Rasji,
initialennaam
van Rabbi
Salomo
Jitschaki
(Troyes,
Champagne, 1040
– aldaar 1105),
Frans joods
geleerde,
verreweg de
belangrijkste
en meest
gelezen joodse
commentator van
bijbel en
talmoed,
studeerde aan
de
talmoedhogescholen
in Mainz en
Worms en keerde
op 25-jarige
leeftijd terug
naar Troyes,
waar hij een
school
stichtte, die
zeer veel
leerlingen
trok. Zijn werk
kan beschouwd
worden als een
bijzonder
heldere
samenvatting
van de enorme
hoeveelheid
interpretaties
van bijbel en
talmoed, tot op
zijn tijd
verzameld.
Rasji heeft
commentaren
geschreven op
vrijwel de
gehele tenach
(Oude
Testament).
Zijn
Pentateuchcommentaar
werd het meest
geliefde joodse
volksboek en
was het eerste
gedrukte
Hebreeuwse boek
(1475). In
christelijke
kringen heeft
dit commentaar
m.n. de
bijbeluitleg
van de
victorijnen en
van Nicolaus
van Lyra sterk
beïnvloed en
ook heden ten
dage wordt het
nog veel
geraadpleegd
door
christelijke
exegeten. Zijn
commentaar op
de
(Babylonische)
talmoed is
onontbeerlijk
voor het
verstaan der
talmoedteksten
en wordt in
iedere
talmoeduitgave
afgedrukt.
Doordat Rasji
tal van woorden
en vaak hele
zinnen in het
Frans weergeeft
en verklaart,
is zijn werk
tevens een
uiterst
waardevolle
bron voor de
bestudering van
het Oud-Frans.
Zijn werk met
betrekking tot
de
talmoedverklaring
werd voortgezet
door zijn
schoonzoons,
kleinzoons en
anderen, de
zgn. tosafisten
(v. Hebr.
tosafot =
toevoegingen).
UITG: en VERT:
Pentateuch, met
Ned. vert. v.
Rasji's
commentaar d.
A.S.
Onderwijzer (5
dln.,
1895–1901;
herdr. 1975);
met Duitse
vert. d. S.
Bamberger
(31935), met
Eng. vert. d.
Abraham ben
Isaiah e.a. (5
dln., 1950);
Parschandata,
Comm. of Rashi
on the prophets
and
hagiographs, d.
I. Maarsen (3
dln.,
1930–1936).
De grootste
commentator
aller tijden
door Karin
Daalderop
2005-07-13
Dagblad
Trouw
Vandaag precies
900 jaar
geleden
overleed Rashi,
de beroemdste
bijbelcommentator
aller tijden.
Deze Jood, die
indirect Luther
tot inspiratie
diende,
verdient
opnieuw
belangstelling.
Hier en daar
wordt hij al
herontdekt.
De Bijbel lijkt
populairder dan
ooit sinds
delen van het
Boek der Boeken
3300 jaar
geleden door
Mozes werden
opgeschreven.
Maar mét het
geven van Tora
ontstond ook
het eerste
commentaar.
Eeuwenlang werd
dit commentaar
enkel mondeling
doorgegeven.
Schriftelijk
vastleggen was
verboden. Maar
in 200 na
Christus was
deze mondelinge
traditie
(misnah) door
de
slachtpartijen
onder rabbijnse
geleerden bijna
verdwenen.
Daarom besloot
de leider van
het Sanhedrin
(Israëls Hoge
Raad) het
verbod naast
zich neer te
leggen en de
misnah,
inclusief de
latere
commentaren
(gemara), op te
schrijven. Zo
ontstond de
talmoed.
Rashi, een acroniem voor Rabbi Shlomo ben Isaak (1040 -1105), werd geboren in Troyes en wordt door de eeuwen heen als de meest gezaghebbende bijbel- en talmoedcommentator ter wereld beschouwd. Iets wat niet alle kerken snel toe zullen geven.
