De visserij in de Franse tijd

Napoleon droomde van een invasie van Engeland. Maar sinds de Slag bij Trafalgar in 1805 waren de Engelsen heer en meester van de zee. De Franse keizer moest zijn pogingen Engeland door een invasie op de knie‰n te krijgen opgeven. In 1798 en in 1809 vonden landingen plaats in Noord Holland en Walcheren. In beide gevallen moesten de Engelsen zich na enige tijd terugtrekken. In 1810 presteerden zij het met sloepen de diepten van het Haringvliet te peilen en in Goedereede de Engelse vlag op de toren te plaatsen. Ondertussen poogden de Fransen een invasie van Flakkee te voorkomen door legering van troepen in het fort Duquesne bij Ooltgensplaat. Ook op andere plaatsen bouwden zij zogenaamde reduits of redoutes, kleine verdedigingsschansen waarop hun troepen zich eventueel konden terugtrekken. Op de hoek van het Vingerling stond tot 1895 een redoute. Volgens de gevelankers zou het in 1622 gebouwd zijn. In 1781 werd de redoute en het Havenhoofd nog bemand met een burgerwacht. Tijdens de Franse bezetting deed de Ronduit dienst als kazerne en bood onderdak aan Franse soldaten.

1772: armoede onder de vissers
Tegenstrijdige berichten uit de gouden eeuw van Middelharnis. Enerzijds zijn er in deze tijd grote inkomsten, die de gemeente via de visafslag verkrijgt. Anderszijds is er door een opmerkelijke schaarsheid van de visvangst grote armoede in de huisgezinnen van de meeste vissers. Deze armoede is zo groot dat de armenfondsen ontoereikend zijn geworden. Baljuw, schout, leenmannen en schepenen van de gemeente zien dit als een rechtvaardig oordeel Gods vanwege de vele zonden en ongerechtigheden, die in de gemeente heersen, waardoor de toorn van God wel over deze gemeente moet ontsteken. Zij verzoeken de plaatselijke predikant ´s-woensdags-avonds tijdens de bidstond de gemeente ernstig te vermanen, opdat de armoede in deze plaats ophoudt en genoeg winsten worden verkregen en ingebracht tot onderhoud van de noodlijdende huisgezinnen. Tijdens deze dienst zullen alle handwerk, kopen en verkopen en omroepen van enige waren, met uitzondering van de afslag en de levering van aankomende verse vis, verboden zijn. Alle winkels zullen tijdens deze avonddienst gesloten worden op een boete van drie gulden......

1781: Bezoek van prins Willem V met zijn jacht.
'De burgers zijn ongemeen verheugt geweest'. In 1780 was de Vierde Engelse oorlog uitgebroken. Er vonden overvallen op Hollandse schepen plaats en er moest rekening worden gehouden met een mogelijke overval op de Hollandse kust. De noordkust van het Haringvliet was in staat van verdediging gebrachten Middelharnis ontving uit 's Lands Magazijn een grote zending wapens. Nu moesten de keurtroepen nog uit de grond gestampt worden. Schout en Schepenen riepen onmiddellijk een aantal personen op die dienst moesten doen als wachtposten aan de haven, bij het Hoofd en de Ronduit. Ze kregen als opdracht vooral uit te zien naar verdachte schepen en deze te beletten aan wal te komen. De Magistraat had intussen alle mannelijke inwoners tussen 18 en 60 jaar ingeschreven. Deze werden in twee compagnieën ingedeeld, die tesamen 450 'Rotgesellen', hoofdzakelijk vissers en zeevarenden omvatten. De mannen waren wel gelijk bewapend, maar niet uniform gekleed. Oud en jong, arm en rijk, stond in de gelederen in de meest uiteenlopende kleding. Zij stonden ook in de Voorstraat toen prins Willem V op zijn inspectiereis vanuit Goedereede in Middelharnis kwam. De prins werd op het raadhuis ontvangen en bracht de nacht door op zijn jacht dat in de haven lag. De volgende dag werd de reis via Ooltgensplaat naar Willemstad voortgezet. In 1782 was het ergste gevaar geweken en werd de krijgsmacht ontbonden.

