Deel 3 Antwoord

43 Het volk Israël

43.1    DE BETEKENIS VAN HET JOODSE BESTAAN
Een jood moet een hoge prijs voor zijn bestaan betalen, Hij moet een verheven leven leiden in een wereld die hem niet gunstig gezind is en weinig meevoelend is voor zijn voortbestaan. Sommigen van ons vragen zich, moe van opoffering en de inspanning, vaak af: is het joodse bestaan deze prijs waard? Anderen raken in paniek, zij zijn verbijsterd en hebben de hoop voor herstel opgegeven.

De betekenis van het joodse bestaan, het hoofdthema van elke joodse filosofie, is verbijsterend. Het zou een vervorming geven om het te plaatsen in het kader van persoonlijke, verstandelijke voorkeuren of van hedendaagse opvattingen. De aanspraak van Israël moet herkend worden voordat er een poging tot uitleg kan worden gewaagd. Zoals de oceaan meer is dan onze kennis erover, zo overtreft het jodendom de inhoud van alle filosofieën daar­over. Het jodendom is niet uitgevonden. We kunnen het aanvaar­den of verwerpen, maar mogen het niet verdraaien.

De vraag naar de betekenis van mijn bestaan als jood baart mij zorg als enkeling. Maar als ik erover nadenk, is mijn gegeven niet het probleem van één jood, maar van alle joden. En hoe dieper ik graaf, des te sterker besef ik de omvang van het probleem: het omvat niet alleen de huidige joden, maar ook die van het verleden en die van de toekomst, de betekenis van het joodse bestaan in alle tijden.

Waar het in ons leven om gaat, is meer dan het lot van één generatie. De huidige joodse generatie draagt het erfgoed van Israël. De ta­ken, begonnen door de aartsvaders en de profeten en uitgevoerd door ontelbaren uit het verleden, is toever­trouwd aan de joodse generatie van nu. Geen andere groep heeft hun plaats ingenomen. Zij zijn de enige bedding voor de joodse traditie, degenen die het jo­dendom moeten behoeden voor de vergetelheid, degenen die het hele verleden aan de komende generaties moeten doorgeven. Of wij zijn de laatste, de uitstervende joden, óf wij zijn degenen die onze traditie nieuw leven zullen inblazen. Zelden heeft in de joodse ge­schiedenis zoveel afgehangen van één generatie. De erfenis der eeuwen wordt verspeeld, óf verrijkt.

43.2    DENKEN VERENIGBAAR MET ONZE BESTEMMING
Wij kunnen het jodendom niet leren begrijpen door een gezapig schaakspel van theorieën te spelen. Alleen denkbeelden die bete­kenis hebben voor hen die ondergedompeld zijn in ellende zijn mogen aanvaard worden als beginselen voor hen die veilig wo­nen. In pogingen om het joodse bestaan te begrijpen moet een joodse filosoof tot overeenstemming zien te komen zowel met de mensen van Sinaï als met het volk van Auschwitz.

Wij zijn het meest in twijfel getrokken volk onder de zon. Ons be­staan is of overbodig of onmisbaar voor de wereld, het is of tra­gisch of heilig om jood te zijn.

Het is een kwestie van immense verantwoordelijkheid dat we hier, en joodse leraren overal, de taak hebben opgenomen om de jeugd de wil om vandaag - en morgen en voor altoos en immer - joden te zijn bij te brengen. Hoe kunnen wij de allerhoog­ste prijs rechtvaardigen die het joodse volk dikwijls, zijn hele geschiede­nis door, gedwongen werd te betalen, als het jood-zijn niet van absolute betekenis is? Als je het jodendom nuchter en vooruitziend beoordeelt, moet je het kenschetsen als een goed dat, zo no­dig, de voorkeur verdient boven elke andere mogelijkheid die ooit op onze weg zou kunnen komen.

De taak van de joodse filosofie is vandaag niet alleen om het wezen van het jodendom te beschrijven, maar ook om zijn uni­versele belang uiteen te zetten, de uitwerking van zijn aanspra­ken op de mogelijkheid van de mens om menselijk te blijven. De eenzame pracht van het joodse denken te ontdekken, een smaak van eeuwigheid in ons dagelijks leven te brengen, is de grootste hulp die wij kunnen geven aan de mens in onze tijd, die zo diep gevallen is dat hij zich zelfs niet kan schamen voor wat er in zijn dagen gebeurd is.

