VERKLARENDE WOORDENLIJST

 

AGGADA - (lett.: vertelling). Het verhalende, geloofsverdiepende deel van de rabbijnse literatuur. Vandaar ook: één onderdeel daar­uit; dat wil zeggen, een verhaal of uitspraak gericht op de innerlijke verwerking of geestelijke verdieping van de richtlijnen van de thora.
 

ALENOE-GEBED - (Alenoe = ‘op ons’; ontleend aan de eerste regel: ‘Op ons rust de verplichting de Heer van het al te prijzen’). Een van de onderdelen van het ochtendgebed. Het centrale thema van het Alenoe-gebed is de vestiging van Gods koningschap in de wereld.

 

AMIDA - (lett.: het staan). Een van de benamingen voor het hoofdge­bed, dat - samen met het Sjema - de kern vormt van het dagelijkse gebed. Het wordt driemaal gezegd: ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. De naam Amida is ontleend aan het feit dat het gebed staande wordt gezegd. Andere benamingen zijn: het stille gebed, omdat het in tegenstelling tot de andere gebeden niet hardop wordt gezegd, maar zachtjes; en het Achttiengebed, omdat het (oorspronkelijk) is samengesteld uit achttien zegenspreuken (later uit negentien). Op sabbat en feestdagen heeft de Amida een aan de betreffende dag aan­gepaste inhoud. De Amida begint met de woorden: Gezegend Gij Heer onze God en God van onze vaderen, God van Abraham, God van Izak, God van Jacob.
 

ARK - de kast waarin in de synagoge de thorarollen worden bewaard. Genoemd naar de ark waarin de twee stenen tafelen met de Tien Ge­boden werden gelegd (vgl. Exodus 25:1O). De ark bevindt zich aan die muur van de synagoge die gericht is naar Jeruzalem. De gemeen­te zit en staat met het gezicht naar Jeruzalem (en dus naar de ark) ge­richt.

 

ASJKENASISCHE VERSIE OF RITUS - de asjkenasische of Hoogduitse ver­sie is de versie van de gebeden die wordt gebruikt door de Asjkena­ziem, de joden afkomstig uit Duitsland en Oost-Europa.

 

AVOT - het traktaat Spreuken der Vaderen. Een aggadisch traktaat van de Misjna.

 

AVOT DE RABBI NATAN - geschrift uit de tijd van de Misjna. Een soort commentaar op Avot.

 

BAROECH - (= gezegend). Met dit woord beginnen veel gebeden. Zie bij zegenspreuk.

 

CHABAO - een stroming binnen het chassidisme, waarin mystieke en rationele elementen met elkaar worden verbonden.

 

CHASSIDIEM - (= getrouwen; enk.: chassied). (I) Aanhangers van het chassidisme (zie aldaar). (2) De term ‘vroegere chassidiem’ of ‘eerste chassidiem’ wordt gebruikt als aanduiding voor bepaalde mensen uit de tijd rond het begin van onze jaartelling, die op het gebied van de religieuze en morele voorschriften van de thora aan zichzelf extra ho­ge eisen stelden, waarbij ze overigens vaak tegenover anderen extra soepel waren.

 

CHASSIDISME - een religieuze volksbeweging met extatische en mys­tieke trekken en een charismatisch leiderschap, ontstaan in de twee­de helft van de 18de eeuw in Polen. Het chassidisme heeft een zeer grote invloed gehad zowel op de sociale als op de religieuze ontwikke­lingen binnen het Oost-Europese jodendom.

 

DEUTERONOMIUM RABBA - zie bij Midrasj Rabba.

 

DIE HET GEBED HOORT’ - de zestiende zegenspreuk van de Amida.

 

ELOHIEM - een van de namen van God in de bijbel, gewoonlijk ver­taald met ‘God’. Elohiem duidt op het aspect van het recht, het oor­deel. De andere belangrijke godsnaam in de bijbel, de vierletterige naam die niet wordt uitgesproken (in christelijke vertalingen meestal vertaald met ‘Heer’ in joodse vaak met ‘Eeuwige’) duidt het aspect van het erbarmen aan.

