Deel 3 Antwoord

39 Het zelf en het niet-zelf

39.1    IS VERLANGEN DE MAAT VAN ALLES?
Is het waar dat, zoals boven afgevraagd, onze religieuze overtuigingen niets anders zijn dan pogingen om onze onderbe­wuste wensen te bevredigen? Dat onze ethische maatstaven niets anders zijn dan vermomde verlangens? Dat verlangen de maat is van alle dingen?
Als wij ons bij onze handelingen nooit laten leiden door een norm maar door verlangens uit eigenbelang, dan moeten we onze pogingen opgeven om ultieme normen voor ons gedrag te vinden en in plaats daarvan al onze aandacht richten op de psychologie van de begeerte. Dan zou ons beginsel moeten zijn: verlangen is de vader van alle waar­des, wat wenselijk is, is waardevol.

Is het waar, dat het enige wat een mens kan doen het stimuleren van zijn eigen voorspoed is? Dat een psychologie van begeer­te in staat zou zijn om zowel bedoelingen te omschrijven als een complete set gedragsregels vast te stellen? Ondanks het verlei­delijke van deze visie verandert de geestdrift van hen die haar doordénken en doorléven bij het onderzoeken van de rol van begeer­tes in het menselijke leven, ten slotte in weerzin en wanhoop. Maar waarom zou het denkbeeld dat de mensheid een ten hemel stijgende stank van gulzigheid zou zijn, afstotelijk zijn? Boven­dien, waarom moet een beschaving die schittert door rijkdom­men en gevestigde belangen, uitlopen op walging? Waarom be­derft het gemoed als de wortels van de waardes beginnen te rot­ten? Wat is er fout aan het leven in een jungle van prikkels? En wat aan een leven van vraatzucht? Waarom moet weerzin de nasleep zijn van hebzucht?

Zouden de wanhoop en de weerzin, die de rotlucht van een aan genotzucht gewijd leven in onze harten doet opwellen, ver­klaard kunnen worden als vermomde genotzucht? Inderdaad kunnen theorieën proberen om zich van zulke reacties te ontdoen omdat ze vaag en logisch zinloos zijn en blijk geven van zelfoverschatting in een beredeneerde ver­momming. Maar zulke theorieën zien de op ervaring gebaseerde feiten van het menselijke bewustzijn over het hoofd.

Er bestaat inderdaad een voortdurende spanning in de mens tussen het brandpunt van het zelf en het doel dat voorbij dat zelf ligt. Dierlijk leven is een leven voortgedreven door krachten, zonder rekening te houden met bestudeerde doeleinden. Dierlijk in de mens is de impuls om al zijn aandacht te richten op behoeftebevrediging. Geestelijk in de mens is de wil om hogere doelen te dienen en door doelen te dienen overstijgt hij zijn behoeften. Het getuigt van begripsverwarring om te zeggen dat de hunkering om vrij te zijn van eigenbelang even egoïstisch is als elk ander belang. Het verschil zit in het oogmerk of de richting van de han­deling. Egoïstische belangen zijn middelpuntzoekend; losstaan van eigenbelang is middelpuntvliedend, een zich af­wenden van het zelf. Het wezen van de mens, zijn uniekheid, ligt in zijn vermogen om zichzelf te overtreffen, om zijn behoeften en egoïstische beweegredenen te overstijgen. Het is struis­vogelpolitiek om de ernst van die spanning niet te willen zien. Als je de hoop opgeeft, als de kracht om dit probleem aan te pakken ontbreekt, kom je terecht in de hel van de cynicus. Maar hoe zou de strijd voor heelheid gestreden moeten worden?

39.2    DE OMZETTING VAN BEHOEFTEN
Een levend organisme kan niet worden omschreven door het aantal cellen dat het omvat en een mens kan niet omschreven worden door het aantal van zijn behoeften en even­min kan zijn leven worden opgevat als een wisselwerking tussen behoefte en bevrediging. Verlangens leiden geen zelfstandig be­staan, het zijn reacties op objecten: ze ontstaan in bepaalde situa­ties. De levenskunst is een kunst om met verlangens om te gaan, en het karakter van de mens wordt gevormd en onthuld door de wijze waarop hij zijn hartstochten en begeertes beteugelt. Wel­licht hebben veel mensen trauma’s, maar van belang is dat de een zich wendt tot de dichtkunst, de ander tot maatschap­pelijk werk en een derde tot de misdaad.