Wij zijn niet geboren door een stom toeval als nevenverschijn­sel van een volksverhuizing of in de duisternis van een primitief verleden. Eerst kwam Gods droom van Israël en pas daarna kwamen wij in de wereld. Wij werden gevormd in overeenstem­ming met een oogmerk en omwille van een bestemming. Onze zielen sidderen door de echo van onvergetelijke ervaringen en door de verheven verwachting van onze eigen reactie. Jood zijn is zich inzetten om grote denkbeelden te ervaren. De taak van de joodse filosofie is niet alleen deze denkbeelden onder woorden te brengen, maar ook de diepte van die inzet in heldere, samenhan­gende gedachten. De taak van de joodse filosofie is om ons denken af te stemmen op onze bestemming.

Het leven biedt een troosteloze aanblik wanneer het niet weer­spiegeld wordt in wat meer dan leven is. Niets kan als waar­devol beschouwd worden tenzij het beoordeeld is door vergelij­king met iets wat waardevoller is. Het voortbestaan van de mens hangt af van de overtuiging dat er iets bestaat wat de prijs van het leven waard is. Het hangt af van een gevoel voor het suprematie van het duurzame. Die gevoelde overtuiging slaapt mis­schien, maar ze ontwaakt als ze uitgedaagd wordt. Bij sommige men­sen leeft dit gevoel als een af en toe opkomende wens, bij anderen is het een voortdurende zorg.

Van de joodse geschiedenis hebben wij geleerd dat als een mens niet meer dan menselijk is, hij minder dan menselijk is. Het jodendom is een poging om te bewijzen dat je om een mens te zijn, méér dan een mens moet zijn, dat om een volk te zijn, je méér dan een volk moeten zijn. Israël werd gevormd om een ‘heilig volk’ te zijn. Dit is het wezen van zijn waardigheid en het wezen van zijn waarde. Het jodendom is een schakel met de eeuwigheid, verwantschap met de uiteindelijke werkelijkheid.

Bij de meeste mensen komt een gevoel op van contact met het ultieme wanneer hun zelfvertrouwen door een hevige beproeving wordt weggevaagd, Het jodendom is een poging om ons met dat gevoel te doordringen als een dagelijks besef. Het brengt ons ertoe om onrecht als een bovennatuurlijke calamiteit te beschouwen, de goddelijke betekenis van menselijk geluk aan te voelen, om een beetje boven de schemer van het zelf te blijven en het stelt ons zo in staat om het eeuwige binnen het tijdelijke te voelen.

Wij zijn begiftigd met het bewustzijn van betrokken te zijn bij een geschiedenis die de tijd en zijn banaliteiten overstijgt. Wij hebben geleerd ons bewust te zijn van de verwikkelingen van het leven waar het alledaagse met het verhevene verweven is. Onze ervaring van de geestelijke grandeur, van de goddelijke ernst van het menselijke leven, is eindeloos. De bloesems mo­gen vernietigd worden, maar de bomen houden stand door het vertrouwen dat komt uit het binnenste van onze wortels. Het voor de hand liggen­de misleidt ons niet, omdat wij weten dat alle genot slechts een voorwendsel is om kracht toe te voegen aan wat vreugde en verdriet te boven gaat. Wij weten dat geen uur het laatste uur is, dat de wereld meer is dan de wereld.

43.3    ISRAËL - EEN GEESTELIJKE ORDE
Waarom is het behoren tot het joodse volk een geheiligde relatie? Israël is een geestelijke orde waarin het menselijke en het uiteindelijke, het natuurlijke en het heilige een duurzaam ver­bond sluiten, waarin verwantschap met God niet een streven is maar een bestemde werkelijkheid. Voor joden kan er geen band met God zijn zonder de band met het volk Is­raël. Als wij Israël loslaten, keren wij God de rug toe.

Joods bestaan is niet alleen het aanhangen van bepaalde leer­stellingen en het naleven van de wet, maar allereerst leven in de geestelijke orde van het joodse volk, leven in de joden van het verleden en met de joden van het heden. Het is niet alleen een bepaald kenmerk in de individuele ziel, maar allereerst het bestaan van de gemeenschap van Israël. Het is geen erva­ring of een geloofsbelijdenis, noch het bezit van psychische trekjes of de aanvaarding van een theologisch leerstuk, maar het leven in een heilige dimensie, in een geestelijke orde. Ons deel van heiligheid verwerven wij door te leven in de joodse ge­meenschap. Wat wij als enkelingen doen is een alledaags gebeu­ren, wat wij als nakomelingen van Israël bereiken doet ons groeien in het oneindige.

