'Nie kanne? Alles kan! Op Stad haauwe ze wel een aep lere bidde, mar die kreeg dan oak krentebroâd'.
Draojende winden in uutlopende vrouwen binnen nie te vertrouwen.
|
een ouwe foto
een vroeger tied vervloge; as ging
hoe vredig het durp dat daer zo leit, |
![]() |
Flakkee 'n eiland, gevange in waeter durpjes, zoomar èrges neergestreeke boerderiejen, slaepend oender 'n grôôte lappedeeken
huusjes, aarm in aarm, staen
'n eiland, vlak nog 's vlak |
|
soms
soms, as een gerdien van regen
langs dieken in langs slôôten
't verre weg dichtbie is
bin ik zelf een eiland |
zondag
dan zieje 'k een kind op d'r zondags
deur de dikke muren heen hôôr 'k
in de straeten is het stille |
soms
soms, as de wind het gras
witte wolken as
een zulvermêêuwe
zou 'k me wille vouwe |
Links een foto van Maatje Vos-van den Berg, geboren in 1879. Ze woonde in een klein huisje aan de Waterweg. Bij de daagse dracht behoorde geen keuvel, maar een gehaakte muts. De gestreken en gesteven linten werden vastgezet. De gehaakte witte rouwmuts is hier fraai gestilleerd.
Rechts 'Sientje het Appelmeisje uut 'Menheerse'. Niemand weet hoe ze echt heette en waarom ze als het appelmeisje vereeuwigd werd. Wellicht was ze voorloopster van het bekende 'Zeeuwse meisje'.
Hieronder de klederdracht van de vissers. Ze droegen een blauwe trui, een pot-klepbroek, laarzenkousen en klompen. Links staat kofjekoker Jeroen de Koning en naast hem Krijn van Gelder. Zij voeren bij schipper Teun de Braber op de MD11, de Hendrika. Krijn was op zee toen zijn vrouw haar eerste kindje kreeg; bij de bevalling overleden moeder en kind. Zij waren al begraven toen Krijn thuiskwam.

Spreekwoorden en gezegden
As de Koaie jenever was dan kreege de lusters gien plekke van de nielusters.
Ouwe beugers, ouwe bedelaars.
Van ebbe komen = te laat komen, de vissers gingen met vloed de haven uit.
Zijn eigen mast overboord zeilen = zijn eigen ruiten ingooien
Daar zal de mast niet van breken = dat is niet erg, dat kan wel.
Je moet uit de kinkels blijven = kinkels zijn de kronkels in een touw.
Iemand door de zeilen jagen = de loef afsteken.
't Anker gaan winden = gaan slapen = onder zeil gaan.
Hij vaart midden in de vloot = hij heeft gemiddelde verdiensten.
De gullen gaan met 't aas weg = de kosten zijn net zo groot als de opbrengst, gullen zijn kleine kabeljauwen.
Vis in maart is 't bakken niet waard.
Het lek boven krijgen = over 't kwade punt heen zijn.
Met de dweil door 't gangboord lopen = vleien.
Hij vaart mee als de mast op een schuit = hij heeft niets te zeggen.
Je moet je netten maar uitzetten = proberen er achter te komen.
Ze gaat op 'n andere haven = haalt elders haar boodschappen.
Mit de wind de haeven uutkunne = 't begin loopt mee.
'As je gien visser wil worre, gae je mar nar de drukkerieje'.
de eerste sleep is den besten = het eerste is het beste.
deêr is in alle pitjes geên vis - het loopt niet altijd mee.
hie heit een klap van de stagfokke gehad: hij is niet normaal.
Hie komt van ebbe = hij komt te laat.
Deêr stieng nog al zeê = daar vielen harde woorden.
Op de luierbalk zitte = niet veel uitvoeren (balk of plank bij 't roer).
't Woit in z'n zeltje, 't Lek boven hè.
