een Hoge Heerlijkheid


Sint Michiel in Putte

Zoals men tegenwoordig begint met een winkelcentrum, begon men vroeger met een monumentale kerk te bouwen. "Insgelijks zullen de voorschreven dijkers, bij rade van ons, ter ere Gods en zijner gebenedijde moeder Maria, en zonderling den heiligen Engel Sint Michiel eene kerk met haar toebehoren funderen, maken, volbrengen en onderhouden ten eeuwige dage bij de gemeente van ons, en bij twee kerkmeesters, aldaar wonende, die wij, of onze erven daartoe zetten en ordonneren zullen; daar af die gifte van de voorschreven kerk, kosterie en alle andere officiën, geestelijke en wereldlijke, ons, of onzen erven, of zaak van ons hebbende blijven zal ten eeuwigen dage. En wat priester men aan deze voorschreven kerk geve, zal altijd woonachtig wezen binnen het voorschreven land van Middelharnisse; en dat dorp zal heeten Sint Michiel in Putte." De eerste pastoor was Cornelis Jacobszoon, aangesteld in 1465. Het koor kwam omstreeks 1450 tot stand, waarna het schip tussen 1450 en 1475 met dwarsarmen, en omstreeks 1500 met een zijbeuk werd vergroot. In 1467 werden juwelen en zilver aan de kerk gewijd. In de oorspronkelijke kerk stonden ca zes altaren gewijd aan St Michiel (beschermheilige voor de meekrapdelvers), St Antonius (voor de boeren), Het Heilig Kruis en St Petrus (beschermheilige van de vissers), St Jacob (voor de zeevaarders), St Joris (patroon van de schutterij) en St Gertrudis (beschermheilige tegen muizenplagen). In de loop van de tijd werd de kerk verfraaid met gebrandschilderde ramen, een groot tafereel dat de Tien Geboden voorstelde, kronen, blakers, houtsnijwerk, koorbanken. In 1575 is de toenmalige pastoor met de gehele gemeente overgegaan naar de nieuwe godsdienst. Vermeldingswaard is de kunstig bewerkte leuning aan de preekstoel in 1794, bewerkt door Aren Marinsz. Wafelbakker, een eenvoudige stuurman van Middelharnis met een gewoon haringkaakmesje. In 1904 brandde het kerkgebouw geheel uit. Alleen de muren en de toren bleven overeind. Ook in 1948 loeiden de vlammen door het gehele kerkdak. Brandweercorpsen van het hele eiland snelden te hulp, maar alleen de toren werd gespaard.

een nieuw gemeentehuis

In 1593 stonden in Middelhernisse 81 huizen en het dorpsbestuur, dat in de plaatselijke herberg vergaderde, begon te denken aan een eigen gemeentehuis. Eerst werd een woonhuis aan het Marktveld, op het einde van de Voorstraat hiervoor ingericht. In 1637 moest deze woning, die inmiddels bouwvallig was geworden, plaats maken voor een echt statig Raadhuis, gebouwd naar een ontwerp van Arent van ´s-Gravenzande in Nederlandse barokstijl, het Haags classicisme, in nauwe samenwerking met de Haagse beeldhouwer Pieter Adriaensz. 't Hooft. Naast de drie beelden vervaardigde 't Hooft ook het wapenschild van Middelharnis, dat aangebracht werd in een driehoekig fronton, waarmee de voorgevel wordt gedekt. In een open koepeltorentje werd een rechtklok gehangen. Het klokje werd geluid als rechtszittingen werden gehouden.

Op de foto zien we de markante toren, die verwant is aan de mogelijk iets latere torens van Dirksland en Nieuwe Tonge. Voor de toren zou die van het Sint Michielsklooster te Antwerpen model hebben gestaan. De grote klok was in 1521 in Mechelen gegoten en is tijdens de grote klokkenroof in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. De kleine klok uit 1751 kon worden opgespoord. Pas in 1914 werden vier wijzerplaten aangebracht.

Op het torentje van het gemeentehuis is een mooi model te zien van het eerste type vissersvaartuig, een gaffelvaartuig als windwijzer. Deze werd later aangebracht, ter herinnering aan de grote dagen van de visserij.
De drie vrouwenbeelden op de fronten zijn prudentia (met spiegel en 2 slangen), caritas (met 3 kinderen) en justitia (met een zwaard en een weegschaal). Ze beelden drie van de zeven hoofddeugden uit: verstandigheid/voorzichtigheid, liefdadigheid en gerechtigheid. Erg gewichtig, maar de vrouwen van dichtbij gezien stralen een gemoedelijke eenvoud uit.