1781:noodlijdenden vissers
Door oorlog met Engeland lag de gehele visserij stil. 300-400 inwoners hadden geen inkomen. Daarom hield men op alle Flakkeese dorpen een collecte voor de noodlijdende vissers, die een groot bedrag opleverde. Het volgende jaar konden de schepen gelukkig weer uitvaren.

de redoute
Aart de Neeff vereeuwigde dit gebouw in olieverf. Het kruispunt Vingerling/Vissersdijk/Spui werd de 'Ronduute' genoemd. Hier kwam na gedane arbeid op zaterdagavond het vissersvolk bij elkaar. Boeren, arbeiders en sjouwers hadden hun verzamelplaats aan de Kaai. Op de gevel waren enkele borden bevestigd waar men de plaatselijke berichtgeving kon volgen. In de laatste jaren van de vorige eeuw deed het gebouwtje dienst als soepkokerij van de Commissie van Spijsuitdeling. Hier konden de dorpsarmen hun dagelijkse kostje komen afhalen. Ook aan de plaatselijke brandspuit heeft de Ronduit plaats geboden. Voor een betere passage voor rijtuigen van en naar de Vissersdijk werd het pand in 1895 voor afbraak verkocht. De hoogste inschrijver was timmerman Teunis Schilperoort, die voor f.65,-- het gebouw mocht slopen. Voor het geval op of in het perceel oude muntstukken of andere oude merkwaardigheden werden gevonden, moesten die door de koper aan de gemeente zonder schadevergoeding worden afgestaan.

1795-1813: bezetting door de Fransen
Middelharnis kreeg al meteen opdracht aan zo'n 300 Franse soldaten voedsel en onderdak te bezorgen. Zij betaalden met zgn assignaten, papieren noodgeld, dat in groten getale in omloop kwam. Later zouden deze assignaten voor klinkende munt kunnen worden ingewisseld. Dit bleek in veel gevallen niet of slechts gedeeltelijk mogelijk. De heerlijke rechten vervielen. Schout en schepenen werden vervangen door maire en municipalen. Orangisten dienden uit bestuurlijke functies te worden geweerd. Er kwam een indeling in districten. De plaatsen op Goeree-Overflakkee behoorden samen met Willemstad, Dinteloord, Klundert en Oud-Beijerland tot het district van de zeegaten nummer 54. Ingezetenen moesten 6% van hun bezittingen gaan afdragen. Goud- en zilverwerk moest ook worden afgedragen om de bodemloze put van 's lands schatkist te vullen. Om de vissersschepen te vrijwaren tegen vordering voor de marine, plaatsten de reders van Middelharnis hun vloot in 1798 onder neutrale Deense vlag. Met de dreiging dat alle gezinnen binnen drie dagen de Republiek moesten verlaten, stelden de reders hun schuiten alsnog ter beschikking van 's lands zeemacht. De inkwartiering van de Franse soldaten betekende een zware belasting voor de bevolking. In 1798 en in 1809 vonden landingen plaats in Noord Holland en Walcheren. In beide gevallen moesten de Engelsen zich na enige tijd terugtrekken. In 1810 presteerden zij het met sloepen de diepten van het Haringvliet te peilen en in Goedereede de Engelse vlag op de toren te plaatsen.

Pruisische scheepspapieren
De Franse bezetting van 1795 tot 1813 en de oorlogen met Engeland brachten grote schade toe aan het bloeiende visserijbedrijf. Telde de vloot van Middelharnis in 1795 32 schepen in 1813 was dit aantal tot de helft verminderd. De Middelharnisse reders trachten aanhouding van hun schepen door de Engelsen te voorkomen door ze onder Pruisische vlag te laten varen. Hoe de reders dat klaar speelden onthulde de slimme Engelsman John Brown in zijn boekje "The mysteries of neutralization" uit 1806 : de schepen werden zogenaamd verkocht aan Pruisische onderdanen en voorzien van Pruisische scheepspapieren, die tegen betaling bij neutraliteitskantoren te Emden konden worden gekocht. Een gefingeerde briefwisseling moest dit alles extra aannemelijk maken. Brown noemt de namen van negen gaffelschuiten uit Middelharnis - o.a. van de rederijen Adrianus Kolff en Lambertus Kolff - en van drie gaffelaars van Zwartewaal.