De gullen goô mit 't aes heen.
d'r is geen bokking zoe maeger of d'r braedt vet uut.
scheepstermen
'n sloep op de haevene zette: een vissloep de haven insturen.
hie woait bekant uut de lieken. Dat zei men wel bij stormweer. De lijken zijn de touwen waarmee de zeilen van de schepen zijn afgerand.
oranje boven: uitroep van de vissers als ze in het water vier kabeljauwen tegelijk aan de haken zien. Het is een waarschuwing aan de schipper om langzamer te varen.
ommeleg doewe: afrekenen met de schipper, nadat er een paar reizen gedaan zijn.
aan boord
aardappelschuiten: 's winters werden aardappelen naar Engeland en Schotland gevaren. 's Zomers werd er op bliek gevist op het Haringvliet. Deze werd ingezouten en als aas gebruikt bij schelvisvangst.
achterlaen: plaats waar de schipper in het logies zit.
achteromlêêge: ruimte onder het achterdek van een vissloep.
anslaen: de zeilen bevestigen.
bakwiege: een langwerpige 60 cm hooge mand
beetinge: uiterste punt van het schip
bobbelglazen: vier smalle dikke glazen in het dek.
bovenman: bakker, zorgde voor het inhalen van het want in de bakken, na het ophalen van de beug.
Brielse kerkhof: een van de gevaarlijkste van de Noordzee.
draep: vislijn met een of twee haken eraan, waarmee men makreel vangt.
fiktaelie: mondvoorraad.
frok: Zeevissers uit 1895 dragen geen overhemd, maar een frok, een visserstrui van blauwe sajet door vrouw, moeder of zus gebreid.
gebleven: vergaan
'gelukkige' schipper: een schipper die praktisch altijd goed gokt op zee, waar een schoof vis op dat moment trekt.
haelder: matroos die het viswant uit de zee binnenhaalt en er de vis afdoet.
hoozesmoel: zeeduivel (vissoort).
jik: driekantig zeil boven het grootzeil.
jooj: de kofjekoker
kôôigoed: dekens e.d. aan boord van een vissloep.
keeteltapper: jongen die voor water in de ketels moest zorgen en het manusje van alles was.
ketellapper: zorgde voor water in de ketels
kleine joon: de koffiekoker.
kniksaege: staaldraad die van boven de beide masten van een tweemastsloep verbindt.
kuitbroek: De Urker vissers dragen ze nog. In plaats van een gulp hebben ze een klepsluiting. De bemanning ging altijd gekleed slapen, omdat men elk ogenblik opgeroepen kon worden om de zeilen te bergen. Het was bijna gebruikelijk dat als een visser voor 14 dagen uitging, hij van huis met schone kleren wegging en na 14 dagen in diezelfde kleding thuis kwam.
kuulnette: net, waarmee men aas vangt, en dat men met staken in de bodem bevestigt.
laenen: planken in de viskeejen om een te grote druk op de onderste vis te vermijden.
laenhouwer: man die op de plank zit, die van de zaete naer de vuuster is gelegd.
lange twêêmaster: vissloep met schoenertuig en lange bezaanmast.
lensen: voor de wind varen
lieketouwe: touw dat langs een zeil wordt genaaid.
liejme: grens tussen zout en zoet water.
logge: bak voor eten.
lommen: lompen (soort vis).
mêêntewant: want dat door de vissers gemeenschappelijk wordt gereedgemaakt.
ommeleg: Afrekening bij de baas. Men viste 'op deel': de rederij kreeg 6 delen, de bemanning 12 delen. De koffiekoker kreeg 1/4, de kok 3/4, de bovenman 7/8. De baas ontving f. 150,-- stuurgeld per teelt van een jaar. De schipper monsterde de bemanning. Later was de betaling niet meer op deel. Toen kreeg een volle matroos 3% van de besomming en anderen naar rato. De schipper ontving 6%.
opslouwe: zeilree maken
ouwe-man: stuurman en tevens de persoon die de zorg had voor de inventaris.
paansbenne: lagere bredere mand
pènsbenne: ronde mand, waarin ongeveer 50 kleine schelvissen gaan.
pieke: ruimte in het voorschip onder de vrongele.
piekvalle: touw waarmee het grootzeil omhoog gehesen wordt.
pielestaert: soort rog met scherpe stekels op de rug.
prangen: laveren.
puntje of roggestikje: mand van ongeveer 1 meter hoogte, waarin roggen naar België werden verzonden.
rogge stikje: spits toelopende hoge mand
het sas: de zij van het schip
schieten: de beug uitzetten
schotter: de man die het want met de haakjes weggooide
schuitentijd: Wanneer 's winters het vriezend weer was lagen de vaartuigen in de kaai om te overwinteren.
