Ouderschap

 



"Het belangrijkste is of iemands ouderschapskwaliteiten goed zijn."

Voortrekkersrol

Zoals bij zoveel zaken, heeft Nederland een voortrekkersrol. Waarbij we nauwlettend in de gaten worden gehouden door andere Europese landen. Volgens Femmie Juffer is het denken over homoseksueel ouderschap de laatste jaren ingrijpend veranderd. “Vroeger dacht men dat het slecht was voor een kind om twee vaders of twee moeders te hebben. Zo zouden lesbische moeders minder warm en moederlijk zijn dan gewone moeders, de kinderen zouden zelf meer kans lopen homoseksueel te worden, de kinderen zouden gedragsproblemen kunnen krijgen en ze zouden in ieder geval niet een normale seksespecifieke voorkeur kunnen ontwikkelen. Bijvoorbeeld in speelgoed, maar ook later in beroepskeuze.”

Juist moederlijk

Recenter onderzoek heeft aangetoond dat bovenstaande overwegingen niet kloppen. Kinderen die door homoseksuele ouders worden opgevoed, worden niet vaker homoseksueel of lesbisch dan andere kinderen, ze hebben niet meer gedragsproblemen en ontwikkelen ook niet een andere seksespecifieke voorkeur. Meisjes spelen gewoon met poppen en kiezen dezelfde beroepen als hun vriendinnen. Het idee dat lesbische moeders niet moederlijk genoeg zouden zijn, werd ook bestreden. “Ze bleken juist heel warm te zijn en waren in sommige gevallen nog moederlijker dan andere vrouwen. Ook is het niet zo dat kinderen van lesbische ouders een rolmodel missen. Lesbische vrouwen hebben vaak mannelijke vrienden, waardoor de kinderen genoeg mannen om zich heen hebben om zich mee te identificeren.”

F.Juffer

Lesbisch ouderschap

Uit een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, uitgevoerd door Henny Bos, blijkt dat er in Nederland ongeveer 15.000 lesbische stellen zijn waarvan er 15 procent kinderen hebben.

Hoe worden die kinderen opgevoed?

Bos vergeleek honderd lesbische gezinnen met honderd heterogezinnen.
De uitkomsten: lesbische moeders blijken de taken in het gezin meer gelijk te verdelen dan heteroseksuele partners. De sociale moeder (de vrouw die het kind niet baarde) voelt zich meer emotioneel bij het kind betrokken dan de heteroseksuele vader. Bij spelletjes geven lesbische ouders minder structuur en stellen ze minder beperkingen, bijvoorbeeld door te straffen.

Het welbevinden van kinderen van twee moeders is over het algemeen hetzelfde als van kinderen van heteroseksuele paren.

Bos: ‘Je zou denken dat als lesbische ouders meer bezorgd en meer betrokken zijn, het kind minder problemen heeft.
De reden dat we dat niet vonden is misschien een drempeleffect. Wanneer ouders een bepaalde hoeveelheid warmte en affectie geven, maakt het niet uit als ze nóg meer geven. Verder bepalen ook erfelijkheid en leeftijdgenoten probleemgedrag.’

Gezinnen met twee moeders zijn niet zo gewoon dat er niet over gepraat wordt. De overgrote meerderheid van de lesbo’s met kinderen krijgt vragen over, bijvoorbeeld, wie de echte moeder is. Ook vermoeden lesbo’s dat er wordt geroddeld over hun gezinssituatie.

Henny Bos vat de gevolgen van dit alles samen met het begrip ‘minderheidsstress’. En die stress heeft invloed op de kinderen. Lesbische moeders die negatieve opmerkingen krijgen over hun gezin, constateren meer gedragsproblemen bij hun kinderen. Ook denken vrouwen die minderheidsstress ervaren vaker dat ze zichzelf moeten bewijzen en is daardoor het ouderschap voor hen stressvoller.


[Bron: Trouw, 3-1-2005]

www.homo-emancipatie.nl