Deel 3 Antwoord

41 Vrijheid

41.1    HET PROBLEEM VAN DE VRIJHEID
We hebben gezegd dat de grand premisse van religie is dat de mens zichzelf kan overtreffen. Een dergelijk ver­mogen is het wezen van vrijheid. Volgens Hegel is de wereldge­schiedenis niets meer dan de ontwikkeling van het bewustzijn van de vrijheid. Wat geeft ons nu de zekerheid dat vrijheid niet een misleidend concept is? Met het woord vrijheid bedoelen wij de onafhankelijkheid van de wil van voorafgaande voorwaarden, psychologische en fysiologische. Maar is de wil ooit onafhanke­lijk van het karakter van de persoon en de omstandigheden van de omgeving? Is niet elke handeling het gevolg van een vooraf­gaande factor? Is niet het ogenblik zelf waarop een beslissing ge­nomen wordt beladen met de druk van het verleden? Het vermo­gen van het verstand om de voors en tegens van een bepaalde handeling te vergelijken en aan de ene de voorkeur te geven bo­ven de andere is beperkt tot die redenen die bewust en duidelijk zijn. Toch zijn deze redenen afgeleid van andere redenen, die op hun beurt een oneindige stamboom hebben. Wat ook de genese, het ontstaan, de wordingsgeschiedenis van de oorspronkelijke redenen geweest was, het onder ogen zien van de descendenten is geen kwestie van onbevooroordeeld en weifelachtig denken. Kunnen wij werkelijk volhouden de macht te bezitten over de beslissingen van onze eigen wil?

Wie moet als vrij worden beschouwd? Vrij is niet altijd degene wiens handelingen worden beheerst door eigen wil, omdat de wil geen ultieme en op zichzelf staande grootheid is, maar eerder wiens beweegredenen worden bepaald door ontembare krachten. Evenmin is degene vrij die is wat hij wil zijn, omdat on­miskenbaar factoren buiten hem bepalen wat hij zijn wil. Dient hij die goed doet omwille van het goede als vrij te worden be­schouwd? Maar hoe is het mogelijk om goed te doen omwille van het goede?

Hoe is persoonlijke vrijheid dan mogelijk? Haar aard is een mysterie,1 en de geweldige hoeveelheid aangroeiend bewijs van determinisme maakt het ons zeer lastig om in vrijheid te gelo­ven. En toch, zonder een dergelijk geloof heeft het morele le­ven geen zin meer. Zonder vrijheid serieus te nemen is het onmogelijk om de humaniteit serieus te nemen.

Vanuit naturalistisch standpunt is menselijke vrijheid een hersenschim. Wanneer alle feiten in het universum en daardoor ook in de menselijke geschiedenis absoluut afhankelijk zijn van en bepaald worden door oorzaken, dan is de mens een gevangene van de omstandigheden. Er kunnen geen vrije, schep­pende ogenblikken in zijn leven zijn, omdat deze een vacuüm in de tijd of een breuk in de keten van oorzaak en gevolg veronder­stellen.

De mens leeft onderworpen aan zijn natuurlijke omge­ving, aan de maatschappij en aan zijn eigen personage, gebonden aan behoeftes, belangen en zelfzuchtige verlangens. Toch betekent vrij-zijn het overstijgen van natuur, de maatschappij, zijn ‘karakter’, behoeften, belangen en begeertes. Hoe is vrij­heid dan voorstelbaar?

41.2    VRIJHEID IS EEN GEBEURTENIS
De werkelijkheid van vrijheid, van het vermogen om te denken, te willen of te beslissen buiten de fysiologische en psy­chologische causaliteit om, is alleen maar voorstelbaar wanneer we aannemen dat het menselijke leven zowel het proces als de ge­beurtenis in zich sluit (zie hoofdstuk 22). Wanneer de mens wordt beschouwd als een proces, wanneer zijn toekomstige be­slissingen gezien worden als berekenbaar, dan moet vrijheid worden ontkend. Vrijheid betekent dat de mens in staat is om zich uit te drukken in gebeurtenissen, los van zijn betrokkenheid in de natuurlijke levensprocessen.

Geloven in vrijheid is geloven in gebeurtenissen, vooral volhouden dat de mens in staat is om te ontsnappen aan de be­perkingen hem opgelegd door de processen waarbij hij betrokken is en om te handelen op een wijze die niet door eerdere factoren wordt afgedwongen. Vrijheid is de toestand waarin men buiten zichzelf treedt, een handeling van geestelijke extase, in de oor­spronkelijke betekenis van het woord.

