de tijd van de gaffelschepen

goede visgronden
Middelharnis heeft eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen onder de nederlandse zeevissersplaatsen. Dit is voor een groot deel te danken aan zijn zeer gunstige ligging voor de aanvoer van verse vis. Het zuidelijk deel van de Noordzee was vroeger heel visrijk en zeer goede visgronden strekten zich uit langs de Hollandse kust. De krachtige naar zee stromende eb en de naar binnen trekkende vloedstroom begunstigde het uit- en invaren van de vissersvaartuigen. De vloed bracht het zoute water tot ver voorbij de haven, waardoor een deel van de vangst levend in uitstekende kwaliteit kon worden aangevoerd. Het levend aanvoeren van de vangst was mogelijk, doordat de vissersvaartuigen voorzien waren van een bun.

riviervisserij
De zeevisserij heeft zich langzamerhand ontwikkeld uit de riviervisserij. Er werd dicht in de nabijheid van het Goereese zeegat gevist. Men ging met de 'eb' naar buiten, 'schoot' de beug, en kwam dan als deze was ingehaald, met de 'vloed' weer naar binnen. Men was dan, als de omstandigheden het toelieten,'s-avonds weer in de 'kaai'. Het gebeurde wel dat de schelvis de rivier opzwom en daar is gevangen, zo dicht zat toen de vis tegen de wal. Langzamerhand ging men verder in zee vissen en werden de schuiten groter gebouwd.

ventjagers
De ventjagers zoals vroeger de vishandelaars genoemd werden, brachten met hun bunschepen de levende vis zo ver mogelijk landinwaarts. Er voeren ook zeewaardige ventjagersschuiten op Engeland. Er was in Sommelsdijk bijv. een gaffelschuit gebouwd, die met gekochte vis uit Middelharnis, op Engeland voer.

tarbotteelt
's-Zomers had de 'rondvis', zoals schelvis, kabeljauw, leng, enz. weinig waarde. Men ging dan beugen op z.g. platvis, hoofdzakelijk tarbot, die vele jaren lang, in grote hoeveelheid was te vangen, vooral voor Texel, Vlieland en Terschelling. Men viste daarop van April tot September. Deze 'tarbotteelt' was zo lonend dat de vloot van Middelharnis zich gestadig uitbreidde en toenam tot 32 vaartuigen. De grootste welvaart heeft van 1750 tot de Franse tijd geduurd. De vloot viste dicht in elkaars nabijheid. Op beurt nam één schip de vangst van andere schepen over, en bracht deze levend te Londen aan de markt. De anderen bleven dan doorvissen. De tarbot werd in z.g. 'viskaren' in het bun levend gehouden. Deze 'karen' werden onder het bundek gestoken. Soms bracht een grote tarbot een pond (f.12,-) op. Ook kocht men wel tarbot van de kustvissers, wier vaartuigen te klein waren om naar Engeland te varen. Er was veel ondernemingsgeest bij onze voorvaderen.

aardappelschuiten
In September ging men weer 'beugen' op schelvis,enz. Er voeren toen van Middelharnis z.g. aardappelschuiten. Deze vaartuigen brachten aardappels en uien naar Engeland en Schotland en visten 's zomers op z.g. bliek op het Haringvliet. Deze bliek werd ingezouten en door de zeevissers als aas gebruikt bij de schelvisvangst.

schuitentijd
In de schuitentijd brachten de vissers bij vriezend weer hun vaartuigen in de kaai, om daar te overwinteren. De reden daarvan was dat de ventjagers niet konden varen door het drijfijs op het binnenwater. Er was dan geen handel mogelijk. De vissers van Middelharnis werden bekwame zeelieden en uitnemende beugvissers. Vooral kennis van de richting van de zeestromen is voor een beugvisser van groot belang. Zij stonden wegens hun kennis van de zee, bij de inwoners van andere vissersplaatsen in hoog aanzien.

roeiboten, hoekboten en hulken
Al voor de bedijking van de polder het Oudeland van Middelharnis was er in deze contreien sprake van een beperkte vorm van visserij. In 1409 werden namelijk vissers bedacht met de uitgifte van 'botgront van Middelhernesse'. Deze visserij werd uitgeoefend met roeiboten, waarbij een speciaal scholnet werd gebruikt. Van deze vorm van visserij is echter niet veel bekend. Men maakte in die dagen tevens gebruik van de hoekboot. Hiermee werd een lange verzwaarde lijn uitgezet, die van geaasde hoeken (=haken) was voorzien. Voor de vrachtvaart gebruikte men in onze streken voornamelijk hulken.

