Uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, uitgevoerd door Henny Bos, blijkt dat er in Nederland ongeveer 15.000 lesbische stellen zijn waarvan er 15 procent kinderen hebben.
Hoe worden die kinderen opgevoed?
Bos vergeleek honderd lesbische gezinnen met honderd heterogezinnen.
De uitkomsten: lesbische moeders blijken de taken in het gezin meer gelijk te verdelen dan heteroseksuele partners. De sociale moeder (de vrouw die het kind niet baarde) voelt zich meer emotioneel bij het kind betrokken dan de heteroseksuele vader. Bij spelletjes geven lesbische ouders minder structuur en stellen ze minder beperkingen, bijvoorbeeld door te straffen.
Het welbevinden van kinderen van twee moeders is over het algemeen hetzelfde als van kinderen van heteroseksuele paren.
Bos: ‘Je zou denken dat als lesbische ouders meer bezorgd en meer betrokken zijn, het kind minder problemen heeft.
De reden dat we dat niet vonden is misschien een drempeleffect. Wanneer ouders een bepaalde hoeveelheid warmte en affectie geven, maakt het niet uit als ze nóg meer geven. Verder bepalen ook erfelijkheid en leeftijdgenoten probleemgedrag.’
|
|
Gezinnen met twee moeders zijn niet zo gewoon dat er niet over gepraat wordt. De overgrote meerderheid van de lesbo’s met kinderen krijgt vragen over, bijvoorbeeld, wie de echte moeder is. Ook vermoeden lesbo’s dat er wordt geroddeld over hun gezinssituatie.
Henny Bos vat de gevolgen van dit alles samen met het begrip ‘minderheidsstress’. En die stress heeft invloed op de kinderen. Lesbische moeders die negatieve opmerkingen krijgen over hun gezin, constateren meer gedragsproblemen bij hun kinderen. Ook denken vrouwen die minderheidsstress ervaren vaker dat ze zichzelf moeten bewijzen en is daardoor het ouderschap voor hen stressvoller.