| John Lathouwers | inhoud |

Al in het einde van de zeventiende eeuw ontstond de comtoise, de eerst bekende familie die deze klokken vervaardigde is de familie Mayet. Ze werden vervaardigd in de Franse Jura het gebied vlakbij de Zwitserse grens vooral de steden Morbier en Morez. Het succes van de comtoise is dat het een zeer degelijke en betrouwbare klok is die weinig onderhoud vereist, altijd wel loopt, en hij heeft een achtdagenrad zodat hij niet iedere dag hoeft opgewonden te worden, er zijn zelfs ook maandlopers.
De comtoises kunnen we onderscheiden in vier groepen namelijk:
De kettingslinger is de eerste die tot ongeveer 1820 werd vervaardigd. Deze heeft aan elkaar gehaakte stukjes ijzerdraad met daar aan een peervormig loden slingergewichtje. De vroege comtoises zijn een stuk kleiner van formaat, rond 1750 kwam de klok op standaard grote alhoewel er wel allerlei afmetingen voorkomen. Kenmerkend voor de comtoise is het repeteer slagwerk, ongeveer twee minuten na het slaan van de hele uren herhaald hij de aantal slagen nogmaals. Dit is handig voor de nacht, bij de eerste maal slaan weet men vaak niet waar men begonnen is met tellen en door even op te letten kan je de slagen opnieuw tellen. Het uurwerk is gevat in een stalen kast. De kettingslinger is in tegenstelling tot de latere comtoise van origine een wandklok die op enkele uitzonderingen na nooit in een staande kast werd gezet. De eerste exemplaren hadden een cijferring van verzilverd messing, ook werden er al gegoten messing cijferringen met twaalf geëmailleerde cartouche gemaakt waarop in Romeinse cijfers de uren zijn aangeduid. Opvallend is dat veel messing wijzerplaten minuten streepjes of cijfers hebben terwijl het uurwerk meestal maar een wijzer heeft die alleen de hele uren aangeeft, dit komt omdat er standaard wijzerplaten werden gemaakt, minuutaflezing was in die tijd nog niet zo van belang. De kast is bekroond met een mooi uitgezaagd belhekje van dun messing en boven op de klok is de bel bevestigd in een soort torentje waarin de slinger aan een touwtje is opgehangen. Hoe hoger het torentje des te ouder de klok is, deze hoge bevestiging van de slinger heeft te maken met het esthetische oogpunt om de slinger korter te doen lijken dan hij in werkelijk is.
Na 1740 komen er cartouche wijzerplaten in de mode met een ronde emaillen vlak in het midden, ook werden er wijzerplaten gemaakt met aaneengesloten cartouche zodat het er als een geheel uitziet. Er zijn nu ook klokken met 25 en 26 cartouche, een in het midden, 12 voor de uurcijfers, 12 voor de minuten aanduiding (iedere vijf minuten), en soms een met de naam van de klokkenmaker of verkoper. Kort hierna was men ook in staat om wijzerplaten uit een stuk te maken, waarvan de eerste een verdiepte schotel hebben (een uitgediept middenvlak), die tot 1770 gebruikelijk zijn, daarna zijn de schotels geheel bol van vorm. er gebuurde ook iets met de belhekjes die raakte uit de mode en er kwam na 1730 het gegoten ornament voor in de plaats, dit gebeurde geleidelijk aan en na 1750 kwam het belhekje nog maar zelden voor. De gegoten ornamenten zijn van messing of brons en werden als het ware op de wijzerplaat bevestigd, deze ornamenten zijn vaak versierd met hanen en zonnekoppen., hanen met een medaillon waarin de drie franse lelies staan werden gemaakt in de tijd van Lodewijk de zestiende en vanaf het einde van de achttiende eeuw kwam er ook de adelaar bij, soms bevind zich aan de onderkant van de wijzerplaat ook een gegoten ornament met een cartouche waarop de naam van de klokkenmaker staat. In de revolutie werden er veelal revolutionaire symbolen gebruikt. De wijzerplaten hebben Romeinse cijfers met daaromheen minutencijfers die om de vijf minuten aangegeven en zijn in het Arabisch, dus zo wij ze meestal schrijven. Zeldzamer zijn urencijfers die ook Arabisch zijn. Vanaf ongeveer 1785 werden er wijzerplaten gemaakt met minutencijfers om de 15 minuten maar tot 1800 was het gebruikelijk om de 5 minuten.
