Deel 3 Antwoord

40 De daad verlost

 

40.1    BESEF VAN INNERLIJKE VERSLAVING
Is het denkbeeld van heelheid een ongebreidelde fantasie? Het woord van Mozes: ‘De HEER is de enige! Heb daarom de HEER lief met hart en ziel en met inzet van al uw krachten’, het woord van Jozua: ‘Eerbiedig de HEER, dien hem met onvoorwaardelijke trouw’ (Jozua 24:14) en het woord van Samuel: ‘Dus: heb ontzag voor de HEER en wees hem oprecht, met hart en ziel toegewijd’ (1 Samuel 12:24) kunnen niet worden afgedaan als utopisch. De profeten zouden niet hebben verlangd hem hartgrondig lief te hebben als een dergelijke liefde volmaakt onmogelijk zou zijn.

Zo moeten wij beginnen in ons streven om onszelf te zuiveren: bewustwording van onze innerlijke onderwerping aan het ego, de smetjes in onze goede eigenschappen ontdekken, de zweem afgoderij in onze aanbid­ding van God herkennen.

Het is van grote waarde om onze subtiele schijnheiligheden te kennen, om geen absoluut vertrouwen in ons geloof te hebben, om schaamte en berouw te voelen. De steek van schaamte is de enige pijn die het ego niet kan verdragen en de enige slag die zijn krach­ten kan laten krimpen en terugdeinzen en berouw is het reddende kenmerk van onze ziel. Wroeging is waardevoller dan offer.

U wilt van mij geen offerdieren,
in brandoffers schept u geen behagen.
Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult u, God, niet verachten.                             
Psalm 51:18-19

U, Heer, staat in uw recht, maar tot op deze dag staat de schaamte ons op het gezicht (Daniël 9:7). ‘Waarom is dit zo? Rabbi Nehemiah zei: Omdat zelfs als wij rechtvaardigheid betrachten, schaamte ons vervult als wij onze daden overzien.’1

En de mens dient kritisch te staan tegenover zijn hele optreden. Want niemand is rechtvaardig in zijn ogen. Toch is het be­sef van onze innerlijke gebondenheid het eerste teken van hulp.

40.2    ZUIVERE MOMENTEN
Hoe minder wij bereid zijn om ons neer te leggen bij onze kete­ning aan het ego en hoe beter wij begrijpen dat uiteindelijke be­tekenis te vinden is in daden, gevormd aan de rand van het zelf, des te groter is, ten minste voor een ogenblik, de kans op bevrijding. En het ogenblik is wat het meest telt.

Er zijn ogenblikken dat wij allen ons bewust worden van de grootsheid van de kosmische werkelijkheid, waartegenover de onwaardigheid van egocentrisch denken, de schone schijn van beloningen en de begeerte van de ijdelheid ons met schaamte vervullen. Er is zoveel wijsheid in het bos, zoveel goedheid in de grond, en geen spoor van aanmatiging. Wij worden ons bewust van onze werkelijke toestand, heen en weer geslingerd tussen plicht en vlucht, en van het feit dat er geen ontsnappingsmoge­lijkheid is, dat zelfs de dood geen uitweg biedt. Beschaamd, ge­schokt door de ellende van een overbelast ego, proberen we uit de cirkel van het ego uit te breken.

40.3    BEROUW
Hoe troostrijk het vertrouwen op ogenblikken van zuivere toe­wijding ook is, de benauwdheid blijft. Na al onze inspanningen en pogingen om het zelf te zuiveren, ontdekken wij dat afgunst, ijdelheid en arrogantie in het donker op de loer blijven liggen. Waar komt onze hulp vandaan? De ogenblikken waarin je jezelf in vervoering vergeet, gaan snel voorbij. Wat is het antwoord dan?

Moeten wij dan wanhopen omdat we niet bij machte zijn vol­maakte zuiverheid te verwerven? Dat zouden wij moeten als volmaaktheid ons doel zou zijn. Maar wij zijn niet verplicht om voor eens en voor al volmaakt te zijn, maar alleen om telkens op­nieuw boven het niveau van het zelf uit te stijgen. Volmaaktheid is goddelijk en haar als een doel voor de mens stellen is de mens oproepen om goddelijk te zijn. Het enige dat wij kunnen doen, is proberen onze harten berouwvol reinigen. Berouw begint met een gevoel van schaamte over ons onvermogen om ons los te maken van onszelf. Berouwvol zijn over mislukkingen is heiliger dan zelfingenomen zijn in volmaaktheid.