 

EXODUS RABBA - zie bij Midrasj Rabba.

 

FORMULA CONCORDIAE - de formulering van de lutherse leer.

 

GENESIS RABBA - zie bij Midrasj Rabba.

 

GEZEGEND (ZIJT) GIJ HEER’ - met deze woorden beginnen vele gebe­den. Zie bij zegenspreuk.

 

GROTE VERZOENDAG - de belangrijkste feestdag van het joodse jaar. Dag van omkeer, boetedoening en vasten. Valt in sept./okt. Zie Le­viticus 23:27-32.

 

HALACHA - (lett.: het gaan). Het netwerk van voorschriften en leef­regels, dat het hele joodse leven in al zijn facetten omspant.

 

HAVDALA - (lett.: scheiding). Het geheel van gebeden en handelingen waarmee de sabbat wordt afgesloten.

 

HOOR ISRAËL’ - Nederlandse benaming voor het Sjema, afgeleid van de eerste woorden: ‘Hoor Israël, de Heer is onze God, de Heer is één’ (Deuteronomium 6:4). Zie verder bij Sjema.

 

IMITATIO DEI - navolging van God.
 

KABBALA - de traditionele benaming voor de joodse mystiek, speci­aal de middeleeuwse.

 

KADDIESJ-GEBED - (kaddiesj = heilig). Gebed waarin Gods grote naam wordt verheerlijkt. Het wordt alleen gezegd met en in de ge­meenschap en maakt in de synagoge deel uit van elke dienst.

 

KASJROET - het stelsel van spijswetten.

 

KAWWANA - afgeleid van het werkwoord kiween, dat ‘richten’ bete­kent. Kawwana betekent ‘het richten’ of ‘het gericht zijn’, in het bij­zonder van het hart. Vandaar: aandacht, toewijding, devotie, inten­tie e.d.

 

KEDOESJA - (= heiliging). Een toevoeging bij de derde zegenspreuk van de Amida, waarin Gods heiligheid wordt bezongen.

 

KELAL JISRAEEL - de gemeenschap van Israël.

 

KEVA - regelmaat, vastheid, iets (bijv. een tekst) dat vastligt, iets dat op een vaste tijd gebeurt.

 

KIDOESJ - (= heiliging). Het geheel van gebeden en handelingen waarmee de sabbat wordt ingewijd.

 

KOL NIDRÉ - het gebed dat wordt gezongen bij de aanvang van Grote Verzoendag. Vandaar ook: benaming voor de avonddienst van Gro­te Verzoendag (joodse feestdagen beginnen bij zonsondergang).

 

LEVITICUS RABBA - zie bij Midrasj Rabba.

 

LOELAV - de palmtak uit de plantenbundel die wordt gebruikt bij de viering van het Loofhuttenfeest (zie Leviticus 23:40). Bij uitbreiding ook: de hele plantenbundel.

 

LOFPSALMEN - de psalmen die in het ochtendgebed worden gezegd voorafgaande aan het Sjema en de Amida (DASBERG pp. 17-33).

 

LOOFHUTTENFEEST - feest ter herdenking van Gods bescherming bij de doortocht door de woestijn. Valt in sept./okt. Zie Leviticus 23:33-44.

 

MANNEN VAN DE GROTE VERGADERING - de opvolgers van Ezra, die zijn werk van opbouw na de Babylonische Ballingschap voortzetten.

 

MATSA - het ongezuurde brood dat wordt gegeten gedurende de Paasweek (zie Leviticus 23:6; Exodus 12:15-20).

 

MECHILTA - een midrasjverzameling op het boek Exodus.

 

MEZOEZAH - een kokertje met daarin enkele teksten uit de bijbel, dat aan de deurposten van het huis wordt bevestigd. Zie bijv. Deutero­nomium 6:9.

 

MIDRASJ - afgeleid van het werkwoord darasj, onderzoeken, onder­vragen. De klassieke joodse bijbeluitleg uit de tijd van Misjna en Talmoed.