speulgeld: gratificatie voor de 5 jongens beneden de rang van matroos.
staeke: aas vangen met een kuulnette.
staekel: pot met terpentijn, waaruit door een gat in het deksel een stuk lampkatoen steekt. Door deze katoen aan te steken, wordt een lichtsein aan andere schepen gegeven om aan te geven, dat men bezig is de beug over boord te schieten.
staekelviere: seinen met de staekel aan de aan de andere vissers geven.
staffelfokkevalle: touw waarmee men de stagfok ophijst.
steken: rustig bij de wind zeilen met klein zeil
stoppekistje
Hierin zat het persoonlijk proviand. Het kistje was van buiten groen geverfd en wit van binnen. De lepel en de vork lagen in een apart bakje. Als proviand had je een keuls potje met boter, ontbijtkoek en een rond brood. Als dat na 2 uur 'op' was begon je aan de 'zêêkaeke'. Ook had iedereen nog een blikken trommeltje met suiker en een doosje met zelfgebakken brokken.
tonnetje: De w.c. stond aan dek. Na gebruik werd het in zee geleegd, je spoelde het tonnetje om voor de volgende klant. Alleen in IJmuiden was er een toilet; het café waar we een biertje of een borrel dronken hield 's nachts de deur open.
val van 't Zand: zeemanskerkhof vooral tijdens winterstormen. Het Zand is een zandplaat, zuidelijk gelegen in de Noordzee, 15 vaam diep (1 vaam = 1,7 m) op die plaat zit weinig vis. Betere visplaats was de Scherpte, noordelijker gelegen en 25-35 vaam diep.
vislienen: de beug
vrongele, loozies of omlêêge: ruimte onder het voordek van een vissloep waar de kooien van de bemanning zijn.
't vrongelhuusje: ingang van de vrongele.
vuuster: kachel in een sloep.
warttouwe: een boei
wrongele: Voorlogies bestemd voor 11 man. Er waren daar soms vier twee persoonskooien. Men sliep met zijn tweeën in de kooi, gescheiden door een tussenschot. De breedte was ca 75 cm per persoon. De koffiekoker, die nog niet vrij van zeeziekte was en vissers die lang thuis waren geweest hadden een klomp bij zich. In de wrongele stond een vierkante kolenkachel, waar de koffiekoker zijn koffie opzette.
zaete: zitbank in het vooronder van een schip.
zaoje: wantton of joon.
zaojeroverpaojer: man die de boeien met vlaggen voor de beugvisserij verzorgde. Als hij een boei overboord moest werpen, werd hem 'zaoje stae' toegeroepen.
zaoiverpaoier: de man die de boeien verzorgde
zoolaenen: planken waarop de loggen worden geplaatst.
zoutreis: de grote zomerreis
rondje door het durp
'Drie keer om de kerk heen lopen is net zo goed als één keer er in', zeiden sommige mensen, maar dat waren er van de Voorstraete en daar dachten de kerkmensen van de Nieuwstraete anders over. In de Ring liep je langs de pas gedempte kerkgracht en vond je de armenhuisjes in de Plaetse en een eindje verder het Gasthuis, dat eerder het weeshuis was geweest, maar waar nu soep en gortpap verstrekt werd aan behoeftige inwoners. Hier stond ook het Grote Huys, het baljuwshuis, vaag te onderscheiden op het laantje van Hobbema.
Net buiten het dorp liep den Duyt, een breed pad bij een oud pakhuis, de vroegere Mennistenkerk. Hier vlakbij was de klampenmeet, waar het koren in schoven werd aangevoerd met paard en wagen, het stro werd in klampen gezet. In een dorskas werd het koren gedorsen, aangedreven door een locomobiel. Achter de klampenmeet de karremispit, de gemeente vuilnisbelt. Het huisvuil werd met een open kar, de geurmaker, opgehaald door de karreman, ook de wc-emmers werden in een open ijzeren bak gestort en geleegd op de karremispit. Op het eind van de Donkereweg stonden varkenshokken en aan het eind een houten hek met daarachter grasland, de keesjeswei, waar gevoetbald werd met een opgeblazen varkensblaas. Zowel op de Oostelijke- als op de Westelijke Achterweg een Mekhof, oorspronkelijk schapenboerderijen. Je had hier bij de Breeveertien een mooi gezicht op de toren en op het oudemannenhuis in de Ring. Het Binnenpaadje (nu de Hoflaan) was een smal weggetje tussen de volkstuintjes door. Je was dan bij het kaarkepitje (de begraafplaats) en langs het binnenpaadje bereikte men over een brede plank de Langeweg. Linksaf liep je dan naar het ronde boampje, de Rottenburgseweg in en terug naar het dorp.
