Woord vooraf
 

'Ik spreek als lid van een gemeenschap, waarvan de grondlegger Abraham was en de naam van mijn rabbi is Mozes.

Ik spreek als iemand die Warschau, mijn geboortestad, net zes weken voor het begin van het onheil kon verlaten. Ik ben een stuk brandhout, gerukt uit het vuur waarin mijn volk verbrandde...'

Zo beschreef Abraham Joshua Heschel zichzelf in 1965.

Heschel werd op 11 januari 1907 geboren in Warschau in een chassidisch gezin. Van vaders- en moederszijde stamde hij af van beroemde meesters als rabbi Dav Baer van Mezzeritch, de opvolger van de Baal Shem Tov en rabbi Levi Jitschak van Berditshev. Hij bezat al vroeg een grondige kennis van talmoed en kabbala en studeerde filosofie in Berlijn. In 1933 promoveerde hij daar en werd in 1934 docent aan de Hochschule für die Wissenschaft des Judentums. In 1937 volgde hij Martin Buber op aan het Jüdische Lehrhaus in Frankfort/Main, opgericht door Franz Rosenzweig. Het jaar daarop wezen de nazi's hem uit naar Polen. Twee maanden voor de Duitse inval kon hij naar Londen vluchten waar hij het Instituut voor Joodse Studies oprichtte. In 1940 vestigde hij zich in de Verenigde Staten. Eerst werd hij professor aan het Hebrew Union College in Cincinnati en daarna, van 1945 tot zijn overlijden in 1972, professor in de ethiek en mystiek aan het Jewish Theological Seminary of America.

De betekenis van rabbi Abraham Joshua Heschel voor het joodse volk is niet te overschatten. Hij was dé spreker van de generatie die getuige was van de vernietiging. André Neher vertolkte dit eens als volgt:

'Er zijn ogenblikken in het leven van een mens waarin hij het voelt als zijn morele plicht zichzelf te beschrijven in een paar woorden, een samenvatting van de eigen identiteit op zo'n manier, dat het kan dienen als uiteindelijke definitie, als bij voorbeeld een inscriptie op een grafsteen. Als ik dat zou moeten doen, in de grootste oprechtheid en intimiteit, zou ik het doen met deze zin, waarin alles gezegd zou zijn: Ik ben een leerling van Abraham - ik ben een leerling van Abraham Joshua Heschel. '

Maar Heschels betekenis strekt zich uit over de hele mensheid. 'De situatie van de mensheid is mijn grootste zorg', zei hij eens. 'Ik houd vol dat de worsteling van de hedendaagse mens de worsteling is van de geestelijk onvolwassen mens.'

De term, die bij Heschel een sleutelplaats inneemt en die meer is dan een concept, een begrip of een dogma - namelijk een oerervaring van het bijbelse geloven -, is personal concern. Het uiteindelijke is niet zijn, maar betrokkenheid, naastenliefde.

De werkelijkheid is geen vaststaande orde, maar een voortgaand proces, waarin de mens verantwoordelijk is, in vrijheid te reageren op de eisen die het leven stelt. De God van de betrokkenheid staat in een dynamische en wederzijdse verhouding tot zijn schepping. Opgenomen en delend in deze goddelijke zorg kan de mens door' sympathie', meegevoel en betrokkenheid zijn egocentrische natuur telkens weer overwinnen en zo zijn ware opdracht vervullen.

Dit idee van de zorg voor elkaar doordrenkt Heschels hele denken en leven. Hij uitte dit ook in zijn politieke engagement: zo liep hij in 1965 mee met Martin Luther King in Selma, Alabama, en behoorde hij tot de leiders van de protesten tegen de Amerikaanse Vietnam-politiek. Deze zorg kwam ook tot uiting in zijn vele vriendschappen, onder anderen met Reinhold Niebuhr en kardinaal Bea.

Leven is voor hem datgene wat de mens doet met Gods tijd, met Gods wereld. Daarom vond hij léven volgens de thora belangrijker dan de studie van de thora.

