prof. dr. Henricus Cornelis Rümke (1893 - 1967)

 

 

 

 

 

 

Religie voor jongeren?
In 1929 schreef de Nederlandse psycholoog H.C. Rümke in zijn beroemde essay 'Karakter en aanleg in verband met het ongeloof' dat geloof en religiositeit onmisbare elementen zijn in het ontwikkelingsproces van de mens, van kind naar volwassene. Zijn werkhypothese luidde: 'Ongeloof is een ontwikkelingsstoornis.' In tegenstelling tot wat Freud en anderen voor en na hem beweerden, meent Rümke op grond van zijn ervaringen als psychiater dat 'het zogenaamde ongeloof veel sterker verwantschap vertoont met de neurose dan echt geloof'. Freud beschreef 'onecht geloof', meent Rumke. Wie de echte neurose, in al haar levensremmende werking, heeft leren kennen, vindt het toch op z'n minst vreemd dat deze zeer speciale neurose, de godsdienst, de mens door alle eeuwen heen tot een productiviteit op het allerhoogste niveau heeft aangezet: 'Nergens heeft ooit het onechte een dergelijke ontroerende wijdende en bevrijdende kracht gehad.'

Ontvonkende kracht
Rümke beschrijft de religieuze ervaring als 'een zich zinvol ingeschakeld voelen in het geheel van het zijnde' - ofwel in deze wereld. Je ervaart houvast, grond onder je voeten ('oergrond') en samenhang.
Hoe komt die ervaring tot stand? Bij jonge mensen als zij evenwichtig zijn opgenomen en zich thuisvoelen in gezin, familie, school, vriendenkring en kerkgemeenschap. Meent Rümke. Deze geborgenheidservaring kan zijns inziens tot 'geloof' worden en de 'oergrond' tot 'God', als zij in hun groei naar volwassenheid op een bescheiden en gezagvolle wijze 'op de weg langs de woorden' worden geleid. Leren doordringen in de grote religieuze traditie van het christendom, bedoelt Rümke. Hij ging ervan uit dat de oude overgeleverde geloofswoorden in hun 'ontvonkende kracht' konden worden overgedragen; en dat er ruimte gegeven zou worden aan vragen en twijfel; dat er een geloofsgesprek zou kunnen worden gevoerd waarin de traditie niet klakkeloos wordt opgelegd, maar de toon en de melodielijn van de woorden zo inspirerend ten gehore worden gebracht dat de jonge hoorders tenminste krediet geven aan dat grote verhaal.

Verveling
Als de vonken er niet meer van afslaan, slaat de verveling toe. De sfeer van de godsdienst wordt er een van 'immense verveling', schrijft Rümke en het is gebeurd en gebeurt nog steeds met heel veel jongeren in kerken en schoolbanken: in die verveling ebt de ontvankelijkheid voor het geloof langzaam weg. Het is opvallend hoe snel de confrontatie van jongeren met bijvoorbeeld EO-programma's, maar ook met religieuze uitzendingen van minder steile omroepen, omslaat in irritatie over zoveel naïviteit, gebrek aan redelijke twijfel, en kritische vragen.
Wat Rümke vreesde, gebeurt nog dagelijks: dat een persoonlijke toe-eigening van de eeuwenoude traditie van overgeleverde woorden en verhalen in de kiem wordt gesmoord; en dat jongeren zich afwenden van vrijwel alle kerkelijke woordvoerders. En op zoek gaan naar andere wegen.

Popmuziek
Misschien wel de belangrijkste weg die alle jongeren bewandelen, op zoek naar hun identiteit, en naar iets wat 'vonkt' - allemaal oerreligieuze zaken - is die van de popmuziek. Ik zou de stelling wel aandurven dat de hedendaagse, ook Nederlandstalige muziek, op dit moment de 'religie voor jongeren' is.
Deze 'liedkunst' bestrijkt een heel scala aan thema's die zonder meer tot het repertoire van de grote religies behoren: goed en kwaad, schuld en boete, dood en leven, seks en geweld. In alle toonaarden worden deze onderwerpen breed uitgemeten. Soms in de toonaard van het protest, met een vurigheid die bijbelse profeten als Amos en Hosea naar de kroon steekt; soms braaf, aangepast en even moraliserend als de EO zelve, maar dan zonder Jezus als permanente bronvermelding.
Wie jongeren wil benaderen met 'godsdienstige onderwerpen' probere dat eens langs de weg van de rap, van Osdorp Posse, de stevige teksten van De Dijk en de meer zoetgevooisde ballades van Marco Borsato. Of hij organiseert een concert van de 'Birgit Lewis Gospel Train'. Je zult handen tekort komen om de bijbelse 'underground' van dat alles aan te reiken. Dat levert gespreksstof op tot diep in de volwassenheid.
Ene J.A. van Nieuwenhuyzen schreef reeds in 1955 in een themanummer van Wending, getiteld 'Jeugd': 'Wil de kerk nog toekomst hebben, zo zegt men tegenwoordig dikwijls, dan zal zij erin moeten slagen om de jeugd die zij verloren heeft, weer te grijpen. Dit is een wezenlijke fout in het denken over de kerk en over het benaderen van de jeugd. Wij zouden graag nog eens uit willen gaan van de slogan "de kerk moet weer kerk worden". Dit betekent dat zij zich bevrijd van de dwanggedachte dat geïsoleerdheid normaal zou zijn en openheid en deelneming aan het leven der mensen vreemd en noodlottig.'
Openheid, bedoelde hij ongetwijfeld, ook voor disco- en popconcert als plaatsen waar mogelijk religieuze ervaring tot uiting komt, én wordt overgedragen en ingeoefend.