Rechtsaf de Langeweg op stond alleen de Katholieke kerk. Aan het begin van de Langeweg stond rechts de Bosseschool voor gereformeerde weeskinderen, het burgerlijke weeshuis stond nog niet zo lang op de Voorstraat. Aan de Sommelsdijkse kant van de Langeweg heeft vroeger hier nog een tijdje een protestantse kerk gestaan, die het Fort van Luther werd genoemd, maar dan moet je de geschiedenis van Dirk Bos kennen. De Meule van Dambruin stond vanaf 1849 midden in de polder, want het Tuindorp was er nog niet. Beneden het Zandpad was de liembaene, met twee draaimolens, om het touwwerk voor 20 sloepen te vervaardigen, geflankeerd aan weerszijden door een rij kopbomen, door een heggetje gescheiden van het laege pad, het Schulppad. D'n diek was nog een zandpad, met vele negotiewinkeltjes, een gasfabriek met stokerij en zuiverhuis, een molenmakerij, een sigarenfabriek, een zeilmakerij, een logement en een synagoge. Aan de overkant van de Sommelsdijkse haven, waar de kolenschepen door heen voeren om bij de gasfabriek gelost te worden en aan de andere kant van de Sasdijk lag het Galgenveld en de Galgenweg.
De schooltrap dateert van 1882. Tot 1850 stond de korenmolen de Hoop uit 1718, met het molenaarshuis er tegenover, aan de rand van het dorp. Aan het begin van de Nieuwstraat was de Evangelisaosje te vinden, een gebouw met hoge boogramen. De Gereformeerde Gemeente onder het kruis was oorspronkelijk te bereiken via een gang in een huis in de Nieuwstraat, via een houten leuningbrug moest men de scheisloot oversteken. Na demping van deze sloot werd dit het kerkepad, ook wel Dronkemanspad genoemd. De Schoolstraat, de drie Weistraatjes en de Hobbemastraat waren er nog niet, het heette hier de Weie. Hier werd de Ambachtschool gebouwd. Op de Westdijk het slopje van Buth, Teunis But was koper- en blikslager en had aan de straatzijde van het slopje een winkeltje. De ijzeren banden rond de sloepen werden meestal door hem aangebracht, want hij stond bekend als een vakman. Naast Buth de goud- en zilverzaak van Hartogs. Het slop van Bruggeman liep ook naar het Spuiplein. In 1890 stond hier de bakkerij van Bruggeman.
Over de dijkstoep, de kaai-oprel was een deel van de oude polderdijk, kwam je op de Heul voor het Hoagerhuus. Daarnaast het winkeltje van Tanne de Man dat later het huisje van Tine met de dikke boom zou worden. Tussen dit trapgevelhuisje en de schoenmakerswinkel van Vermaas, vooraan de Voorstraat, het Dreefslop, uitlopend op de Kaaidreef met de waterlozing van de Oudelandse polder. Midden op de Voorstraat, bij de pomp kon je via het Davidslopje naar de Oost Achterweg. Aan de andere kant van de Voorstraat het huus mit d'n Trommel uit 1662. Bij het slop van Arjaan Fikkel, een sluisje dat het water uit de kreek op de haven loosde, de Oostdijk op, daar zijn we Achter de Kaai, de afrit naar de Spuistraat, op de hoek het winkeltje in stenegoed en goudse pijpen van Arjaantje Sijbrand. Verder op de Oostdijk, links van de Waterweg een rij huisjes, die de oliemolen genoemd werden. Via bruggetjes over de kreek naast de Oostdijk kwam men beneden op de Waterweg, die bij veel regen vaak overstroomde. De Waterwegstraatjes werden ook wel Spuistraatjes genoemd. Aan de Oudelandsedijk een kweekvijver voor het aas van de visserij, het Prikgat. Later kwam hier de gemeentetuin. In 1918 werden aan het Oostvoorgors tien gemeentelijke woningen gebouwd, die de Tien Plagen werden genoemd. Verder op de Oudendijk met zijn mooie kopbomen kwam je beneden aan de Molenweg bij de Vliegers. Daar stond eens een houten standerd molen uit 1578, die in de 17de eeuw twee maal wegwaaide. Aan het begin van de Waterweg, waar de kreek eindigt in de komme, in de buurt van de Singel, stond de weegbrugge. Vlakbij de wurft van Peeman en het Soldatenplein, waar mogelijk vroeger de schutterij heeft geoefend.