 

MIDRASJ RABBA - een van de belangrijkste midrasj verzamelingen uit de tijd van Misjna en Talmoed. Midrasj Rabba bestaat uit midrasj­verzamelingen op de Thora en op de boeken Ruth, Esther, Hooglied, Prediker en Klaagliederen. De verzamelingen op de Thora heten respectievelijk Genesis Rabba, Exodus Rabba, Leviticus Rabba, Numeri Rabba en Deuteronomium Rabba.

 

MIDRASJ TEHILIEM - midrasjverzameling op het boek Psalmen.

 

MINHAG - gebruik, gewoonte.

 

MISJNA (lett.: ‘leer’ of ‘herhaling’). Een van de belangrijkste klas­sieke joodse geschriften, samengesteld rond het jaar 200. In de Misj­na is de halacha uit die tijd per onderwerp bijeengebracht. De Misj­na heeft als basis gediend voor alle verdere discussie over de halacha. De Misjna is onderverdeeld in zgn. traktaten.

 

MISJNE THORA - zie bij Maimonides.

 

MITNAGDIEM - (= tegenstanders). De tegenstanders van de chassi­diem.

 

MITSWA - (= gebod; meervoud mitswot). De mitswot zijn de geboden van de thora, zowel de zogenaamde religieuze geboden (zoals sabbat, gebed, spijswetten) als de zogenaamde ethische geboden (de regels die de relatie tussen mensen betreffen zoals ‘niet moorden’, ‘niet stelen’ e.d.). De thora zelf maakt dit onderscheid overigens niet. He­schel gebruikt in dit boek het woord mitswa vooral in de zin van reli­gieuze geboden.

 

MOESAF-GEBED - (moesaj = toegevoegd). Naast het ochtend-, middagen avondgebed van elke dag wordt op sabbat en feestdagen een extra gebed gezegd, het moesaf-gebed. Dit wordt gezegd direct na het och­tendgebed. Ook van het moesaf-gebed wordt de kern gevormd door de Amida.

 

NUMERI RABBA - zie bij Midrasj Rabba.

 

ONTZAGWEKKENDE DAGEN - de tien dagen van het Nieuwjaarsfeest tot en met Grote Verzoendag (sept./okt.).

 

ORACH CHAJIEM - deel van de Sjoelchan Aroech (zie bij Wetscodex).

 

ORDE DER GEBEDEN - de vaste gebeden zoals ze zijn geordend in het gebedenboek. Ook: het gebedenboek.

 

PENTATEUCH - Griekse benaming voor de Vijf Boeken van Mozes: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium.

 

PESACH - het joodse paasfeest; het feest van de bevrijding uit Egyp­te. Zie Exodus 12:1-28; Deuteronomium 16:1-8.

 

PESJAT - de letterlijke verklaring van een bijbeltekst, in tegenstelling tot bijv. een overdrachtelijke, allegorische, mystieke verklaring.

 

RABBENOE - (= ‘onze meester’). Sommige leraren worden aange­duid met Rabbenoe in plaats van of naast het meer gebruikelijke Rabbi (wat ‘mijn meester’ betekent).

 

SEDER(VIERING) - de huiselijke viering (met gebeden, verhalen en maaltijd) van de eerste avond van Pesach.

 

SEDER ELIAHOE RABBA - een klein aggadisch traktaat van de Tal­moed.

 

SEFARDISCHE VERSIE OF RITUS - de sefardische of Portugese versie is de versie van de gebeden die wordt gebruikt door de Sefardiem, de joden die afkomstig zijn uit Spanje, Portugal, Noord-Afrika en de Arabische landen.

 

SEFER CHASSIDIEM - (= het Boek der Getrouwen). Een belangrijk ethisch werk, samengesteld in Duitsland in de eerste helft van de I3de eeuw. (N.B. Dit boek stamt dus niet uit de latere Oost-Europese bewe­ging van het chassidisme).

 

SIDOER (OF SIDDOER) - (= orde, ordening). Het gebedenboek.

 

SJACHARIET - het ochtendgebed.

 

SJECHINA - (van het werkwoord sjachan, wonen). Gods aanwezigheid of nabijheid. Een van de aanduidingen voor God.