1798: varen onder Deense vlag
De verschillende oorlogen waarin het Vaderland voortdurend was verwikkeld, maakten de zee onveilig en meer dan eens waren Middelharnisse vissersvaartuigen door de vijand genomen en prijsverklaard. De schepen werden naar Engeland gebracht en werden alleen tegen een hoge lospijs teruggegeven. In dat geval kregen de vissers een vrijbrief. Om herhaling te voorkomen gingen alle hier thuishorende vissersvaartuigen onder Deense vlag varen, waardoor de eigenaars en opvarenden als Deense burgers werden aangemerkt. De Hollandse vlag dekte de lading niet meer. En daar was reden voor. In 1798 stapte hier aan wal de Commissaris van de Marine der Bataafse Republiek D. Speeleveld. Zijn lastbrief luidde: 'om ten dienste van den lande te huuren en desnoods door pressing daar in te stellen, ses convenable vaartuygen, om als canonneerboten of uitleggers te dienen op de Zeeuwsche stroomen'. De municipaliteit ontbood de boekhouders C. de Baars, A.Q. Kolff, L. Kolff, P.L. v,d. Slik, Lt v.d. Tol, J. Vermeer, J. Viser en D. v.d. Vlugt, die te zamen 29 gaffelvisschuiten voerden. Zij verschenen, doch weigerden hun schepen voor het gemelde doel af te staan, omdat de vaartuigen, waarover zij de administratie voerden aan 'Deense' burgers behoorden. L. v.d. Tol vond zich verplicht namens 'Zijne Deensche Majesteit' tegen de gedane requisitie te protesteren. De Commissaris vertrok hevig verontwaardigd en de 'Deense' burgers van Middelharnis verheugden zich over het uitstekende resultaat van hun tegenstand. Doch de vreugde zou van korte duur zijn. Het uitvoerend Bewind besloot nogmaals de Municipaliteit aan te schrijven, met een bedreiging, dat bij weigering, hun huisgezinnen binnen 24 uur Middelharnis zouden verlaten en binnen 3 dagen het territoir van de Bataafse Republiek. Dit miste zijn uitwerking niet. De boekhouders verklaarden heel deemoedig hun gaffelschuiten te 'hollandizeeren' en ten dienst van de Marine van deze Republiek te verhuren. Het gevolg was evenwel dat het aantal gaffelschuiten in 1813 tot op de helft verminderd was.

het opbrengen van schepen
De Fransen verzamelden op bevel van Napoleon een grote vloot transportvaartuigen. Deze vloot moest dienen om een groot landingsleger, samengetrokken aan de Franse kanaalkust, over te brengen naar Engeland. Hollandse vissersplaatsen moesten een deel van hun vaartuigen beschikbaar stellen. Voor de kust kruisten Engelse oorlogsschepen, die elk Hollands vaartuig, geschikt voor troepenvervoer, trachten te bemachtigen en opbrachten naar Engeland. Onze vissers zaten dus tussen 2 vuren en konden hun bedrijf alleen met groot gevaar hun schuit te verliezen, uitoefenen. De vloot werd daardoor voortdurend kleiner, de vroegere welvaart maakt plaats voor grote armoede en werkeloosheid.

vissers veroveren Engelsen
Op een keer met een 'dikke lucht' kwam onverwacht een Engelsman in de nabijheid. Ontsnappen was niet meer mogelijk. Hij zette een boot uit en een officier met zes gewapende matrozen kwamen aan boord. De koers moest naar een Engelse haven worden gezet. De Engelsen, zelf zeelieden, hebben de Hollandse zeelieden altijd gewaardeerd en waren spoedig goede maatjes met onze vissers. Ze namen hun gemak en werden tenslotte zorgeloos, zodat zij onder het eten van het middagmaal de geweren onbewaakt aan dek lieten staan. De 'baes' en zijn volk maakten toen het volgende plan: Als de Engelsen de geweren weer aan het dek lieten staan, moest de jongen, die volgens oud gebruik onder het eten de wacht moest doen, deze over boord gooien en dan hard fluiten. Allen beneden zaten in spanning, behalve de niets vermoedende Engelsen. Daar klonk het gefluit, de baes trapte het 'zolaen', dat is de plank waar het eten (het zootje) op stond weg, greep de officier beet en het andere volk de matrozen. Een worsteling volgde in het kleine vooronder. Enkele Engelsen zijn nog aan het dek weten te komen, maar toen ze zagen dat hun wapens er niet meer waren, gaven zij zich over. Er werd koers gezet naar het Goereese Gat en de Engelsen werden in Middelharnis aan wal gebracht.

ontsnapt uit Engeland
Een andere schuit werd door de Engelsen opgebracht en op de Theems ten anker gelegd. Het volk werd aan wal gebracht, behalve één der matrozen, die met een Engelsman op het schip passen moest. 's-Nachts begon het hard te waaien uit het Westen. De matroos overmande de Engelsman, hakte de ankerkabel door en zette zoveel zeil op als hij kon en bracht in zijn eentje de schuit in de Middelharnisse haven.