haringbuizen
Later kwamen de zogenaamde haringbuizen in de vaart. Deze schepen moesten groter zijn om behalve aan drijfnetten ook plaats te kunnen bieden aan het zout en de talrijke tonnen, waarin de vissen werden opgeslagen. De haringbuizen waren driemasters met gekromde boven het boord uitstekende voorsteven. Zij droegen razeilen, waarbij aan de middenmast in het algemeen nog een topzeil was toegevoegd. Niet duidelijk is of de buis van oorsprong een vissersschip dan wel een vrachtvaarder is geweest. Dit type schip zou heel lange tijd het toonaangevende schip voor de Hollandse haringvisserij blijven.

gaffelschepen
In de 16e eeuw maakte de haringbuizen plaats voor gaffelschepen. Deze vaartuigen, die tot in het eerste kwart van de 19e eeuw het beeld van de Middelharnisse haven beheersten werden meer en meer ingezet voor de verse-vis-visserij. De naam gaffelschip was ontleend aan de grote gaffel, die bij het bergen van de zeilen niet gestreken werd en waartegen het grootzeil opgereid werd. Het waren korte, brede, sterk gebouwde, platboomde schepen, die voorzien waren van zwaarden. De Stads- en Dorpsbeschrijver van Zuid-Holland schreef in 1796 het volgende over het gebruik van de Middelharnisse gaffelschuiten: 'Deeze bovengenoemde Gaffel Schepen vaaren des Zomers alle op de Tarboths vangst, welke Visch in Vredens tyde meest alle naar Engeland werd gebragt: het geen even eens met de Garnaale, en andere kleine Visch, als ook de hier geteeld werdende Aardappelen plaats heeft, de Aardappele Schippers leggen zich veel al des Zomers op de Spiering vangst toe, welke Visch ingezouten zijnde weder tot aas om Tarboth mede te vangen op de Gaffel Schepen gebruikt werd'. Bij de tarbotvangst viste de vloot dicht in elkaars nabijheid. Om de beurt nam een schip de vangst van de andere schepen over en bracht deze levend te Londen aan de markt. De anderen bleven dan doorvissen. Soms maakte men tot één pond (= f.12,--) voor een grote tarbot.

De kleine vletjes en bootjes uit 1600 waren schepen geworden van 12 meter lengte en 3,5 meter breed: in 1751 zelfs 51 gaffelschepen. Ze zijn voorzien van zijzwaarden en behoeven niet uit Middelharnis met het ebtij weg te zeilen om met vloed elke dag terug te keren. Ze varen tot in het Goereese gat, tot in zee voor de kust. Men kan enige dagen aan boord verblijven. Op het raadhuis staat een windvaan die het model is van zo'n schip. Het heeft een hoogoplopende botterkop. Het achterschip is vrij hoog opgetrokken, in tegenstelling tot latere botterschepen, die een laag achterschip hadden om de vis binnen boord te brengen. De mast is bijna in het midden van het schip geplaatst. Om de zeileigenschappen te verhogen moest men 2 fokken voeren, een stagfok en een kluiffok. Het schip voer een grote boegspriet om de kluiffok te kunnen voeren. Het grootzeil was vastgemaakt aan de gaffel, een zeilboom ontbreekt; bij het vissen werd het grootzeil vast opgebonden aan mast en gaffel. Een mooi voorbeeld van dit vaartuig was te zien op het torentje van het gemeentehuis te Middelharnis. Het waren korte, brede, sterkgebouwde platboomde vaartuigen, voorzien van zwaarden en met weinig diepgang. Ze hadden een hoog voorschip, omdat het anker veel werd gebruikt. In 1708 waren er in Middelharnis 21 stuks, in 1751 51, na de franse revolutie in 1795 nog 32, in 1813 nog 16 stuks en in 1829 wordt de laatste gaffelschuit gesloopt.