Op de gevel van het raadhuis prijken ook nog de halsstenen uit 1675, die overtreders werden omgehangen als zij 'aan de kaak' werden gesteld. Dit gebeurde op het marktveld voor het raadhuis. Je kunt niet alles aan de gevel van een raadhuis hangen, maar de vangst van een walvis voor de haven in 1768 heeft toch indruk gemaakt. De walviskaak werd het aloude uithangteken van de vierschaar.
Als men de heul onder het raadhuis doorgaat kan men links door een deur, die toegang verschaft tot de gevangenis. Via een tweede deur komt men in de 'gyselcaemer'. In de gijzelkamer werden mensen opgesloten die hun schulden niet konden betalen. Zij kregen een betere behandeling dan de gevangenen in de cel. Het brandijzer is nog bij de gemeente aanwezig, het werd niet vaak gebruikt. In alle vonnissen tussen 1621-1811 zijn slechts 3 personen van een brandmerk voorzien. Bij groter misdrijf volgde de doodstraf door ophanging aan de galg. In de periode 1621-1811 zijn drie personen in Middelharnis geexecuteerd. De derde ter dood gebrachte verdachte was een vrouw. Dit vonnis werd voltrokken nadat eerst 'een psalm gesongen en een gebet tot Godt gedaan te hebben'. Haar lichaam werd direct na de executie begraven 'op 't vreemde kerkhoff'. Er waren wel in meer gevallen de doodstraf uitgesproken, maar de verdachten hadden de benen genomen en werden bij verstek veroordeeld, of hadden zelfmoord gepleegd en werden op het galgeveld begraven. De laatste terechtstelling vond in 1818 plaats. In de gevangenis zat de veroordeelde dan te wachten op 'de laatste reis', de doodlopende Galgeweg net buiten Middelharnis. De avond voor een terechtstelling kreeg men nog een galgemaal aangeboden. Men maakte er een feestmaaltijd van, waarbij de veroordeelde de hoofdzetel kreeg. Rechts van hem zat de schout en links de predikant, die de veroordeelde de nodige troost van het geloof moest geven. Verder zat aan zo´n maaltijd nog de burgemeester, de president der Thesaurieren, de ziekentrooster, de stadsopzichter en de procureur.

Het nieuwe Raadhuis had het dorp meer dan 9000 gulden gekost en dat was voor die tijd aanzienlijk. Gelukkig groeide het dorp snel. In 1632 was het aantal huizen al gestegen tot 132. In 1747 waren er 339 huizen. Het dorp zou in de 17e en 18e eeuw een welvarende vissersplaats worden. In 1795 bedroeg het aantal inwoners 2157.

een deftige straat
'de Voorstraete is voor de riekdom, de Achterweg is voor ons, mijn vaoder was landarrebeider'. Alle mensen mochten gerust over de Voorstraat, maar de armere mens was vroeger nederig in zijn denken, tegenover de beter gesitueerde.
Er was rondom 1900 een traditie in Middelharnis. Als het negen uur was, dan was burgemeester Ulbo Mijs uit zijn groot burgemeestershuis op de Kaai op weg gegaan naar het gemeentehuis. Als het weer goed was, kwam ook secretaris Nijgh naar buiten en liep mee op. Dan had je de reders, die ook een kleine morgenwandeling gingen maken, het waren de heren Kolff - in de wandeling de oude Cor en de jonge Cor. De jonge Cor was zwager van burgemeester Mijs. Men ontmoette elkaar, wisselde de laatste nieuwtjes uit en ieder ging naar zijn eigen kantoor of bureau. De heren hadden de gewoonte een wit vest te dragen met gouden horlogeketting.

het winkeltje van Tanna de Man
Aan de andere kant van de Voorstraat, op weg naar de Oostdijk, waar de bewoners bepaald niet tot de elite van het dorp behoorden, stond, verscholen achter een dikke boom een huisje met fraaie trapgeveltjes, gebouwd eind 16de eeuw. Het was een snoepwinkeltje. Vóór het huisje stond een boom, met een hekje er voor. Op dat hekje een bordje dat de boom gepoot werd als herinnering aan de troonsbestijging van koningin Wilhelmina. De arme vissersvrouwen, die met 3 gulden per week moesten zien te leven, gaven hun kinderen een halfje; die kochten dan bij Tanna de Man of meutje Lien in de Visserstraat of in het snoepwinkeltje van Maria Rooy een polkabrok, een stuk chocola of een toverbal. Bij goed weer had Tanne een tafel buiten staan met fruit en snoep en de kinderen kwamen dan voor een cent wat kopen van het snoepblad, of een z.g. 'stroopje' (een lik warme stroop in een puntzakje) of een appeltje. De man van Tanne hakte bosjes hout, die voor één cent werden verkocht om de kachel aan te maken. Naderhand heeft Jan Roodzand er gewoond, die de handel uitbreidde met boter, kaas en eieren. In 1929 kwam de wed. Krijtenberg er in, die in de volksmond genoemd werd 'Tine van de kaoie' of 'Tine bij d'n dikke boam'.