De gegoten ornamenten werden tot 1820 gebruikt en moesten plaats maken voor het dun geperste latoenkoper dat om de wijzerplaat heen gedecoreerd werd, de eerste zijn symmetrisch en bestaan uit 2 of 3 delen die elkaar overlappen het zijn meestal zonnekoppen met palmetten, korenaren, horens van overvloed, en iets later vaasvormen die tot 1840 overheersten, daarna kwamen er romantische taferelen voor, vanaf 1845 is het latoen koper uit een stuk , er veranderde veel rond 1820, de kettingslinger werd vervangen door de vouwslinger een slinger met aan elkaar geklonken stalen strippen met een messing slingergewicht, ook de plaats van de slinger veranderde de slinger die normaal aan de achterkant opgehangen was, verhuisde naar de voorkant, dit had te maken met de gewoonte dat men de klokken in staande kasten ging plaatsen en daardoor de slinger beter te zien is voor de slingerlens. Van nu af aan behoren alle comtoises in een kast te staan. Jammer dat van deze kasten nog maar weinig over is men komt ze nog zelden tegen, omdat deze veelal van vuren of fruitbomenhout zijn (soms grenen of eiken ), dus van slechte kwaliteit en lastig te verhuizen . De wijzerplaat werd na 1820 niet meer voorzien van minuten cijfers deze worden nu met streepjes weergegeven.
Kort na 1850 kwam de zo genaamde harpslinger, dit is een slinger met een grote slingerschijf die een rooster boven de slingerschijf heeft, er zijn verschillende typen en ze doen denken aan een compensatieslinger, (dit is een slinger die temperatuur verschillen regelt zodat deze klokken in koude en warme tijden gelijk lopen ), maar schijn bedriegt. Er zijn ook comtoises gemaakt met drie of meer bellen. Rond 1870 werden er ook comtoises gemaakt met gongslag in plaats van de bel, of met bel en gong, dit is waarschijnlijk van de zwartewoudklokken afgekeken, ook kwam de cartouche cijfers weer even terug deze werden dan op een albast wijzerplaat gezet.
Na 1870 was het de bloemslinger die domineerden, en deze bleef tot het einde in zwang. De bloemslinger heeft een grote slinger van geperst latoenkoper, en samen met de wijzerplaatversiering veel florale motieven. Rond 1880 werd de bloemslinger vaak erg bond beschilderd. Na 1900 nam de comtoisebouw sterk af door de steeds goedkopere Duitse klokken industrie. Met het begin van de eerste wereld oorlog 1914 is het volledig gedaan.
de comtoise is een klok die van het begin tot het einde van goede kwaliteit bleef, het ging hier meer om de grove degelijkheid en niet zo zeer om het dure en luxe. Het is en was een betaalbare en betrouwbare klok, zelfs nu nog mits hij in redelijk originele staat is. Er is veel met deze klokken gehandeld en gewandeld waardoor er veel klokken zijn waarmee er behoorlijk geknoeid en veranderd is, het is gebruikelijk dat er aan een antieke klok dingen vervangen worden zoals koorden en kettingen, maar een antieke klok met een nieuwe wijzerplaat of verkeerde slinger is een stuk kwalijker, dit zal de klok sterk in waarde terug brengen. het beste doet men er aan wanneer men een comtoise aankoop dit een bij betrouwbare bron te doen. Goedkoop is vaak duurkoop, men moet veel comtoises hebben gezien om een goed beeld te krijgen.
Maar het is zeker de moeite waard om een comtoise in huis te hebben en ze passen in een moderne zowel als klassieke inrichting.
| naar boven | inhoud |