In dit korte bestek is het niet mogelijk nog meer te zeggen over het denken van rabbi Heschel. Hier geldt wat Rosenzweig zei over zijn' Stern der Erlösung': 'Ik geef alleen vingerwijzingen [...] als u wilt weten wat erin staat, zult u het zelf moeten lezen; dat kan ik u niet besparen.'

Een citaat van Heschel uit Man is Not Alone (p. 295-296):

 

'Het grootste probleem is niet hoe we ons leven moeten voortzetten, maar hoe we ons leven moeten verheffen. De roep om een leven na de dood is aanmatigend als er geen roep om eeuwig leven vóór onze begrafenis is te horen. Eeuwigheid is geen voortdurende toekomst, maar een voortdurend heden. Hij heeft in ons het zaad van eeuwig leven geplant. De komende wereld is niet alleen een hiernamaals maar ook een hier en nu.

Ons grootste probleem is niet hoe we verder moeten gaan maar hoe we moeten omkeren. "Hoe kan ik de Heer vergoeden, wat hij voor mij heeft gedaan?" (Ps. 116: 12). Als het leven een antwoord is, dan is de dood een thuiskomen. "Met pijn ziet de Heer is de dood van zijn getrouwen" (Ps. 116:15). Want ons grootste probleem is slechts een echo van Gods zorg: Hoe kan Ik de mens al zijn weldaden jegens Mij vergoeden? "Want Gods barmhartigheid duurt voor eeuwig." Dit is de betekenis van het bestaan: Om vrijheid te verenigen met dienstbaarheid, het voorbijgaande met het blijvende, en om de draden van de vergankelijkheid te weven tot het weefsel der eeuwigheid.

De diepste wijsheid die de mens kan verwerven, is het besef dat zijn bestemming ligt in naastenliefde. We moeten veroveren teneinde ons over te geven; we moeten verwerven teneinde weg te geven; we moeten triomferen teneinde overweldigd te worden. De mens moet begrijpen om te kunnen geloven en kennen om te accepteren. Het streven is om te bezitten; de volmaaktheid is om te ontberen. Dit is de betekenis van de dood: de uiteindelijke zelfovergave aan het goddelijke. Sterven zo begrepen wordt dan niet verwrongen door een krampachtig verlangen naar onsterfelijkheid, want deze daad van wegschenken is de wederzijdsheid van de kant van de mens op Gods geschenk van het leven. Voor de getrouwe mens is het een voorrecht te sterven.

 

Yehuda Aschkenasy *

drs. Justine Aalders

 

 

 


Abraham Joshua Heschel:

God zoekt de mens

Een filosofie van het jodendom

Vertaald uit het Engels door Daniël Mok

Fenomenologische klassieken deel 4
najaar 2005

A. J. Heschel: God zoekt de mens -  € 29,90.


Reserveer bij uw boekhandel voor de intekenprijs van € 24,90 en bespaar € 2,60!

ISBN: 90-807300-5-X (ingenaaid), 480 pagina's
3e druk

Prijs € 29,90


 


*) Al vroeg stond vast dat Yehuda Aschkenasy, stammend uit een oud geslacht van rabbijnen, zelf ook rabbijn zou worden. Als klein kind al werd hij 's morgens vroeg door zijn vader gewekt om de Tora te bestuderen. Net als veel andere joden in die tijd, geloofde Aschkenasy's vader dat de verspreiding van het christelijke-humanistische cultuurgoed een einde zou maken aan de discriminatie van joden. In zijn boekenkast stonden dan ook niet alleen de bijbel en de vele rabbijnse commentaren, maar ook klassieke werken uit de Griekse en christelijke cultuur. Van Plato tot Goethe, van Shakespeare tot Dostojewski. Maar hij zou bedrogen uitkomen. Aschkenasy overleefde Auschwitz en Buchenwald. Via Zwitserland ging hij naar Israël om te helpen het land op te bouwen. Begin jaren 60 werkte hij als leraar in Nederland. Na enkele jaren werd hij door de toenmalige Katholieke Theologische Hogescholen van Utrecht en Amsterdam uitgenodigd om als professor het vak Talmudica gestalte te geven. Aschkenasy legt in zijn colleges en leerhuizen nadruk op de vragen, niet op de traditionele antwoorden.