De betekenis van geschiedenis is om een heiligdom in de tijd te zijn en iedereen heeft zijn aandeel in het grote ritueel. De uit­eindelijke betekenis van menselijke daden beperkt zich niet tot het leven van degene die deze daden verricht en zijn ook niet beperkt tot het specifieke moment waarop ze verricht worden.

Religieus leven is niet alleen een persoonlijke zaak. Ons eigen leven is een beweging in de symfonie der eeu­wen. Ons is geleerd om te bidden én om te leven in de eerste per­soon meervoud. Wij doen een mitswa ‘in de naam van heel Is­raël’. Wij handelen én als enkelingen én als de gemeenschap van Israël. Alle generaties zijn, als het ware, aanwezig in elk ogen­blik.

Israël is de boom, wij zijn de bladeren. Ons vasthouden aan de stam houdt ons in leven. Er is misschien nooit méér behoefte ge­weest aan het jodendom dan in onze tijd, een tijd waarin vele ge­koesterde verwachtingen van de mensheid verpulverd zijn. Wij zouden voortrekkers moeten zijn zoals onze vaderen drieduizend jaar geleden. De toekomst van alle mensen hangt ervan af of zij beseffen dat het gevoel voor heiligheid van even wezenlijk belang voor het leven is als gezondheid. Door de joodse levenswijze te volgen houden wij dat gevoel in stand en behouden het licht voor de toekomstige visioenen van de mensheid.

Het is onze bestemming om te leven voor wat meer is dan ons­zelf. Ons bestaan alleen al is een weergaloos symbool van een dergelijk streven. Door te zijn wat wij zijn, namelijk joden, bete­kenen wij meer voor de mensheid dan door welke bijzondere dienst ook die wij mochten verlenen.

Wij hebben vertrouwen in God en vertrouwen in Israël. Hoewel sommige van zijn kinderen zijn afgedwaald, blijft Israël Gods partner. Wij kunnen niet haten wat God liefheeft. Rabbi Aäron de Grote placht te zeggen: ‘Mocht ik de grootste heilige kunnen liefheb­ben zoals de Heer de grootste schurk liefheeft.’

Israël bestaat niet om er te zijn, maar om de droom van God te koesteren. Ons geloof kan op de proef worden gesteld, maar onze bestemming is verankerd in het uiteindelijke. Wie kan het resul­taat van onze geschiedenis vaststellen? Uit het wonder kwamen wij te voorschijn en in het wonder zullen wij terugkeren.

 

43.4    DE WAARDIGHEID VAN ISRAËL1
Tot Israël te behoren is een geestelijke handeling op zichzelf. Het is uitermate ongemakkelijk om een jood te zijn. Het voortbe­staan van ons volk is op zichzelf een kiddush hashem. Wij leven on­danks levensgevaar. Ons bestaan is een weigering om ons over te geven aan een gewone toestand, aan veiligheid en welstand. Als deskundigen op het gebied van assimilatie hadden de joden kun­nen verdwijnen zelfs voordat de namen van de moderne landen bekend waren. Nog altijd zijn wij geduldig en koesteren wij de wil om onze essence te vereeuwigen.

Wij zijn joden zoals wij mensen zijn. Het alternatief voor ons bestaan als joden is geestelijke zelfmoord, verdwijning. Het is niet een overgang in iets anders. Het jodendom heeft bondgeno­ten, maar geen plaatsvervangers. Joods geloof bestaat uit ver­knochtheid aan God, verknochtheid aan de thora en verknocht­heid aan Israël.

Er bestaat een unieke band tussen het volk en het land Is­raël. Zelfs voordat Israël een volk wordt, is het land ervoor voor­bestemd. In onze eigen dagen zijn wij getuigen geweest van een herinnering aan de kracht van Gods mysterieuze belofte aan Abraham en van het bewijs van het feit dat het volk zijn belofte hield: Als ik jou vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn hand de snaren vergeten (Psalm 137:5). De jood in wiens hart de liefde voor Sion sterft, is gedoemd om zijn geloof te verliezen in de God van Abraham, die het land schonk als onderpand voor de verlossing van alle mensen.