Wie is dan vrij? De scheppende mens die niet wordt meege­sleurd door de stromen van dwang, die niet geketend is door pro­cessen, die geen slaaf is van omstandigheden.

In zeldzame ogenblikken zijn wij vrij. Meestal worden we ge­dreven door een proces. We geven toe aan de macht van geërfde karaktereigenschappen of aan de kracht van externe omstandigheden. Vrijheid is geen voortdurende conditie van de mens, ‘een duurzame houding van het bewuste subject’.2 Zij is niet, zij gebeurt. Vrijheid is een handeling, een gebeurtenis. Wij allen zijn begiftigd met het vermogen tot vrijheid. Maar in de werkelijkheid handelen wij slechts in zeldzame, creatieve ogen­blikken vrijelijk.

Het vermogen van de mens om zichzelf te overstijgen, uit te rijzen boven alle natuurlijke banden en beperkingen, veronder­stelt verder dat elk mens leeft in een gebied beheerst door wet en noodzaak, alsook in een gebied van creatieve mogelijkheden. Het gaat er vanuit dat de mens behoort tot een dimensie die hoger is dan de natuur, de maatschappij en het zelf en het aanvaardt de werkelijkheid van een dergelijke dimensie die de natuurlijke orde te boven gaat. Vrijheid betekent niet het recht om te leven zoals het ons uitkomt. Het betekent de kracht om geestelijk te leven, om te stijgen tot een hoger bestaansniveau.

Vrijheid is niet, zoals vaak wordt beweerd, een beginsel van onzekerheid, het vermogen om te handelen zonder beweeg­reden. Een dergelijke opvatting verwart vrijheid met chaos, vrije wil met een gril van ongemotiveerde wilskracht, met ondoordacht han­delen.

Vrijheid is ook niet hetzelfde als het vermogen om tussen twee motieven te kiezen. Vrijheid sluit een keuze in, maar zij wortelt in het besef dat het zelf niet soeverein is, in het ongenoegen over de tirannie van het ego. Vrijheid ontstaat op het moment waarin wij onszelf overstijgen en zo uitkomen boven onze gewoonte om het zelf te beschouwen als een doel op zichzelf. Vrijheid is een daad van onafhankelijke betrokkenheid van de geest, een geestelijke gebeurtenis.

 

41.3    VRIJHEID EN SCHEPPING
De grondvraag van vrijheid is hoe we zeker kunnen weten dat de zogenaamde gebeurtenissen geen vermomde aspecten van een proces zijn, of dat creativiteit niet voortkomt uit natuurlijke ontwikkelingen waarvan wij ons niet van be­wust zijn. Het denkbeeld van creatieve mogelijkheden en de mogelijkheid van geestelijk leven steunen op de gedachte van de schepping en op de visie dat de mens meer is dan een natuurproduct.

Het uiteindelijke concept in de Griekse wijsbegeerte is het denkbeeld van de kosmos of orde. De eerste les in de bijbel is de gedachte van de schepping. Overgebracht in eeuwige beginselen betekent kosmos voorbestemd zijn, terwijl schepping vrijheid betekent. De essentiële betekenis van de schepping is niet het denkbeeld dat het heelal op een bepaald ogenblik in de tijd geschapen werd. De echte betekenis van de schepping is, zoals Maimonides uitleg­de, het denkbeeld dat het heelal niet ontstond uit noodzaak, maar als gevolg van vrijheid.

De mens is vrij om in vrijheid te handelen en vrij om de vrij­heid te verspelen. Als hij kiest voor het kwade, geeft hij zijn verbintenis met de geest op en doet hij afstand van de gelegen­heid om vrijheid te laten gebeuren. Zo mogen wij vrij zijn om vrijheid te gebruiken of te negeren; we zijn niet vrij om vrijheid te hebben. We zijn vrij om te kiezen tussen goed en kwaad; we zijn niet vrij om een keuze achterwege te laten. Wij worden werkelijk gedwongen om te kiezen. Zo is alle vrijheid een wachten van God op de mens om te kiezen.