Het onderscheidende kenmerk van de mens is zijn vermogen om zijn verlangens om te zetten. Hij weet niet alleen hoe hij zijn be­hoeften kan vergroten en bevredigen, maar ook hoe hij ze kan wijzigen; hoe hij verlangen en verrukking kan weerstaan en ze niet alleen maar kan ondergaan. Zijn creatieve daden bestaan eerder uit bewuste veranderingen, uit kiezen en verwisseling van tegen­strijdige bedoelingen, dan uit een directe, meedogenloze onder­drukking.

In de biologie spreken we van heterogenesis als een wijze van voortplanting waarbij de ouder nakomelingen voortbrengt die in structuur en gewoonten van hem afwijken, maar die na een of meer generaties tot het oudermodel terugkeren. Een dergelijk verschijnsel is mogelijk in het innerlijke leven van de mens. Ter­wijl we de behoeftevermeerdering niet kunnen stuiten en evenmin menselijke hartstocht met succes kunnen onderdruk­ken, is het ons gegeven om verlangens om te zetten en om hartstocht te richten op doeleinden van onze eigen keuze. Zo kun­nen dus egoïstische behoeften leiden tot het bereiken van doelein­den van algemene betekenis.

Maar lost de conversietechniek het probleem van egoïsme op? Is het gerechtvaardigd om aan te nemen dat de mens door de omzetting van behoeften niet alleen in staat is om gedragspatronen te veranderen, maar ook de richting van motivatie om te buigen? Verbergen we niet eerder eigenbelang dan dat we het veranderen? Verborgen kwaad is een grotere be­dreiging dan openlijk kwaad. Corrupte belangen kunnen kwaad­aardiger zijn dan oorspronkelijke behoeften. Komt de omzetting van verlangens niet neer op het aanbieden van een veilige terug­tocht aan beweegredenen die we menen te beteugelen? Is het überhaupt mogelijk om egoïstische motieven te overwinnen?

39.3    BESCHEIDENHEID
De ontdekking van een mislukking om een verlangen in goede ba­nen te leiden gaat gepaard met een drang om deze te onderdruk­ken. Dan komt het ons voor dat de enige manier om verlost te worden van de verslaving aan het ego, het wegcijferen van ons­zelf is. Maar wegcijferen van onszelf als zodanig is een vlucht waardoor we nog erger in de knoei kunnen ko­men. Eliminatie van het zelf is op zichzelf geen deugd. Het is geen morele eis om het leven of het recht op bevrediging op te geven. Als bescheidenheid op zichzelf deugdzaam zou zijn, zou zelfdoding het toppunt van moreel leven zijn. Het is Moloch1 die het offer van het leven verlangt; het is militarisme dat de dood op het slagveld als het hoogste ideaal verheerlijkt. De profeten van Baäl gingen zich meer te buiten aan zelfvernede­ring dan de profeten van Israël.

Eigenlijk kan alleen hij die de rechtvaardigheid van zijn eigen rechten werkelijk begrijpt, recht doen wedervaren aan de rech­ten van anderen. Het leren aanvaarden van regels bestaat uit het verdiepen van je hartstochtelijke begrip voor de rechten en noden van anderen om op deze wijze je hartstochtelijke begrip voor je eigen rechten en noden te evenaren.

De waarde van een offer wordt niet alleen bepaald door wat je weggeeft, maar ook door het doel waaraan het gegeven wordt. Het Hebreeuwse woord voor het werkwoord ‘offeren’ be­tekent letterlijk dichtbij komen, benaderen. Het is niet onze taak om afstand van ons leven te doen, maar om het dicht bij God te brengen. Wij streven niet naar losstaande ogenblikken van zelfvergetelheid, maar naar nuchtere, voortdurende bevestiging van an­deren, naar het vermogen om de behoeften en de proble­men van onze medemensen aan te voelen. Noem een dergelijke hou­ding nooit wegcijfering of hatelijk tegenover de ziel. Wat is uitgewist, is een agressiviteit, een hardheid, waarvan de ziel in zijn goede ogenblikken een afkeer van heeft en verwenst.

Het zelf kan tot vriend van de geest worden gemaakt als je in staat bent om een blijvende voorstelling te ontwikkelen van alles buiten jezelf, van de psychische angsten en de waardigheid van de ander.