1577: schelvis in grote menigte
In de maand november, als men Allerheiligen pleegt te vieren komen uit de diepte van de zee de schellevissen op de kust van Holland en Zeeland in grote menigte. En ook de kabeljauwen, dat is eten voor de rijke luiden. De schelvissen is eten voor de gewone man. De vangst duurt tot februari en er wordt verteld, dat een visser met zijn maat in een klein bootje 3200 grote schelvissen had gevangen. De schelvis werd met hoeken en met netten gevangen en vooral na een storm trokken de vissers er op uit. Ze hadden vaak 1000 schelvissen in hun net. Er wordt een overzicht gegeven van de overvloedige vangsten op bot en schol en kabeljauw, die gedroogd en gezouten vervoerd werden naat Keulen, Straatsburg en dat kooplieden van andere duitse steden naar de kust kwamen om gedroogde vis op te kopen. Verder wordt verteld over de toestand omstreeks 1600: in juni na Pinksteren, trekken de meeste vissers uit Holland en Zeeland naar de Noordzee onder Schotland om haring te vangen. Want dan zendt God de meischelvis en de bolk naar de diepte van de zee of een andere plaats. De schepen waren pinken van 6,7,8 en 9 lasten. Naast de kleine pinken had men de haringbuizen, die 30 tot 36 last haring konden bergen. Een last was in die dagen 12 gepakte tonnen vis. De overheid had in 1531 bepaald dat de schepen die naar zee gingen minstens zestien roedevoeten kijels moesten hebben. Kijels mag niet vertaald worden met kiel, maar mogelijk met kielbalk. De schepen werden toen al op het strand opgetrokken, zodat geen kiel gebruikt kon worden.

haring-kaken
De Vlaardingers hadden het haringkaken van de vissers van Goeree geleerd en zij deden het zo goed dat zij het alleenrecht kregen van de overheid om de gevangen haring te kaken. Het was streng verboden voor andere vissers uit Pernis, Hoogvliet of waar deze ook vandaan voeren, om te kaken. Als zij haring vingen, dan moesten zij deze in het ruim gooien, de vis ongekaakt licht zouten, dan binnen brengen bij de bokking-drogerijen, die in grote getale in de vissersplaatsen vookwamen. Men noemde die haring de steurharing. De visserij werd de steurvisserij genoemd. De rederijen van Vlaardingen, Maassluis en Rotterdam hebben in de 16e eeuw zeer geprofiteerd van het alleen-recht van haring-kaken, terwijl andere vissersplaatsen leefden in grote armoede. Zelfs in 1651 werd deze grove onbillijkheid nog eens bekrachtig door de Staten van Holland. De motivering was dat de Vlaardingse reders de beste haring haalden bij de Schotse kust en dat andere kustvaarders haring van veel mindere kwaliteit meebrachten.

ventjagers
Middelharnis had een haven met meer mogelijkheden. Er komen meer vissers. Uit Brabant komen opkopers van vis, er ontstaat handel. De opkopers komen ook per schip, ze worden ventjagers genoemd. Het is billijk dat niet alleen de burgers, maar ook de vissers en de opkopers van vis mee helpen de havenkosten te dragen. De ventjagers brachten met hun bunschepen de levende vis zo ver mogelijk landinwaarts. Er voeren ook zeewaardige ventjagersschuiten op Engeland. Er was in Sommelsdijk bijv. een gaffelschuit gebouwd, die met gekochte vis uit Middelharnis, op Engeland voer.