Het volk Israël kermde in zijn nood. Uit Egypte, het land van overvloedig voedsel, werden zij de woestijn ingedreven. Hun zie­len waren ingedroogd, er was in het geheel niets, geen vlees om te eten, geen water om te drinken. Alles wat zij hadden was een be­lofte: geleid te worden naar het land van melk en honing. Zij zouden Mozes bijna gestenigd hebben. ‘Waarom toch hebt gij ons uit Egypte gevoerd om mij, mijn kinderen en mijn kudde van dorst te doen omkomen?’ riepen zij. Maar nadat zij zich voor het gouden kalf neergebogen hadden - toen God besloten had zich los te maken van zijn volk, niet langer in hun midden te wonen, maar aan een engel de taak toe te vertrouwen om hen uit de wildernis naar het Beloofde Land te leiden - riep Mozes uit: ‘Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken’ (Exodus 33:15). Misschien is dit het geheim van de joodse geschiedenis: te kiezen om liever in de wildernis te blijven dan door Hem verlaten te worden.

Israëls ervaring van God is niet het resultaat van speurwerk. Israël ontdekte God niet. Israël werd ontdekt door God. Het jo­dendom is Gods zoeken naar de mens. De bijbel is een verslag van Gods benadering van zijn volk. In de bijbel lees je meer over Gods liefde voor Israël dan over Israëls liefde voor God.

Wij hebben God niet gekozen: Hij heeft ons gekozen. Er is geen concept van een uitverkoren God maar er is het denkbeeld van een uitverkoren volk. Het denkbeeld van een uitverkoren volk wijst niet op een voorkeur voor een volk op basis van een discriminatie van een aantal andere volken. Joden zeggen niet dat zij een beter volk zijn. Het ‘uitverkoren volk’ betekent een volk benaderd en uitverkoren door God. De betekenis van deze uit­drukking is zuiver in de verhouding tot God, eerder dan in de verhouding tot andere volken. Zij duidt niet op een eigenschap van het volk, maar op een verhouding tussen het volk en God.

Gekweld, vervolgd door vijandschap en onrecht, waren onze vaderen voortdurend verheugd dat zij joden waren. ‘Gelukkig zijn wij. Hoe goed is ons deel, hoe aangenaam ons lot, hoe mooi wat we als erfenis meekregen.’ Wat is de oorsprong van dat ge­voel?

Het zoeken naar onsterfelijkheid hebben alle mensen gemeen. Voor de meesten wijst de verwarrende vraag naar de toekomst. Joden denken niet alleen aan het einde, maar ook aan het begin. Als delen van Israël zijn zij begiftigd met een heel zeldzaam en kostbaar bewustzijn, het bewustzijn dat we niet in een lucht­ledig leven. Wij lijden nooit aan een kwellende zorg en vrees dat wij ronddolen in de leegte van de tijd. Wij bezitten het verleden en zijn daarom niet bang voor wat komen zal. Wij herinneren ons onze herkomst. Wij werden opgeroepen en kunnen dat niet vergeten als wij de klok van de eeuwige geschiedenis opwinden. Wij hebben het begin voor ogen en geloven in een einde. Wij le­ven tussen twee historische polen: Sinaï en het Koninkrijk van God.

Jeruzalem, ik heb wachters op je muren gezet

die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.

Jullie die een beroep doen op de HEER,

gun jezelf geen rust

en gun hem evenmin rust,

totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest

en haar roem op aarde heeft bevestigd.

Jesaja 62:6-7

 

43.5    Noot bij Hoofdstuk 43

 

[1     Israël (Hebr.: Jisraeel = ‘Strijder Gods’), erenaam van Jakob en zijn nakomelingen. Behalve als tweede naam van Jakob gebruikt het Oude Testament de betiteling hoofdzakelijk voor de tien noordelijke stammen. Onder ‘bene jisraeel’ (= kinderen van Israël) verstaat men echter ook het hele volk, bijvoorbeeld alle Israëlieten in Egypte tijdens de verdrukking en de doortocht door de woestijn. Je kan er ook de bewoners van het zuidelijk rijk van de twee stammen mee aanduiden (Jes. 5:7; Jer. 10:1). Op den duur heeft de naam Israël betrekking gekregen op het gehele joodse volk.]

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens - € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90