Kees Kok 

 

 

POSITIEF DENKEN

 

Dr. Philipp A. Kohnstamm (1875-1951) betoogt in Modern-psychologische opvattingen omtrent godsdienst en religie, (Amsterdam 1931) met klem, dat re-ligio gebondenheid, samenhang of afhankelijkheid betekent. Hetgeen waaraan men in de 'religio' gebonden is of waarvan men afhankelijk is, kan van alles zijn, maar dit draagt niet het kenmerk van een persoon. De term 'godsdienst' daarentegen impliceert een bipersonele relatie: van een 'ik' tot een ander 'ik'. De mens staat hier in een bepaalde houding niet tot een iets, of een Het, maar tot een iemand, tot een Gij. Het is op grond van deze scherpe onderscheiding tussen godsdienst en religie, dat Kohnstamm bijvoorbeeld Rudolf Otto kritiseert: omdat deze het Numinöse definieert als het essentiële van de religie, komt Otto aan godsdienst niet toe. Het numineuze is zuiver irrationeel gedacht en heeft geen ethisch-rationele zijde, terwijl de godsdienst altijd een ethisch moment bevat. 'Het Heilige' als iets onpersoonlijks kan zuiver een zaak van cultus en liturgie zijn, of het kan elke vorm achter of beneden zich gelaten hebben zoals op de hoogtepunten der mystiek; 'de Heilige' eist altijd een persoonlijke, een verantwoordelijke, dus een ethische relatie. In de Algemeene Inleiding (Amsterdam 1933) van twee jaar later is Kohnstamm wat minder rigoreus: hij stelt hier, dat 'Gij' ook de mensheid of de waarheid zou kunnen zijn, maar dan bedoelt men toch iets anders dan de 'vorm van geloof, die ik thans op het oog heb', namelijk de christelijke. Het is in het christendom en in de bijbel, Dat God als Persoon erkend wordt.

Terzijde zij opgemerkt, dat Kohnstamms onderscheid tussen religie en godsdienst niet gelijk is aan dit onderscheid in de vroege dialectische theologie, die alle overeenkomst tussen religie en godsdienst wenste te ontkennen. Kohnstamm benadrukt juist de overeenkomst, zeker op psychologosch vlak; het verschil bestaat voor hem slechts in het wel of niet toekennen van het persoonskarakter aan de godheid.

Het zijn de romantische aspecten die Rümke in zijn denken over godsdienst en God geleid hebben en die hem voor pantheïstische gedachten ontvankelijk lieten zijn. (Wellicht, maar dit is speculatief, staat Rümke daarom in Inleiding in de karakterkunde, Haarlem 1929 iets langer stil bij de contemplatieve mens met zijn pantheïstische religieuze grondvorm dan bij de andere door Dilthey onderscheiden typen? Is hier van herkenning of van een gevoel van verwantschap sprake geweest?)

Rümke vertrok in zijn denken over godsdienst niet vanuit een gearticuleerde religieuze traditie, maar zocht naar iets fundamentelers dat daar als het ware onderligt en dat de voedingsbodem voor de verschillende religieuze tradities geacht mag worden: het gevoel 'zinvol ingeschakeld te zijn in het geheel van het zijnde'. Rümkes benadering in dezen herinnert aan Religion ist Sinn und Gesmack für das Unendliche van Schleiermacher (1768-1834), een der grote Duitse theologen uit de Romantiek (op wie Spinoza's pantheïsme van grote invloed is geweest*). Evenals voor Schleiermacher is voor Rümke de godsdienst een zaak van het Gemüt. Maar we moet voorzichtig zijn met vergelijkingen want theologische of godsdienstwijsgerige literatuur als de werken van Schleiermacher werden door Rümke niet gelezen, hoewel het van de andere kant dan weer significant mag gelden, dat tot de uitzonderingen op dit gebied Das Heilige van Rudolf Otto behoort.** Dit had Rümke wel gelezen, en het is juist Otto die de lijn van Schleiermacher weer opnam in de theologie. Van enige convergentie der verschillende aanwijzingen in de richting van de Romantiek, Einfühling en een vorm van pantheïsme lijkt gesproken te kunnen worden.

Dr. J. A. van Belzen: Rümke, religie en godsdienstpsychologie, Achtergronden en vooronderstellingen, Kampen 1991
Dr. H. C. Rümke: Karakter en aanleg in verband met het ongeloof, Amsterdam 1943
Dr. H. C. Rümke e.a.: Twijfel en geloof, Amsterdam 1950
(waarin opgenomen: H. C. Rümke: De psychologie van de twijfel; G. van der Leeuw: De phaenomenologie van den twijfel; G. Sevenster: De twijfel in de bijbel; W. J. Aalders: Twijfel en geloof)
W. Dilthey: Ideen über eine beschreibende und zergliedernde Psychologie, Stuttgart 1984
* G. van der Leeuw: Historisch christendom, Utrecht 1919
** G. van der Leeuw: Dogmatische brieven, Amsterdam 1933