1598: de oprichting van een visafslag
In 1597 worden de stuurlieden van de schepen op het gemeentehuis ontboden voor een bespreking om 'alhier in treijn te brengen een offslach van vissche'. Het plan gaat niet door, want de schippers voelen er niets voor. In 1598 laten de vissers zich wel overtuigen van de noodzaak van een visafslag en ondertekenen een contract dat heel belangrijk voor de gemeente zou gaan worden. Van de vissers waren slechts enkelen in staat hun naam te zetten. Zij, die de schrijfkunst niet verstonden, tekenden op het stuk ankers, kruizen, vishaken en soortgelijke fantastische figuren, waarbij vermeld werd: dit is het werk van ...... enz. Onder de namen van de stuurlieden zijn er nog twee, die in Middelharnis voorkomen, Jacob Jansz. Lambrouck en Jan Geertsz. Coninck. De overheid was zo content, dat de vissers hun medewerking gaven tot de oprichting van de afslag, dat zij hen een feestmaal aanboden ten huize van Corstiaan Heyndrix Speelman. De vissers hebben toen niet beseft dat dit kontakt later zo belangrijk zou worden voor Middelharnis. Ze waren verplicht hun vis te brengen op de visafslag van Middelharnis, die er zijn dertigste penning van opstreek. De visser kreeg daarvoor altijd zijn geld. De gemeente verpachtte de afslag aan de meest biedende voor diens risico. Ten overstaan van de pachter werd de vis verkocht aan de ventjager. De pachter betaalde de visser direct de opbrengst uit, verminderd met 3% onkosten. De ventjager ging daarna naar het viskantoor en betaalde de gekochte vis. Als de ventjager probeerde om zonder te bepalen weg te komen verloor hij alle crediet en kon geen vis meer kopen in Middel- harnis. De visafslag was de garantie voor de visser dat hij zijn vis betaald kreeg. Risico was voor de pachter. Hij betaalde de gemeente de pachtsom uit, moest dan afwachten, of hij een goed jaar zou hebben. In 1600 was de pachtsom f.30,--. In 1650 was het opgelopen tot f.505,--, in 1700 werd het al f. 2230,--, in 1750 f.5060,-- en in 1790 de geweldige som van f. 11.730,--. In 1670 en 1671 kon uit de opbrengst van de gelden van de visafslag een nieuwe pastorie worden gebouwd voor de predikant. Het was juister geweest om het geld te besteden aan havenverbetering, want de ondiepten die daar ontstonden waren jaar in, jaar uit een gevaar voor de visserij.
Ook in Sommelsdijk richtten enige vissers in 1618 een visafslag op, maar door tegenwerking van Middelharnis verdween deze na een kwijnend bestaan in 1644. Ook een in 1740 te Hellevoetsluis opgerichte visafslag moest in die van Middelharnis zijn meerdere erkennen.

zeerovers
Het vissersbedrijf had ook zijn schaduwzijden. Tussen 1620 en 1650 werd er dikwijls losgeld uitgereikt om vissers uit te kopen die door Duinkerkse kapers werden gevangen gehouden. "Onze vissers waren n.l. van dezelfde soort als de Duinkerkers, ze beschouwden het zeeroversbedrijf als een nuttig en gepast vermaak, dat in alle opzichten geoorloofd was". In 1703 overmeesterden de Middelharnisse vissers zelfs 'een oostender kaper'. Het buitgemaakte schip werd in triomf alhier binnengebracht en de bemanning gevankelijk naar Rotterdam gevoerd. Uit een lijst van uitgaven voor de visserij uit de jaren 1626-1637 wordt duidelijk dat de admiraliteit in Rotterdam verzocht is om convooi voor de vissers op zee om hen te beschermen tegen de zeerovers. Ook moeten verschillende vissers uit handen van de zeerovers worden vrijgekocht.

visbank
In 1657 besloot het dorpsbestuur aan het eind van de Voorstraat op de Kaai een visbank op te richten voor de plaatselijke vishandel. Onder de visbank kochten inwoners van het dorp hun maaltje vis bij de zgn. visroeper(s). Dit waren plaatselijke kleine ondernemers, die door middel van het aan de man brengen van vis hun dagelijks brood poogden te verdienen. Het bouwwerkje werd gedragen door zes gedraaide houten pilaren en het dak was gedekt met verglaasde pannen. De kosten bedroegen ongeveer f. 200,-- en werden betaald uit de opbrengst van de visafslag.

visafslag
Het nieuwe Raadhuis had het dorp meer dan 9000 gulden gekost en dat was voor die tijd aanzienlijk. Gelukkig groeide het dorp snel. In 1632 was het aantal huizen al gestegen tot 132, het dorp zou in de 17e en 18e eeuw een welvarende vissersplaats worden. Dit had alles te maken met een besluit dat in 1598 genomen was, nl. de oprichting van een vismarkt. De vissers werden daarbij verplicht hun vis te verkopen op de visafslag van Middelharnis, die er zijn dertigste penning van opstreek. Wanneer de vangst op stroom verkocht was aan zgn. ventjagers (kleine schepen, die de vis van de sloepen kwamen halen en die naar Brabant brachten), moest dit bedrag ook aan de afslager worden betaald. De visafslag was de garantie voor de visser dat hij zijn vis betaald kreeg. Risico was voor de pachter. Hij betaalde de gemeente de pachtsom uit, moest dan afwachten, of hij een goed jaar zou hebben. Dat de visafslag voor de gemeente heel lucratief was blijkt uit de steeds hogere pachtsommen. In 1600 was de pachtsom f. 30,--, in 1650 was dit bedrag al opgelopen tot f. 505,--.

