Shem leest het vers: Want er is geen rechtvaardige mens op de aarde die goed doet en er is geen zonde in het goede. ‘Het is onmogelijk dat het goede vrij zou zijn van zonde en eigenbelang.’14 Op grond van de ervaring lijkt onze geestelijke situatie hopeloos.
Wij zijn allen bevuild,
smerig zijn onze beste daden,
smerig als met bloed bevlekte kleren. Jesaja 64:5
‘Zelfs onze goede daden zijn niet aangenaam maar weerzinwekkend, want wij verrichten ze uit zelfverheerlijking en uit trots en om op onze naasten indruk te maken.’15
De geest is altijd vatbaar voor ‘vreemde gedachtes’ en er is geen makkelijke manier om ze uit te bannen. Leerlingen vroegen aan een chassidische rabbi gedurende de laatste uren van zijn leven wie ze als hun meester moesten kiezen na zijn overlijden; hij zei: ‘Als iemand jullie zou vertellen hoe vreemde voornemens uit te roeien, weet dan dat hij jullie meester niet is.’
Volgens één legende waren de laatste woorden die de Baäl Shem uitte voor hij deze wereld verliet: ‘Heer der Wereld, verlos mij van hoogmoed en van bijbedoelingen.’ Volgens een andere legende waren zijn laatste woorden: Laat de voet van hoogmoedigen mij niet vertrappen (Psalm 36:12).
Pas als we op de plaats van bestemming zijn, weten we waarmee we hem moeten vereren. (Exodus 10:26). ‘Al onze service, alle goede daden die wij in deze wereld doen: wij weten niet of ze enige waarde hebben, of ze werkelijk zuiver zijn, eerlijk, of gedaan omwille van de hemel - totdat wij daar aankomen - in de komende wereld, pas daar zullen wij weten wat onze dienst hier was.’16
Wat Mozes zei tegen Israël, Ik stond toen tussen hem en u (Deuteronomium 5:5), werd door rabbi Michaël van Zloczów allegorisch uitgelegd als stond er: De ‘ik’ staat tussen God en mens.17
1 Ons wordt verteld dat in elke stad in Palestina een plaats was, genaamd ‘de kamer van de zwijgenden’, waarin de mensen hun charitatieve donaties in het geheim stortten en waar in dezelfde beslotenheid de verarmde leden van zichzelf respecterende families hun ondersteuning plachten te ontvangen. Mishnah Shekalim, 5, 6; Tosefta Shekalim, 2, 16.
2 Rabbi Raphael van Bersjt.
3 Abot, 1:5. Zie Louis Ginzberg in Jewish Encyclopaedia, 1, 629. In zijn commentaar op Psalm 112:1, Gelukkig de mens met ontzag voor de HEER en met liefde voor zijn geboden, zei rabbi Eliëzer: ‘In Zijn geboden en niet in de beloning van Zijn geboden.’ Abodah Zarah, 19a.
4 Sifre, Deuteronomium, 41 (op 11:13: Als u de geboden gehoorzaamt die ik u vandaag voorhoud, en de HEER, uw God, liefhebt en hem met hart en ziel dient...).
5 Abot, IV, 7.
6 Taanit, 7a.
7 Sifre, Deuteronomium, 306. Vergelijk de opvattingen van rabbi Joshua ben Levi en rabbi Jonathan in Yoma, 72b, en van Rabba in Shabbat, 88b.
8 Te handelen ‘uit liefde’ betekent bestudering of volbrenging van de thora ‘omwille van de thora zelf’ (Sifre Deuteronomium 48; Nedarim 62a), ‘omwille van de hemel’ (vergelijk Abot, ii, 17, met Sifre Deuteronomium, 41).
9 Volgens Rabban Jochanan ben Zakkai, was het rabbi Joshua ben Hyrcanus die nadien aanspraak maakte op dezelfde onderscheiding voor Job. Zie Mishnah Sotah V, 5.
10 Bachja ibn Pakoeda, The Duties of the Heart, yihud hamasseh, hfdst. 4.
11 Bachja, ibid., shaar hayihud, hfdst. 10. Zie Solomon Schechter († 1915), Some Aspects of Rabbinic Theology; Major Concepts of the Talmud, p. 69.
12 Rabbi Yaakob Aäron van Zalsjin, Bet Yaakov (Pietrkov 1899) p. 144.
13 Midrash Tehillim, 6, 1. Volgens sommige rabbijnen meenden onze voorvaderen zelfs op het ogenblik waarop zij, staande voor Sinaï, uitriepen: ‘Alles wat de HEER gezegd heeft zullen we ter harte nemen’ (Ex. 24:7), op welk ogenblik Israël volgens de traditie de hoogste graad bereikte van de geestelijke ontwikkeling van de mens (Shabbat, 88a), niet ten volle wat zij zeiden. Maar zij bedrogen hem met hun mond, met hun tong logen zij hem voor, hun hart was niet aan hem gehecht, zij waren zijn verbond niet trouw (Psalm 78:36-37). Volgens rabbi Meir waren hun harten op dat ogenblik gericht op afgoderij. Zie Mechilta, mishpatim, 13; Tosefta, Baba Kamma 7, 9; Tanhuma, ed. Buber, 1, 77; Exodus Rabba, 42, 6; Leviticus Rabba, 6, 1; Deuteronomium Rabba, 7, 10.
13a Prediker Rabba, 11 slot.
14 Toldot Yaakov Yosef(Lemberg 1863) p. 150d. ‘Er is geen mogelijkheid voor volmaakte kavanah in deze wereld.’ Rabbi Zadok, Resyse Laylah (Warschau 1902) in het begin.
15 David Kimchi van Narbonne (1169-1235), Commentaar op Jesaja, ter plaatse. Evenzo Samuel David Luzzatto (1800-1860) in zijn commentaar. Vergelijk rabbi N. J. Berlin, Commentaar op Sheeltoth, § 64, p. 420. Zie ook Rashi, Baba Batra, 9b. Vergelijk Eliëzer ben Jehoeda (1858-1922), Thesaurus (‘Milon’), dl IX, p. 4328.
Tegen de bedoeling en de geest van Jesaja in werd zijn woord vaak gebruikt om de ‘goede werken’ aan te vechten. Over de antiwettelijke en antibijbelse kanten van een dergelijk concept, zie E. La B. Cherbonnier, Hardness of Heart, p. 94 e.v. Hiertegenover meende rabbi Hanina dat het de bedoeling van de profeet was om goede werken te prijzen, hoe ontoereikend ze ook mogen zijn. ‘Net zoals in een kleed elke draad zich met de andere verenigt om een heel kleed te vormen, zo verenigde zich elke uit liefdadigheid geschonken penning met de andere tot een groot bedrag.’ Baba Batra, 9b.
16 Rabbi Isaac Meir van Ger.
17 Geciteerd door rabbi Kalonymus Kalman Epstein, Maor Vashamesh (Lemberg 1859) p. 29b.
Abraham Joshua Heschel:
Een filosofie van het jodendom
Vertaald uit het Engels door Daniël Mok
Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk
Prijs € 29,90