de kaaidreef
Nu we hier toch zijn gaan we via het slopje tussen de Voorstraat en de Oostdijk, het Dreefslop, even naar het meest idyllische plekje van het dorp, de kaaidreef. Hier zaten nogal eens schilders te werken. Het was er gevaarlijk voor spelende kinderen; de kreek een eldorado voor ratten en wanneer de keerdammen wel eens werden vergeten te openen, stonk het er behoorlijk. Door deze kreek stroomde het water uit de polder, lozende op de haven. Een groot probleem in vroeger tijden was de afvoer van faecaliën binnen de dorpskern. Tweemaal per jaar moesten de 'secreetputten' worden geopend en geruimd. De inhoud werd via bepaalde beerputten weggevoerd naar de mestschuiten, die aanlegden bij de mestkaai, bij de uitmonding van de spuisluis. Ook de afvoer van water was bedroevend, de afvoer liep door een goot naar een sloot of werd gewoon op straat gegoten. Het gemeentelijk riool liep uit op de idyllische kaaidreef.

de Oostdijk
We gaan hier gauw vandaan, zien de pittoreske huisjes met puntgevels, die hier al eeuwen staan (helaas in 1958 afgebroken) en besluiten toch even de Oostdijk op te gaan. Het blijkt een gezellig straatje met diverse kleine winkeltjes te zijn. Hier is de bekende acteur Louis Bouwmeester geboren, zijn ouders waren kermisgasten. Vooraan het winkeltje van vissersvrouw Johanna Sybrand. Buiten voor het raam, een plank met 'kommen', klompen, 'viertesten', enz. Johanna viel eens in de haven en bleef op haar rokken drijven. Toen ze op het droge werd gehaald zei ze: "Kopje onder en nog niet nat". En dat terwijl een eindje verder de 'Waterweg', aan de benedenkant van de dijk ligt. Ze wisten in deze 'Spuistraatjes' wel wat wateroverlast was. Je kwam er van de Oostdijk alleen via bruggetjes over een kreek, de huizen aan het eind noemde men 'de Singel'. Aan namen ontbreekt het in deze omgeving niet. Je had hier de Peekaoie, de Komme, de Brae Veartien, de Wurft.

de Westdijk
We lopen nu van de Oostdijk naar de Westdijk, op de hoek van de Voorstraat 'Aoi Tras' en we laten dat heel oude, smalle straatje daar onder de dijk, met die armzalige kelderwoninkjes, de Nieuwstraat, maar links liggen, al moeten we even aan Geleyn Cornelisse, de schoenmaker denken, die hier in 1572 urenlang aan zijn duim werd opgehangen; je hebt hier ook nog het 'Dronkemanspad'. Op de Westdijk zien we in de verte al de prachtige korenmolen. Middelharnis heeft 3 molens gehad. De eerste korenmolen was in 1578 aan de Oudelandsedijk bij het Prikgat gesticht en werd in het begin van de negentiende eeuw afgebroken. De molen op de Westdijk werd in 1718 gebouwd en werd in 1898 afgebroken. Tegenover de molen was het molenaarshuis. We zien twee mannen met zijden petten en vrouwen met lange schorten en met veldhoeden gedekt, van het werk op het land naar huis terug gaan. Voor de derde molen moeten we wat verder de dijk op lopen. We komen voorbij een zeilmakerij waarbij men voor het huis bezig is een zeil van een sloep te herstellen en beneden de dijk ligt het Schulppad en de 'liembaene', waar het touwwerk voor de sloepen wordt vervaardigd. Hier konden we de touwdraaier zien draaien aan het 'grote wiel'. Met een bundel hennep om hun middel gebonden, sloften de 'liembaenders' al maar achteruit en achteruit. Het touw werd steeds langer en op kunstige wijze in elkaar gedraaid. Aan de andere kant van de 'liembaene' zien we dan de korenmolen 'De Dankbaarheid' draaien. Deze is gebouwd in 1849 en in 1966 helaas afgebroken.

Holland-Zeeland
We lopen nog even door op de dijk en komen dan bij de grenspaal met het jaartal 1782, de grens Holland-Zeeland. Een kaarsrechte lange weg scheiden de dorpen Middelharnis en Sommelsdijk van elkaar. Als we verder zouden wandelen, kwamen we weer op een Oostdijk, gevolgd door een Westdijk, met eenzelfde aftakking de kaai rechts en een Voorstraat links. Maar aan het eind van die Voorstraat, geen gemeentehuis, maar alleen een kerk. Want al eeuwen lang kent men hier de wet: 'verschil moet er wezen'.

«« Middelharnis