Voor zijn geboorte werd Rashi al aangekondigd als een edelsteen, die ooit de wereld met zijn wijsheid zou verlichten. Volgens een bekende legende was Rashi’s vader, een vrome jood en wijnboer, in het bezit van een kostbare diamant. De steen was zo uniek dat verschillende christenen hem wilden kopen. Maar toen hij hoorde dat men de steen als oog wilde gebruiken in een christelijk beeld, wees hij ieder aanbod resoluut van de hand. Dat was afgoderij. Om de steen toch in handen te krijgen, werd Rashi’s vader aan boord van een schip gelokt en gedwongen de steen af te geven.
Toen hij dat doorhad, gooide hij de diamant in zee en zei – naar waarheid – de steen niet langer in zijn bezit te hebben. Op datzelfde moment klonk een stem uit de hemel en riep: „U, Izaak, zult een zoon krijgen, die als een schitterende edelsteen de wereld zal verlichten met zijn wijsheid.”
Veel christenen zullen hun schouders ophalen bij het horen van de naam Rashi. Een islamitische naam? Een joodse geleerde? Nooit van gehoord!
Maar welk bijbelcommentaar men ook ter hand neemt, altijd klinkt de stem van Rashi erin door. De commentaren op de Lutherbijbel, de King James Version en de Statenvertaling zouden zonder Rashi nooit hun diepte hebben gekregen, omdat Rashi de bron was voor alle andere commentators.
Over zijn jeugdjaren is weinig bekend, maar uit zijn geschriften blijkt dat Rashi naast zijn gebruikelijke opvoeding veel kennis bezat over landbouw, veeteelt en wijnbouw en daarnaast een helder inzicht had in het bankwezen en het internationale handelsverkeer. Bovendien blijkt Rashi goed op de hoogte te zijn geweest van allerlei ambachten, gewoonten en gebruiken in zijn tijd.
Na zijn studies
in Mainz en
Worms aan de
vermaarde
talmoedscholen
in het
Rijnland, moest
hij plotseling
terug naar
Frankrijk,
omdat zijn
vader tijdens
de aanloop tot
de eerste
kruistochten
door christenen
was vermoord en
hij het bedrijf
van zijn vader
moest
overnemen.
Later stichtte
hij zelf een
talmoedschool
in het
Noord-Franse
Troyes. Naast
wijnboer en
leraar was hij
schrijver van
commentaren die
nationaal en
internationaal
zoveel indruk
maakten dat
Rashi’s invloed
allengs groter
werd en de faam
van de
Rijnlandse
scholen naar de
tweede plaats
verdween. Rashi
had drie
dochters.
Misschien was
het voor hem
een
teleurstelling
dat hij geen
zoon kreeg,
maar zijn
dochters bewees
hij met dit
’gemis’
waarschijnlijk
een grote
dienst.
Hij droeg zijn
kennis aan hen
over (en
vervolgens aan
zijn
kleinzonen).
Deze dochters
gingen de
geschiedenis in
als de geleerde
dochters van
Rashi. Zij
waren
uitzonderlijk
begaafd en
trouwden alle
drie met
talmoedgeleerden,
terwijl hun
kinderen de
traditie van
hun grootvader
hebben
voortgezet.
Een van zijn
dochters deed
dienst als zijn
privé-secretaris
en was goed
ingevoerd in de
tora- en
talmoedteksten,
omdat zij
tijdens ziekte
of afwezigheid
van haar vader
zijn
wetenschappelijk
werk en
correspondentie
moest
overnemen.
Rashi’s invloed was zo groot dat een jood die hem niet had bestudeerd, eeuwenlang als een schandvlek voor het jodendom gold. Tot in de 19de eeuw was kennis van Rashi nog steeds het criterium voor joodse cultuur en beschaving.
Rashi’s stijl
is niet alleen
erudiet en
verhelderend,
maar ook
eenvoudig. Men
zou het
populair-wetenschappelijk
kunnen noemen.
Daarom is zijn
werk niet
alleen
interessant als
naslagwerk voor
geleerden en
bijbelexegeten,
maar vormt het
ook een
praktisch
commentaar voor
de
geïnteresseerde
leek.