Egocentriciteit is het tragische misverstand van ons lot en ons be­staan. Voor de mens is humaniteit in de kern hetzelfde denkbeeld als mens. Om mens te zijn moet je meer dan een mens zijn. Het zelf is geestelijk onvolgroeid, het groeit in de betrokkenheid om wat buiten jezelf ligt. Dit is de diepzinnige paradox en het verlossende kenmerk van het menselijke bestaan. Er is geen vreugde voor het zelf in het zelf. Vreugde wordt meer gevonden in geven dan in krijgen, meer in dienen dan in nemen.

We zijn allen begiftigd met talenten, neigingen en vaardig­heden. Maar talent zonder toewijding, begaafdheid zonder roe­ping, vaardigheid zonder geestelijke waardigheid eindigen in frustratie. Wat is geestelijke waardigheid? De gehecht­heid van de ziel aan een doel dat ligt voorbij het zelf, een doel niet in, maar voorbij het zelf.

Dit is inderdaad het mysterie van het zelf, niet verklaarbaar in termen van psychologische analyse. Zoals het gevoel voor het onuitsprekelijke alle woorden overstijgt, zo overstijgt de drang tot oprechtheid, de kracht om boven zichzelf uit te komen, alle be­langen en wensen.

39.4    ZELFRESPECT
Wanneer wij het probleem van het zelf behandelen, moeten wij ons verre houden van alle overdrijving. Zelfrespect is niet slecht. Wanneer je neemt wat niet van jou is, wanneer je eigenbelang laat prevaleren ten koste van anderen of als je jezelf aanwijst als het ultieme doel, dan ontstaat het kwaad. Is het verkeerd dat een mens zich bewust is van het goede dat hij doet en dat hij zelfs vreugde schept in wat hij doet? Is het slecht om van een goede daad te genieten? Hoor je een daad niet als goed te beschouwen tenzij die automatisch verricht is? Moeten we niet zeggen dat een rechtvaardig mens iemand is voor wie wat nodig is, ook gewenst is en niet iemand die het goede doet ondanks zijn eigen wil? De juiste verhou­ding tussen jezelf en het goede is er niet een van spanning maar van innerlijke harmonie en overeenstemming. In het bijbelse denken wordt de verbinding van het zelf met de daad en zelfs het krijgen van een beloning als wenselijk beschouwd.

Het feit dat de mensen ‘het onrecht afkeuren uit vrees dat zij er het slachtoffer van zullen worden en niet omdat zij ervoor te­rugdeinzen om het te plegen’,2 het feit dat wij, als wij rechtvaardigheid verdedigen, daar misschien onbewust door eigenbelang toe bewogen worden, spreekt helemaal niet de innerlijke, absolute betekenis van rechtvaardigheid tegen. Het toont ons dat de rechtvaardigheid zo diep in de werkelijkheid van onze samenleving geworteld is, dat het tot ons spreekt als een vereiste voor overleven, niet alleen als een ethisch of religieus gebod. Je kan je natuurlijk voorstellen dat een maat­schappij gevestigd zou kunnen worden, waarin moord als juist zou worden beschouwd. Maar het feit dat een dergelijke maat­schappij na verloop van tijd de vijandschap van andere groepen zou uitlokken, het feit dat die groepen voor hun eigen veiligheid zouden opstaan om die maatschappij te vernietigen, het feit dat overleving van de mensheid in haar geheel onverenigbaar is met kwaad, is een teken dat het vereiste van rechtvaardigheid sterker is dan onze bewuste verhouding tot haar.3

 

39.5    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 39

[1         Zo liet hij op een heuvel in de buurt van Jeruzalem een offerplaats maken  ter ere van Moloch, de gruwelijke god van de Ammonieten (1 Koningen 11:7). Ontwijd de naam van je God niet door een van je kinderen aan Moloch te offeren. Ik ben de HEER (Leviticus 18:21). Ikzelf zal mij tegen zo iemand keren en hem uit de gemeenschap stoten, omdat hij een van zijn kinderen aan Moloch heeft geofferd en daarmee mijn heiligdom heeft verontreinigd en mijn heilige naam heeft ontwijd (Lev. 20:3).]

2      Plato, De staat, 344c.

3          Zie Man is Not Alone, p. 224 e.v.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90