40.4    GOD IS VOL MEDEDOGEN
In de wereld van de joodse godsvrucht kunnen twee stemmen worden gehoord. Eén stem is streng en vastberaden: goede da­den verricht uit onzuivere motieven zijn geheel ontoereikend.2 De andere stem is gematigd: goede daden zijn waardevol zelfs als hun beweegreden niet zuiver is.3

Wat zijn de feiten? Zelfs de zuiverste bedoeling is niet sterk ge­noeg om alle hoeken van de ziel te vullen, die aan alle kanten open ligt voor het binnendringen van het ego. Wie zou kunnen bestaan als hij geoordeeld werd naar de strenge, vastberaden maatstaf van algehele intentionele zuiverheid? Inderdaad heeft de stem van de matiging in de regel de overhand behouden. Dus wordt ons geleerd te geloven dat ‘vreemde gedachtes’ of zelfs onzuivere motieven de waarde van een geheiligde daad niet tenietdoen.

De ziel is broos, maar God is vol mededogen met het leed van de ziel, met het falen van het hart. In de talmoed wordt gezegd: ‘Er zijn er die verlangen (anderen te helpen), maar de middelen niet hebben, terwijl anderen de middelen hebben, maar niet het verlangen (om te helpen).’ Toch zijn beiden heilig in de ogen van God.4

40.5    DOELEINDEN ZUIVEREN DE MOTIEVEN
Het jodendom legt de nadruk op de daad en hoopt op het oog­merk. Elke ochtend wordt er gebeden:

 

Maak zoet, zo smeken wij Jou, O Heer onze God, de woorden van Jouw thora in onze mond... opdat wij Jouw thora omwille van zichzelf studeren.

Het doel voortdurend in gedachten houdend wordt ons geleerd dat wij door moeten gaan met het naleven van de wet, zelfs als we nog niet zo ver zijn dat te doen ‘omwille van God’. Want het goede zal ons, zelfs als het niet ten behoeve van het goede gedaan is, uiteindelijk leren hoe omwille van God te handelen. We moeten doorgaan met het verrichten van geheiligde daden, zelfs als we gedwongen zouden worden het zelf met menselijke drijfveren om te kopen. Zuiverheid van motief is het doel, besten­digheid van handelen is de weg. Het is nutteloos om het ego in het vrije veld te bestrijden, als een gewonde hydra krijgt het voor elke afgehouwen kop er twee terug. Wij moeten ons niet uitleven in zelfonderzoek, we moeten niet al onze aandacht richten op het probleem van de egocentriciteit. De manier om het zelf te zuive­ren is niet te blijven stilstaan bij het zelf maar al zijn aandacht te richten op de taak.

40.6    DE DAAD VERLOST
Elke religieuze of morele les die de eerste plaats in­ruimt voor de innerlijke deugden als geloof en zuivere motieven, moet schipbreuk lijden. Als geloof de enige maatstaf zou zijn, dan zou de inspanning van de mens tot mislukken zijn gedoemd. Inderdaad, het besef van de zwakheid van het hart, de onbetrouwbaarheid van het innerlijke wezen van de mens kan misschien een van de redenen zijn geweest die het jodendom gedwongen heb­ben om zijn toevlucht te nemen tot daden in plaats van op inner­lijke devotie te vertrouwen. Wellicht is dit de achtergrond van de raad van de rabbijnen: doe altijd het goede, zelfs als het niet gedaan wordt omwille van het goede. Het is de handeling die ons de betekenis van die handeling leert.

De weg naar de zuivere intentie is geplaveid met goede da­den. Het goede wordt uitgevoerd in doen, en een goede daad brengt een intense fascinatie mee, die een tegenwicht vormt tegen de druk en de vurigheid van het eigen ik. Het eigen ik wordt verlost door de absorberende kracht en de onverbiddelijke uitda­ging van de rechtvaardige taak die ons wacht. Het is de daad die overweldigt, die de ziel in vervoering brengt en die be­wijst dat de grootste schoonheid groeit op de grootste afstand van het centrum van het ego.

Daden gericht op ideale doelen, daden niet verricht met achte­loos gemak als routine maar met inspanning en overgave aan hun betekenis, zijn sterker dan de verrassing en de aanval van wispelturigheid. Het dienen van geheiligde doelen kan lage motie­ven veranderen. Want zulke daden zijn veeleisend. Wat ook ons motief voorafgaande aan de handeling geweest mag zijn, de han­deling zelf verlangt onverdeelde aandacht. Zo is het verlangen naar beloning niet de stuwende kracht van de dichter in zijn scheppende ogenblikken en het najagen van plezier of voordeel is niet het belangrijkste van een religieuze of morele handeling.