In de
Middeleeuwen
moesten
christenen zich
noodgedwongen
wel tot Rashi
wenden, omdat
zij zelf geen
auteurs van
naam hadden,
die over zo’n
diepgaande
kennis van het
Hebreeuws en
over zoveel
inhoudelijke
bronnen
beschikten als
Rashi.
In de 14de eeuw
was Nicolaas
van Lyra
(1270-1349) de
enige onder de
christelijke
denkers die er
openlijk voor
uitkwam Rashi
te raadplegen.
Op grond
daarvan noemden
anderen hem
honend ’de aap
van Rashi’,
terwijl zij
hetzelfde
deden, maar
niet publiek
wilden toegeven
dat ze de jood
Rashi
plagieerden.
Een populair
rijmpje uit de
16de eeuw
luidde: Si Lyra
non lyrasset,
Lutherius non
saltasset, ’als
Nicolaas van
Lyra de lier
niet had
gespeeld, zou
Maarten Luther
niet hebben
gedanst’.
Lyra’s
hoofdwerk werd
intensief door
Luther
geraadpleegd
voor zijn eigen
bijbelvertaling
uit 1534.
Voor Rashi
vormde de
oorspronkelijke,
letterlijke
tekst het
uitgangspunt
voor zijn
commentaren. In
principe wilde
hij de mystieke
betekenis van
de tekst buiten
beschouwing
laten. Dat zegt
hij ook
letterlijk.
Toch geeft hij
ook regelmatig
verklaringen
waaruit blijkt
dat hij over
veel meer
geheime kennis
beschikt dan
hij in zijn
toracommentaren
kwijt wil.
Algemeen neemt
men aan, dat
Rashi ook een
gedegen
kabbalist was.
Door de sterke
nadruk op de
letterlijke
betekenis van
de Bijbel
echter en het
openlijk
vermijden van
andere,
mystieke
verklaringen,
laadde hij
echter niet de
verdenking op
zich, zich met
kabbalistische
praktijken
bezig te
houden.
Onder het mom
van een
terloopse,
filosofische
verwijzing kon
hij echter
indirect ook
naar de diepere
lagen van de
Tora, de
mystieke
inhoud,
verwijzen. Maar
net als elke
kabbalist sprak
hij hier nooit
openlijk over.
Hooguit maakte
hij soms een
korte opmerking
in de trant
van: „Dit is
voor hen die
het begrijpen,
zij zullen het
begrijpen”.
De rest was
taboe.
Rouwen,
linzen, mond
Een
voorbeeld van
Rashi’s manier
van schrijven
is de passage
over de
linzensoep van
Esau (Genesis
25: 30; Esau
verkoopt zijn
eerstgeboorterecht
aan zijn
jongere broer
Jacob voor een
bord soep).
Rashi vraagt
zich af, waarom
Jacob
uitgerekend
linzensoep had
klaargemaakt?
Hij legt uit,
dat Izaak in de
rouw was, omdat
zijn vader
Abraham kort
daarvoor
gestorven was.
Het is een
joods gebruik,
dat de rouwende
niet zelf kookt
en ook niet als
eerste spreekt.
Vandaar dat
Jacob voor zijn
vader had
gekookt. De
ronde linzen
verwijzen naar
een rad, dat
rond is.
Letterlijk zegt
Rashi: „Want
het rouwen is
als een rad,
dat ronddraait
door de wereld
en zo ieder op
zijn beurt ooit
treft; en nog
een andere
reden: net
zoals linzen
geen mond, geen
opening of geen
plekje hebben,
dat men als
beginpunt kan
zien, zo hebben
ook degenen,
die in de rouw
zijn, geen
mond. Het is
hen verboden om
te spreken. En
daarom is het
ook
gebruikelijk om
degene, die
rouwt, eieren
te geven. Ook
zij zijn rond
en hebben geen
begin of
einde.”
(’Pentateuch’
van A. S.
Onderwijzer.
Hebreeuws-Nederlands).
![]()