De nuttigheid,Jacob Kohnstamm is een nazaat van een Oude Familie, sinds jaar en dag deel van het Amsterdamse regentenpatriciaat, een geslacht dat generatie op generatie bankiers, industriëlen, hoogleraren en bestuurders voortbracht. Jacob is de zoon van drs. Max Kohnstamm, een invloedrijke Europeaan, adviseur van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Zijn grootvader, prof. dr. Philipp A. Kohnstamm (1875 - 1951), was naast natuurkundige en onderwijsvernieuwer, kandidaat-kamerlid voor de vooruitstrevend-liberale Vrijzinnig Democratische Bond (VDB).
Jacob Kohnstamm (46) grijpt vooral vaak terug op het gedachtengoed van zijn grootvader, al heeft hij die nooit gekend. In D66, waarin Kohnstamm in de loop der jaren tal van vooraanstaande posities bekleedde, zegt hij het individualisme, het pragmatisme en het emancipatiestreven van de VDB terug te vinden.
Ik weet nog dat ik een klein doodlopend laantje in liep achter ons huis in Shropshire. De zon scheen en terwijl ik door dat stoffig laantje liep, werd ik mij scherp bewust van de dingen om mij heen. Mijn oog viel op een groep paardebloemen aan mijn linkerhand, aan de voet van een stenen muur, de meeste ervan waren in volle bloei, hun gouden koppen doorschenen door de zon, en opeens werd ik overspoeld door een buitengewoon gevoel van verwondering en blijdschap. Het was alsof ik deel uitmaakte van de bloemen, de stenen en de stoffige aarde. Ik kon de paardebloemen voelen kloppen in het zonlicht, en ik onderging een tijdloze eenheid met alle leven. Het is volslagen onmogelijk dit in woorden uit te drukken, of de intensiteit ervan weer op te roepen. Alles wat ik er nu nog van weet, is dat ik toen iets dieps en eeuwigs kende.
Een mystieke ervaring. Ze getuigt van
een gevorderde en uitzonderlijke ontwikkeling op levensbeschouwelijk
gebied. Toch is het de ervaring van een driejarig kind.
De beschrijving is afkomstig van een 44-jarige vrouw in het kader
van een groot onderzoek in de jaren 70 door een studiegroep in
Oxford o.l.v. Edward Robinson. In zijn boek Het Oorspronkelijk
visioen (1977) geeft Robinson tientallen dergelijke beschrijvingen
van religieuze ervaringen op jonge leeftijd, een selectie uit
duizenden reacties op een oproep daartoe.
Dit wijst er nog maar eens op hoe voorzichtig we moeten zijn met
het beschrijven van de ontwikkeling van kinderen en het vaststellen
van hun mogelijkheden en onmogelijkheden. Onvermijdelijk gaan
we uit van onze eigen situatie als volwassenen en van wat wij
kinderlijk of volwassen achten. Op het terrein van levensbeschouwing,
godsdienst en mystiek speelt daarbij sterk de visie mee die wij
zelf op hebben op levensbeschouwing en godsdienst.
Burggraaff H., Geloven van drie
tot achttien. Een benadering vanuit de ontwikkelingspsychologie.
In Dossier bijbel en katechese, pp. 277-310. HKI Nijmegen 1985.
Burggraaff H., In de schaduw van de levensboom. Naar een
intuïtief-religieuze benadering binnen de individuele godsdienstige
ontwikkeling. Kampen 1994.
Kushner
H., Als
kinderen over God vragen. Een joodse benadering. Baarn
1987.
Langeveld M.J., Kind en religie.
Utrecht 1966.
Robinson E., Het oorspronkelijk visoen. Religieuze ervaringen
in de kinderjaren. Haarlem 1979.
Rümke H.C., Karakter en aanleg
in verband met het ongeloof. Amsterdam 1963
Snik G., Religieuze opvoeding en de ontwikkeling van het religieuze
oordelen, in Voorwerk 1989.
When Children Ask About God:
A Guide for Parents Who
Don't Always Have All the Answers
by Harold S. Kushner
Paperback - (February 1995)
Synopsis
Who made God? Can God
hear my prayers? Why does God let people die? The author of When
Bad Things Happen to Good People helps parents understand their
children's fears and fantasies, and offers advice on answering
their questions about religion, the Bible, illness, and bereavement.
Dr. Philipp A. Kohnstamm (1875-1951) betoogt in Modern-psychologische opvattingen omtrent godsdienst en religie, (Amsterdam 1931) met klem, dat re-ligio gebondenheid, samenhang of afhankelijkheid betekent. Hetgeen waaraan men in de 'religio' gebonden is of waarvan men afhankelijk is, kan van alles zijn, maar dit draagt niet het kenmerk van een persoon. De term 'godsdienst' daarentegen impliceert een bipersonele relatie: van een 'ik' tot een ander 'ik'. De mens staat hier in een bepaalde houding niet tot een iets, of een Het, maar tot een iemand, tot een Gij. Het is op grond van deze scherpe onderscheiding tussen godsdienst en religie, dat Kohnstamm bijvoorbeeld Rudolf Otto kritiseert: omdat deze het Numinöse definieert als het essentiële van de religie, komt Otto aan godsdienst niet toe. Het numineuze is zuiver irrationeel gedacht en heeft geen ethisch-rationele zijde, terwijl de godsdienst altijd een ethisch moment bevat. 'Het Heilige' als iets onpersoonlijks kan zuiver een zaak van cultus en liturgie zijn, of het kan elke vorm achter of beneden zich gelaten hebben zoals op de hoogtepunten der mystiek; 'de Heilige' eist altijd een persoonlijke, een verantwoordelijke, dus een ethische relatie. In de Algemeene Inleiding (Amsterdam 1933) van twee jaar later is Kohnstamm wat minder rigoreus: hij stelt hier, dat 'Gij' ook de mensheid of de waarheid zou kunnen zijn, maar dan bedoelt men toch iets anders dan de 'vorm van geloof, die ik thans op het oog heb', namelijk de christelijke. Het is in het christendom en in de bijbel, Dat God als Persoon erkend wordt.
Terzijde zij opgemerkt, dat Kohnstamms onderscheid tussen religie en godsdienst niet gelijk is aan dit onderscheid in de vroege dialectische theologie, die alle overeenkomst tussen religie en godsdienst wenste te ontkennen. Kohnstamm benadrukt juist de overeenkomst, zeker op psychologosch vlak; het verschil bestaat voor hem slechts in het wel of niet toekennen van het persoonskarakter aan de godheid.
Dr. J. A. van Belzen: Rümke, religie en godsdienstpsychologie, Achtergronden en vooronderstellingen, Kampen 1991