(Hebr., =
hoofd, dwz.
begin, van het
jaar), het
joodse
nieuwjaarsfeest,
althans een van
de
oorspronkelijk
in totaal vier
nieuwjaarsfeestdagen,
gevierd op 1 en
2 tisjri
(september/oktober).
Het is het
eerste van de
‘ontzagwekkende
dagen’ (Hebr.:
Jamiem
Nora’iem;
gewoonlijk
vertaald met
‘Hoge
Feestdagen’),
onderscheiden
van de drie
seizoenfeesten,
die
pelgrimsfeesten
heten.
Omdat Rosj
Hasjana niet,
zoals de
pelgrimsfeesten,
verbonden is
met een
historische
gebeurtenis uit
de geschiedenis
van het joodse
volk, wordt het
– vermoedelijk
naar een
Babylonische
parallel –
gevierd als de
dag van Gods
Koningschap en
dus als dag
waarop de
wereld werd
geschapen. Op
die dag wordt
het lot van de
mensen bepaald
in het licht
van wat zij in
het afgelopen
jaar hebben
gedaan. Vandaar
dat de nadruk
ligt op het
overdenken en
veel minder op
prognose, zoals
bij andere
volken.
Rosj Hasjana is
de eerste van
de tien dagen
van inkeer,
waarvan Jom
Kippoer, de
Grote
Verzoendag, op
10 tisjri de
laatste vormt.
Op Rosj Hasjana
en op Jom
Kippoer wordt
op de sjofar
geblazen: op
Jom Kippoer één
langgerekte
toon aan het
einde van de
dienst, op Rosj
Hasjana, voor
zover niet op
sabbat vallend,
honderd tonen,
oproepend tot
inkeer en
bezinning.
In de liturgie
wordt Rosj
Hasjana resp.
Jom ha-Din (Dag
van het
Gerecht), Jom
ha-Zikaron (Dag
van
Herinnering) en
Jom Teroe’a
(Dag van
Bazuingeschal)
genoemd. Onder
deze laatste
benaming staat
het feest in de
thora vermeld
(Num. 29:1).
© 1993
Het Spectrum.
Alle rechten
voorbehouden.