Door het smalste slopje van Menheerse van de Waterweg naar de Spuistraat langs de haven en de kaai naar de ronduute op het hoekje bij Markestein, daar scheen het zonnetje en tochtte het niet. Op de muur van de Ronduit zaten een aantal publicatieborden bevestigd. Hierin hingen waarschijnlijk naast de gemeentelijke bekendmakingen ook prijslijsten van vis, berichten van de reders, vertrektijden van de beurtschippers, e.d. Op de hoek van het Vingerling keuvelende en pruimende kaaigasten en de ijzeren pisbak. Het Taene slop, slop van de Vissersdijk naar het Vingerling naast het vroegere pakhuis van reder Slis. Nadat het touwwerk op de 'liembaene' geslagen was, werd het getaand. Dat was een speciale bewerking aan de zeilen, touwen, netten en het want van een sloep. In een bak met bruinachtige verfstof van eikeschors werden de lijnen gedompeld en gekookt. Na zo'n behandeling waren de touwen en zeilen beter bestand tegen de regen en het zoute zeewater. In het slop een Plaetse met een mandenmakerij. De Meneerse boot voer 's morgens naar Rotterdam en kwam 's middags terug. Mooi Jantje, bijnaam voor de stoomboot 'de Onderneming' kwam om half twaalf te Middelharnis aan en daarmee kon men dan om half twee weer terug naar de Maasstad. Het glap was de toegang van het vingerling naast het stoombootsplein naar de visserstraat. De miskaoie lag bij de Wilhelminabrug, het vroegere Kogelbruggetje, de peekaoie lag aan de overkant van de haven naast de scheepswerf. Over de Wilhelminabrug kon je langs het jaegpad naar het hoad, het havenhoofd, maar ook langs de sashuusjes over de Sasdijk naar Sommelsdijk.
Op de Vissersdijk kijken we even omhoog naar het kiekhuusje, het uitkijktorentje op één van de pakhuizen van Kolff met twee kijkgaten in de voorkant, in de vorm van een hondehok, naar zee. In deze straat achter het Vingerling vinden we de koolaarve. In 1875 werden reeksen arbeiderswoningen de nieuwe huusjes met een tweede kamertje, de luzze gebouwd. In de Visserstraat lag de luzze achter de woonkamer. In de Waterweg en de Weistraten lag de luzze achter het voorhuus naast de woonkamer. De huizen in de Brandsteeg hadden een zelfde indeling, zij het dat de losse trap in het voorhuus stond. Zulke woningen betekenden een hele vooruitgang ten opzichte van de kelderwoningen in de Nieuwstraat of de huisjes op de Wurft (de Singel). Deze 12 woningen hadden samen de beschikking over twee trassen, waaruit de bewoners volgens vaste regels het water toebedeeld kregen. De (verplaatsbare) plee stond er op de zolder en heette styletje. In het straetje van Slis, de verlengde Visserstraat, waren de huisjes wat groter. Over het Nieuwepad langs de Brandsteeg komen we op het Nieuwdorp met twee binnenplaatsjes, de Doofpot en de Plaetse. En hier stond de hondenkar voor het ophalen van tweedehands spullen klaar voor een nieuw rondje door het durp.
rondzeggers
Onder de rondzeggers was veel concurentie. Er waren er drie, d'n gekken Huub, Kees Ouwdeine en Ras.