met of zonder vrijbrief
Sommige schippers kochten van de Engelsen een vrijbrief, waardoor zij konden blijven vissen. De Fransen mochten dit volstrekt niet weten, want dit was heulen met de vijand. Daarom werd deze brief bij binnenkomst verborgen achter de wegering, dat is de binnenbeplanking van een vaartuig. Een heel onversaagde 'baes' op een schuit was 'Buurveld'. Hij stoorde zich weinig of niets aan wat door de Fransen geboden of verboden werd, maar ging naar zee als het hem goed dacht. Als de Fransen een vaartuig zonder lichten voorbij de haven van Hellevoetsluis zagen varen, zeiden ze tegen elkaar: "Daar gaat de stoute Buurveld".

1804: armoede onder de vissers
Zeer geliefde medebroeders! De hooge nood, waarin het grootste gedeelte der inwoners van deze plaatse, door de aanhoudende stremming der visschery, zich bevindt, en die van dag tot dag al grooter en grooter wordt, zonder dat wy in staat zyn daar in te voorzien, dringt ons, in naarvolging van andere visschers-plaatzen, ons tot Ulieden en andere Gemeenten, die met ons den zelfden Heer belyden, te vervoegen, en uwe kristelyke liefde in te roepen, om, was het mogelyk, langs dezen weg eenigen bystand te ontfangen.

1809: ongeregeldheden in het dorp
In 1809 landden 38000 engelsen op Walcheren. De fransen, die het ergste vreesden, moesten over schepen beschikken om te kunnen vluchten als het vuur te heet werd onder hun voeten. Spoedig verscheen een vordering van een dusdanig aantal schepen, waarmee ongeveer 400 militairen konden worden vervoerd. De vissers zagen het helemaal niet zitten en spraken over ontstuimig weer, het slechte tij en achtten een vertrek naar Stellendam onmogelijk. Tegenstrijdige orders volgden: de landmacht beval de vissers zeewaarts te zeilen en de zeemacht wilde hen landwaarts hebben. Men deed het meest logische: helemaal niet uitvaren. In verband met de onwilligheid van de vissers kwam de beruchte luitenant Schoorn met een detachement van 60 militairen een bezoekje aan Middelharnis brengen. Zij begaven zich rechtstreeks naar de woning van Lambertus Kolff. Na lang heen en weer gepraat besloten de meeste vissers hun medewerking te verlenen aan het overzetten van troepen, maar wie ging dat betalen? Luitenant Schoorn verwees de vissers naar het dorpsbestuur. Zij gingen dus naar Kolff, maar die zei dat zij dit op dezelfde wijze moesten regelen als bij een vertrek ter visserij. Ook wilde hij geen borg staan voor de bedragen ten behoeve van de aankoop van levensmiddelen. De vissers vertrokken verontwaardigd. Hij de welgestelde regent, wilde geen borg zijn. De vissers moesten van hun armoede de proviandering zeker voorschieten. De stemming werd steeds opgewondender. Toen de officier het raadhuis verliet, werd hij opgewacht door een joelende en dreigende menigte. Al spoedig raakte men slaags en de officier werd duchtig onder handen genomen. Toen hij genoeg had, keerde de menigte terug naar het raadhuis alwaar men eiste, dat de klok moest worden geluid. Het gemeentebestuur weigerde vanzelfsprekend, maar enkele lieden wisten in de toren te komen en begonnen de klok te luiden, maar de klepel viel uit de grootste klok, zodat dit weinig effekt had. De officier had met zijn soldaten inmiddels het hazepad gekozen. De stuurlieden Van Bree en L. Buurveld werden als vertegenwoordigers van de vissers op het raadhuis ontboden om de patstelling tussen de vissers en het dorpsbestuur te bespreken. De stuurlieden waren de mening toegedaan, dat het slechts om een luttel bedrag zou gaan, omdat men waarschijnlijk slechts twee of drie dagen de andere inkomsten zou moeten derven. Lambertus Kolff zei daarop, dat hij dit wel in overweging wilde nemen en de kwestie met de boekhouders (hij was er één van) zou bespreken, maar de stuurlieden wisten wel hoe dit zou gaan aflopen en zij noemden dit voorstel onaanvaardbaar. De schippers weigerden toen aan het vorderingsbesluit gevolg te geven.