Op het moment dat de musicus geheel opgaat in het spelen van een concert, is de gedachte aan applaus, roem of beloning verre van hem. Zijn volledige aandacht, zijn hele wezen is één met de muziek. Een gedachte die van buitenaf zijn geest binnen­komt, zou de concentratie verbreken en het zou de zuiverheid van zijn spel verstoren. Toen hij met zijn impresario onderhandelde, zal hij wel aan zijn beloning hebben gedacht, maar tijdens de uitvoering vraagt de muziek zijn volledige concentratie.

Bij het verrichten van een religieuze of morele daad ver­keert de mens in dezelfde situatie. Aan zichzelf overgelaten staat de ziel bloot aan eigenzinnigheid. Maar in de daad ligt een kracht die de begeertes zuivert. De handeling, het leven zelf vormt de wil. Het goede motief ontstaat terwijl het goede gedaan wordt.

Wanneer het aanvankelijke motief sterk en zuiver is, kunnen bedoelingen die zich gedurende de handeling opdringen, zelfs dienen om het te inspireren, want het aanvankelijke motief kan de vitaliteit van de indringer in zijn eigen kracht opnemen.

Een mens kan doordrenkt zijn van egoïstische motieven, maar een daad en God zijn sterker dan dat. De verlos­sende kracht die zich ontlaadt door het goede te doen, zuivert het gemoed. De daad is wijzer dan het hart.

Een leerling van rabbi Mendel van Kotsk klaagde bij zijn meester over zijn onvermogen om God te aanbidden zonder zich van zichzelf bewust te zijn en een zweem van trots te voelen. Is er een manier van bidden waar het zelf niet in binnendringt? vroeg hij.

‘Ben je ooit een wolf tegengekomen terwijl je alleen in het bos wandelde?’

‘Ja’ antwoordde hij.

‘Wat hield je op dat moment bezig?’

‘Angst, niets anders dan angst en de wil om te ontkomen.’

‘Zie je, in zo’n ogenblik was je bang zonder dat jij je van jezelf bewust was, of trots was op je angst. Op deze wijze mogen wij God aanbidden.’

Hoewel diep doordrongen van de onzuiverheid en onvol­maaktheid van al onze daden, moet het feit van ons doen gekoes­terd worden als het grootste voorrecht, als een bron van vreugde, als datgene wat het leven zijn uiteindelijke waarde verleent. Ogenblikken beleefd in de omgang met God, daden verricht in de navolging van Gods wil, zullen nimmer vergaan. De waarde van het goede blijft, zonder rekening te houden met alle onzuiverheid.

40.7    ‘DIEN HEM MET VREUGDE’
Het ligt in de joodse traditie besloten om opgetogen te zijn over de kans om de wet te mogen vervullen, zij het onvolmaakt, maar beter dan bezorgd te zijn over het niet in staat zijn de wet volmaakt te volbrengen. Dien de HEER met vreugde, kom tot hem met jubelzang (Psalm 100:2).

Israël voelt een zeker welbehagen en een zekere vreugde in het vervullen van de wet, die voor een gehuurde knecht zwaar en verwarrend is. Want ‘de zoon die zijn vader dient, dient hem met vreugde, zeggend: Zelfs als het mij niet geheel lukt (om Zijn geboden te volbrengen), zal hij als liefhebbende vader toch niet boos op mij zijn. Hiertegenover is een gehuurde knecht altijd bang dat hij een fout zal maken en daarom dient hij God in ver­ontrusting en verwarring.’5 Inderdaad, wanneer Israël zich niet op zijn gemak voelt omdat zij voor God terecht moeten staan, zeggen de engelen hun: ‘Vrees niet voor het oordeel... Kennen jullie Hem niet? Hij is jullie naaste bloedverwant, Hij is jullie broeder en wat meer is, Hij is jullie vader.’6

40.8    ‘WIJ VERKNOEIEN EN HIJ HERSTELT’
Het eeuwige gebod probeert als een zaag de hardheid van de harten weg te snijden. Ondanks alle pogingen blijft de hardheid. Wat is dan de betekenis van al die moeite? Rabbi Tarfon zei: ‘Al ligt het niet aan jou het werk af te maken, toch ben je niet vrij je eraan te onttrekken.’ Wat we ook doen, het is niet meer dan ge­deeltelijke vervulling; de rest wordt voltooid door God.

Alleen zijn wij niet in staat onze ziel te bevrijden van heimelij­ke motieven. Dit is echter onze hoop: God zal verlossen waar wij falen. Hij zal voltooien wat wij trachten uit te voeren. Het is de genade van God die diegenen helpt die alles doen wat binnen hun ver­mogen ligt om wat hun vermogen te boven gaat, tot een goed einde te brengen.