 

SJEMA - Het ‘Hoor Israël’, het gebed dat is samengesteld uit drie bij­belpassages (Deuteronomium 6:4-9; Deuteronomium 11:13-21; Nu­meri I5:37-4I), omkranst door een aantal zegenspreuken. De naam Sjema is ontleend aan de eerste woorden van het gebed: ‘Hoor Israël (Sjema Jisraeel), de Heer is onze God, de Heer is één’ (Deuteronomi­um 6:4). Het Sjema vormt samen met de Amida de kern van het ochtend- en avondgebed. Het wordt niet gezegd in het middaggebed en in het moesafgebed; van deze twee laatste wordt de kern dus ge­vormd door de Amida alleen. Het Sjema wordt dus tweemaal per dag gezegd en de Amida driemaal.

 

STILLE GEBED - de Amida (zie aldaar).

 

TALMOED - (lett.: leer). Het belangrijkste klassieke joodse geschrift. In de Talmoed zijn de discussies verzameld die door de leraren uit de eerste eeuwen werden gevoerd aan de hand van de Misjna (zie al­daar). Terwijl de Misjna voornamelijk halacha bevat, vinden we in de Talmoed naast halacha ook veel aggada en midrasj. - Er zijn twee Talmoediem: de Talmoed Jeroesjalmi of Jeruzalemse Talmoed, waarin de discussies uit Israël zijn verzameld (afgesloten rond het jaar 425) en de Talmoed Bavli of Babylonische Talmoed met de discus­sies uit Babylonië (afgesloten rond het jaar 500). De Babylonische Talmoed wordt, omdat hij de belangrijkste geworden is, meestal kortweg de Talmoed genoemd. Beide Talmoediem zijn onderverdeeld in traktaten.

 

TANCHOEMA - midrasj verzameling op de boeken van de Thora.

 

TANNAIEM - (lett.: leraren). De leraren uit de tijd tussen de ver­woesting van de Tweede Tempel (in het jaar 70) en de afsluiting van de Misjna (ca. 200).

 

TARGOEM - (= vertaling). Aramese vertaling van de Tenach (het Oude Testament).

 

TOER - (lett.: rij, kolom). Een van de belangrijkste middeleeuwse wetscodices, samengesteld door Jacob ben Asjer (ca. I27O-I340).

 

THORA - (lett.: leer of onderwijzing). De Vijf Boeken van Mozes (Ge­nesis t/m Deuteronomium). Thora wordt in het Nederlands meestal vertaald met ‘Wet’. Bij uitbreiding kan Thora ook betekenen: uitleg van de Thora, discussies over de Thora, Thorakennis, de geest van de Thora, de gedachtewereld van de Thora.

 

THORAROL - perkamenten rol met de tekst van de thora, waaruit in de synagoge wordt voorgelezen.

 

TOSEFTA - een verzameling halacha uit dezelfde tijd als de Misjna.

 

TSÈLÈM - beeld, afbeelding. Zie Genesis I:26v.

 

WAAR EN VAST’ - een van de zegenspreuken rond het Sjema (zie aldaar).

 

WETSCODEX - In de Middeleeuwen werd de halacha bijeengebracht en gesystematiseerd in verschillende gezaghebbende wetscodices. De belangrijkste daarvan zijn de Misjne Thora, samengesteld door Mai­monides (II35-I204), de Toer, samengesteld door Jacob ben Asjer (ca. I27O-I340) en de Sjoelchan Aroech, samengesteld door Josef Caro (1488-1575). Deze laatste is nog altijd de meest gezaghebbende wets­codex.

 

WIJ DANKEN U’ - de eerste woorden van de achttiende zegenspreuk van de Amida.

 

ZEGENSPREUK - een zeer veel voorkomende gebedsvorm. De bena­ming ‘zegenspreuk’ is ontleend aan het feit dat een zegenspreuk be­gint en/of eindigt met de woorden ‘Gezegend Gij Heer (onze God), die...’. Langere gebeden (zoals de Amida) bestaan vaak uit een snoer van zegenspreuken.

 

ZOHAR - het belangrijkste geschrift van de joodse mystiek (tweede helft 13e eeuw).

 

Met dank aan: drs. D. van Uden

 

 

Naar 'Voorwerk'