Op 21 augustus kwam luitenant-kolonel Kraay het dorpsbestuur met een bezoek vereren. Hij deelde mede, dat het dorpsbestuur gerechtigd was om aan enkele schippers paspoorten uit te reiken ten dienst van hen, die dienst deden bij het vervoer van levensmiddelen voor de gemeente. De vissers hadden weer de nodige bezwaren tegen de order tot vertrek, en men verzocht toestemming voor vertrek naar het Spui in plaats van naar Willemstad; dit werd toegezegd. Maar eenmaal buiten zijnde, bleek dat de menigte het helemaal niet eens was met het toegezegde; het werd wederom rumoerig. Sommigen staken hun afkeer van die franse maatregelen niet onder stoelen of banken. Veel kritiek werd ook geuit op de houding van Kolff en toen deze zich vertoonde, werd hij door B.H. Visser lastig gevallen. De schout zag geen kans iets tegen hem te ondernemen, zelfs niet, nadat hij assistentie van de luitenant ter zee en twee gendarmes uit Sommelsdijk ontvangen had. Het bleef onrustig en de heren waren blij, dat zij tenslotte in staat waren een goed heenkomen te vinden. 's Avonds kwam men weer bijeen en Lambertus deed mededelingen van zijn ervaringen van die dag en de overwegingen, die hem ertoe gebracht hadden niets tegen Visser te ondernemen, bang voor een geweldig oproer onder het volk. De volgende dag was geen enkel vaartuig naar het Spui vertrokken. De heer Kraay was zeer ontstemd over deze daden van sabotage en begin reeds over represaillemaatregelen te spreken, maar zover kwam het niet. De luitenant-kolonel wist de vissers te overtuigen van hun vertrek en zij zeilden uit naar het Spui.

een boekje open over Lambertus Kolff
Inmiddels waren de verhalen over de gebeurtenissen te Middelharnis tot in de hoogste kringen doorgedrongen. Koning Lodewijk Napoleon was zeer ontstemd hierover en gaf de wens te kennen om een uitvoerig verslag te ontvangen. De aangewezen persoon hiervoor was de jonge Besier, die zojuist tot kwartierdrost voor Goeree-Overflakkee was benoemd. Besier werd hartelijk ontvangen door schout en schepenen, die zich vanzelfsprekend geheel vrijpleitten. Hij ging echter ook te rade bij de vissers, die spraken over een onredelijke luitenant Schoorn en de schout Kolff. In zijn verslag besloot Besier eens een boekje open te doen over de persoon Lambertus Kolff: '... dat integendeel trotsheid, heerschzucht, te verregaande strengheid en verwaarlozing van het belang der gemeente uit hebzucht, de gemoederen der ingezetenen zullen verwijderen en misvormen, dat eindelijk tot openbare minachting zo voor den persoon als 't gezag der overheid zal overslaan... De hoofdtrekken van des schouts caracter zijn trotsheid, heerschzucht en eigenbaat. Zijne trotsheid doet hij alle ingezetenen op de ondragelojkste wijze voelen... Zijne heerschzucht klinkt in alle zijn handelingen door, zijn stelregel schijnt te zijn, die niet voor mij is, is natuurlijk tegen mij. Ook het gemeentebestuur wordt op de korrel genomen: De president is geheel afhankelijk van de schout omdat zijn dochter getrouwd is met de bode, die zich dikwijls aan dronkenschap schuldig maakt, maar door de schout wordt aangehouden om daardoor de schoonvader in zijn macht te hebben. Een ander lid is bakker en even afhankelijk van de schout omdat hij schuldenaar is aan diens broer als directeur van de armenkas. De derde is metselaar en heeft de leveranties en het werk voor de dorpsreparaties, terwijl de schout thesaurier is. Met de beide overige leden is het niet veel anders gesteld. Kortom welk vertrouwen kunnen deze 'Jabroers' inboezemen? Tot staving van zijn betoog noemde hij verschillende voorbeelden, zoals de grote winsten uit het viskantoor en de grote winsten, welke de schout maakte bij het invorderen van de huishuren van de uitkeringsbedragen, die uitbetaald waren aan hen, die tengevolge van de watersnood in 1806 schade geleden hadden. Hij meende zich dan ook niet te kunnen houden aan de lastgeving om eventuele opruiers te arresteren.

Toen de Fransen eindelijk vertrokken waren, lieten zij Middelharnis in een zeer verarmde toestand achter. Meer dan de helft van de vloot was verloren gegaan.

«« Middelharnis