41.4    GODDELIJKE BETROKKENHEID
De beslissende gedachte in de boodschap van de profeten is niet de tegenwoordigheid van God bij de mens, maar de tegenwoor­digheid van de mens bij God. Daarom is de bijbel meer de antro­pologie van God dan de theologie van de mens. De profeten spraken niet zoveel over de betrokkenheid van de mens op God als wel over de betrokkenheid van God op de mens. In het begin is er Gods betrokkenheid. Vanwege zijn betrokkenheid bij de mens kan de mens bij hem betrokken zijn, kunnen wij hem zoeken.

In het joodse denken kan het probleem van het zijn nooit af­zonderlijk worden behandeld, maar alleen in relatie tot God. De hoogste categorieën van zo’n zijnsleer zijn niet zijn en worden, maar wet en liefde (rechtvaardigheid en compassie, orde en mededogen). Zijn, maar ook allen die zijn, staat in een spanningsveld tussen goddelijke rechtvaardigheid en godde­lijk medeleven.

Voor de meesten van ons is het abstracte, onveranderlijke be­ginsel van orde en noodzaak een elementaire categorie, onaf­scheidelijk verbonden met het concept van het zijn (of van ons bewustzijn van het zijn). Voor het joodse gemoed is orde of noodzaak geen elementaire categorie, maar een aspect van de dynamische eigenschap van het hemelse oordeel. Verder stelt het joodse denken dat ‘zijn’ is ingesteld (geschapen) en niet al­leen door noodzaak, maar ook door vrijheid gehandhaafd wordt, door Gods vrije en persoonlijke betrokkenheid bij het zijn.

De goddelijke zorgzaamheid is geen latere theologische toevoeging, maar een fundamentele categorie van de zijnsleer. De werkelijkheid schijnt in stand gehouden te worden door de noodzaak van haar wetten. Maar wanneer wij vragen: waarom is noodzaak noodzakelijk? dan is er maar één antwoord: de godde­lijke vrijheid, de goddelijke betrokkenheid.

De vraag zou gesteld kunnen worden: Is het geloofwaardig dat de Eeuwige betrokken zou zijn bij het alledaagse? Moeten wij niet eerder aannemen dat de mens te onbeduidend is voor zijn betrokkenheid? De waarheid is echter dat niets alledaags is. Wat in onze ogen oneindig klein lijkt, is oneindig groot in de ogen van de oneindige God. Omdat het eindige nooit op zichzelf staat - het is op ontelbare manieren verwikkeld in de loop van on­eindige gebeurtenissen. En hoe hoger het niveau van geestelijk besef, des te groter is de mate van gevoeligheid voor en de be­zorgdheid om anderen.

     We moeten doorgaan met vragen: wat is de mens dat God om hem zou geven? En we moeten doorgaan ons te herinneren dat het juist Gods aandacht voor de mens is die de grondslag van de grootheid van de mens vormt. Zijn is staan voor en waar de mens voor staat, is de grote geheimenis van zijn bondgenoot te zijn. God heeft de mens nodig.3

 

41.5    NOTEN BIJ HOOFDSTUK 41

1          Zie William James, The Will to Believe and Other Essays in Popular Philosophy (Harvard 1897/Cambridge 1979).

‘Op grond van ethische argumenten moet vrijheid erkend worden als een noodzakelijk bestanddeel van moreel leven... De vraag is dan ook niet of persoonlijke vrijheid mogelijk is, maar de moeilijkere: hoe is zij mogelijk?... Vrijheid van wil laat zich wat betreft haar ontologi­sche aspect niet bewijzen, althans niet in de strikte betekenis. Boven­dien kan haar werkelijke mogelijkheid alleen worden volgehouden binnen de grenzen van een veronderstelde werkelijkheid. Wat nog ge­beuren moet, is in waarheid het belangrijkste deel van het werk, maar vandaag zijn we daartoe nog lang niet in staat. We kunnen maar één of twee stappen doen om te komen tot een opheldering van het pro­bleem. De aard en de actualiteit van persoonlijke vrijheid gaan de grenzen van de menselijke rede te boven.’ N. Hartmann, Ethics, dl iii, p. 205 e.v.; de Duitse uitgave p. 69b e.v.
[Zie ook: Rudolf Otto, Het Heilige (Amsterdam 2002) hoofdstuk 3 over het ‘creatuurgevoel’.]

2          William James, Personal Idealism.
[Wellicht wordt hier bedoeld: F. C. S. Schiller Personal Idealism (London 1902) of James’ Review of ‘Personal Idealism’ (January 1903).]

3          Man is Not Alone, p. 25, p. 241 e.v.

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90