Leen van 't Sas
Hij heette werkelijk Leendert Koudijzer en woonde aan het Sommeldijkse Sas. Als klein kind heeft men hem laten vallen waardoor hij een stijve knie kreeg en later ongeschikt was voor volwaardig werk. Toen de oude Leunis stierf, werd hij diens opvolger en werd 'rondzegger'. De vissersboten konden niet meer zo gemakkelijk in de kaai komen en gingen dan vaak buiten het havenhoofd ten anker en verkochten daar hun vis. De nabestaanden waren zeer benieuwd of de opvarenden in welstand waren en hoe groot de vangst was. Leen, ging dus informeren naar de welstand en vangst van de vissers en ging dit rondzeggen bij de familie. Hij ontving dan voor zijn moeite een kleine beloning. En omdat er nog al wat vaartuigen voerden in de vorige eeuw gaf dit een aardige verdienste. Rondzegger was geen herenbaantje, want welk weer het ook was, overdag of 's-nachts Leen moest op zijn post zijn op het havenhoofd. Leen en zijn voorgangers hebben zo vele malen langs de bijna 2 km lange havendijk van en naar het dorp gelopen om de tijding in het 'straetje' te kunnen melden: "Die en die is binnen, aoles wel en zo en zo veul gevangen". Leen moest precies weten, wie er op elke sloep 'voer' en waar ieder der opvarenden woonde. Hij hield dan ook een register bij en hield aantekening van elke verandering. Soms had Leen het moeilijk, wanneer het gebeurde, dat er verschillende sloepen tegelijk binnen kwamen. Hij kon dan niet naar het dorp, vóórdat hij van hen allen de nodige gegevens had, en dan was een der sloepen bijna in de kaai. Hij liep dan zwetend langs de havendijk om het nog te 'halen' voor de vissers thuis waren. Als Leen dan het bericht van binnenkomst bracht, en man of zoon was al in huis, zeiden de vrouwen: "Kom evengoed mar an Leen", want ieder gunde hem zijn bescheiden verdienste. Hij kwam later zijn geld ophalen, dus moest hij er tweemaal voor lopen. Soms een dubbeltje en als het er niet 'anzat' (wat vaak gebeurde) een stuiver. Later toen de sloepen op het Nieuwediep en IJmuiden gingen varen, kreeg Leen het gemakkelijker, want dan stond hij gewoonlijk op de 'kaai' en wachtte daar tot de reders hem lieten roepen bij wie hij kon gaan rondzeggen, dat de sloepen binnen gekomen waren. Door het verminderen van het aantal sloepen werd zijn werkkring steeds minder, dus ook zijn verdienste.
Kees Ouwdeine
D'n gekken Huub ging in zijn functie van rondzegger huilen als hij dacht, dat een ander hem voor zou zijn met de nieuwsberichten. Dan werd hij door de schooljongens geplaagd. Huilend deed hij dan de klompen van de voeten, holde achter de plaaggeesten aan onder het roepen van: "niet zaage, niet zaage!" Kees Ouwdeine had meer autoriteit en was als rondzegger meer betrouwbaar. Hij had meestal de primeur. Hei je Kees Ouwdeine nog nie gezieë ? Daer loopt Kees Ouwdeine, wie zou d'r binne weeze? Hij kende de hele vissersvloot op een prik en de samenstelling van alle vissersgezinnen, met alle bijzonderheden van dien. Van huis tot huis klopte hij aan of gluurde over de horretjes naar binnen en verkondigde dan het goede of slechte nieuws. Kees kreeg het nieuws uit de eerste hand en verspreidde dit dan spoedig onder de wachtende en smachtende families. Al dat nieuws kreeg men thuisgebracht voor enkele centen, vrije gift. "Hein Langbroek is an 't hoât, zout verzoutte, oalles wel, tachtig tonnen kabeljaauw, in veertig ton lingen mit zes en twintig ton schellevis". "De andere sloepen bluuve nog een hortje weg, ze willen 't nog 's wat hoagerop probeere". Het gebeurde wel dat het hele straatje in rep en roer was, wanneer bijv. een schipper een hoge besomming gemaakt had. "Noe kan die pronkpaauwe nog meer vermooietooie as dat ze al doet".
Ras
Ras (Arjaan Groen) was reserve rondzegger. Hij beschouwde het meer als een bijbaantje, want hij was ook nog wachtsman en hengelaar. Hij deed de wacht bij de sloepen, met een dikke stok gewapend en hij was stok doof. Men vertelde dat hij doof was geworden, nadat hij een kind uit het water had gered. "Ras hoor es!" schreeuwden de jongens met de handen aan zijn oor als een trompet: "een sloepe bie Hellevoete". "Juule liege", zei Ras, maar toch holde hij naar de Havendijk en dan was er geen sloep aan de einder te bekennen.