Rabbi Nachman van Kosow vertelde een gelijkenis. Een ooie­vaar viel in de modder en was niet in staat zijn poten eruit te trekken, totdat hij op een idee kwam: Heb ik geen lange snavel? Hij stak dus zijn snavel in de modder, leunde erop en trok zijn poten eruit. Maar wat had dat voor zin? Zijn poten wa­ren eruit, maar zijn snavel zat vast. Toen kreeg hij een ander idee. Hij stak zijn poten in de modder en trok zijn snavel eruit. Maar wat had dat voor zin? Zijn poten zaten vast in de mod­der...

Zo is ook de situatie van de mens. Als hij in één opzicht succes heeft, faalt hij in een ander. Wij moeten ons voortdurend voor ogen houden: wij bederven en Hij herstelt. Hoe laakbaar is de ma­nier waarop wij laten mislukken en hoe goed en hoe mooi is de manier waarop hij herstelt.

Uit de diepte roepen wij om hulp. Wij geloven in staat te zijn verborgen motieven te overwinnen, omdat anders geen goed zou worden gedaan en liefde onmogelijk zou zijn. Toch ‘hebben wij om reinheid van hart te verwerven goddelijke hulp nodig’.7

Daarom bidden wij:

 

Reinig onze harten opdat wij Jou in oprechtheid mogen aanbid­den (sabbatliturgie).

Alles is ontoereikend: zowel wat we doen als wat we laten. Wij kunnen niet vertrouwen op onze vroomheid want die is besmet met vreemde gedachtes, arrogantie en ijdel­heid. Het vraagt een grote inspanning om te beseffen voor wie wij staan, want een dergelijk besef is meer dan een losse gedachte. Het is een weten waar de hele persoon bij betrokken is, de geest, het hart, lichaam en ziel. Dit te weten is al het andere te vergeten, met inbegrip van het zelf. Op zijn best kunnen we dit maar voor een ogenblik bereiken en alleen van tijd tot tijd.

Wat blijft er dan nog voor ons te doen behalve bidden om het ver­mogen om te bidden, betreuren dat we niet weten dat wij leven in zijn nabijheid? En zelfs als zo’n gebed besmet is met verwaandheid, aanvaardt zijn genade onze zwakke pogin­gen en maakt die goed. Het is onze constante poging om te bidden, de ongebroken trouw aan onze plicht om te bidden, die kracht geeft aan onze broze dienst aan God. Het is de heilig­heid van de gemeenschap die betekenis verleent aan ons indivi­duele eerbetoon. Dit zijn de drie zuilen waarop ons gebed tot God opstijgt: onze eigen trouw, de heiligheid van Israël, de ge­nade van God.

40.9    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 40
1          Exodus Rabba, 41:1.
Zie Will Herberg, Judaism and Modern Man (New York 1951) p. 149 e.v.

2             In één bijzonder geval noemen de rabbijnen de persoon die zonder het gepaste oogmerk een gebod vervult, een overtreder. (Nazir, 23a, zie Albo, Ikkarim, iii, hfdst. 28.) Eén rabbi beweerde dat ‘het beter zou zijn dat hij die de thora niet naleeft omwille van haarzelf, niet gebo­ren was’. (Een gezegde van Raba, Berachot, 17b.) Hoewel deze extre­me zienswijze door de meeste joodse theologen verworpen werd, werd ze tot op zekere hoogte door anderen ondersteund. Volgens Bachja ibn Pakoeda: ‘Alle werken omwille van God verricht, moeten als wortels puurheid van hart en doelbewustheid hebben. Waar de beweegreden bezoedeld is, worden goede daden niet aanvaard, hoe talrijk ze ook zijn en zelfs niet als ze onafgebroken verricht worden.’ The Duties of the Heart, inlei­ding.

3          Hullin, 7a. Zie Tosefot, ter plaatse. God houdt de beloning van welke schepselen ook niet in; zelfs de bozen worden beloond voor het goede dat zij mochten doen. Hij houdt de beloning zelfs voor een gepast woord niet in. Zie Pesahim, 118a; Nazir, 23b. Onthouding van arbeid op de sabbat uit luiheid en niet uit eerbied voor de sabbat wordt toch verdienstelijk geacht.

4          Hullin, 7b.

5          Tanhuma, Noach 19.

6          Midrash Tehillim, 118, 10. Zie Solomon Schechter, Some Aspects of Rabbinic Theo­logy, p. 55 e.v.

7             Rabbenu Yonah, Commentaar op Alfasi, Berachot, 5, 1. Vergelijk Psalm 51:12, Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, en Jeremia 32:40: Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen. Zie boven, hoofdstuk 12, noot 2.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90