monopolie-positie
Middelharnis heeft het monopolie gekregen dat alle vissersvaartuigen, die door het Goereese Gat voerden, hun vangst in Middelharnis moesten markten op de gemeenschappelijke visafslag. Sommelsdijkse vissers trokken zich van die bepaling niets aan, omdat Sommelsdijk Zeeuws was, zij stelden zich op het standpunt dat de bepaling alleen gold voor schepen uit Pernis, Zwartewaal, enz., voor de vissers uit Holland. Ook in Sommelsdijk richtten enige vissers in 1618 een visafslag op, maar door tegenwerking van Middelharnis verdween deze na een kwijnend bestaan in 1644. De vissers uit andere plaatsen protesteerden hevig tegen dit alleenrecht. Maar de Halsheren bepaalden in 1678 nadrukkelijk dat alle vissers op het Haringvliet zich aan deze regels te houden hadden. In 1733 werd dit nog eens bevestigd. Toen dreigde een spaak te komen in die rechten. In Hellevoetsluis, waarheen verschillende vissers verhuisd waren, werd een nieuwe visafslag opgericht. Vanzelfsprekend wilden de vreemde vissers daar hun vis af laten slaan. Middelharnis heeft toen die afslag gepacht voor de som van f. 140,-- per jaar. En daarmee bleven alle vissers de penningen schuldig aan de visafslag van Middelharnis. Ze moesten blijven betalen. Tot 1806 heeft Middelharnis de visafslag van Hellevoetsluis gepacht.

groot en zeer aanzienlijk
Hiernaast een tekening van Middelharnis van Anna C. Brouwer uit het einde van de achttiende eeuw, die zij maakte voor de Stad- en Dorpsbeschrijver van plaatsen in Zuid Holland. Ook de toren van Sommelsdijk staat er bij (het perspectief van de beide torens is niet juist), waarschijnlijk omdat ze geen apart plaatje van Sommelsdijk, dat bij Zeeland hoorde, maakte. De haven ligt vol zeilschepen. 'Dit Dorp is groot en zeer aanzienlijk, daar het door handel welig tiert'. De plaats is heel fraai en aangenaam, een van de mooiste uit Zuid-Holland, er is niet alleen een brede Voorstraat, met twee rijen bomen beplant en waar in het midden een stenen pomp staat, maar ook nog andere straten. Er zijn diverse reisgelegenheden: zondags en donderdags vaart van hier met het opkomen van het getij, een pavillioenschuit op Rotterdam, die elke dinsdags en vrijdags, s´-morgens om negen en tien uur weer daar vandaan teruggaat, alle dinsdagen in de morgen vaart van hier een pavillioenschuit op Dordrecht, die 's-vrijdags daar weer terug gaat. Ook is er beurtveurt voor extra vracht en passagiers naar Rotterdam, en een heel gemakkelijk veer, waarover de passagiers dag en nacht beschikken. Diverse herbergen en logementen: Het Wapen van Holland of het Heeren Logement, Het Schippers Welvaaren, Koopmans Welvaaren, De Visscherije, Sint Michael, Zee- en Landmans Welvaaren.
Ook de Staten van Holland en West Friesland geven bij hun advies voor een havenverlenging in 1757 het volgende getuigenis: "Middelharnis is een Plaats, die desselfs opkomst, acrres en voorspoed is verschuldigt aan de visvangst, en vooral van versche Visch, waarmeede importante Commercie, soo op het Rijk van Engeland, als op Braband werd gedreeven, en deese plaats is daardoor onder Gods zeegen soo talrijk van Inwoonders en tot soo een florissante staat tot hiertoe gebragt, als mogelijk geen een eenige Plaats in gantsch Nederland werd gevonden".

1765 feest in Middelharnis
Viering van het 300 jarig feest. Feestrede van de plaatselijk predikant Hannot. De mensen waren van heinde en ver gekomen om de feestelijkheden mee te maken. Vele huizen verlicht, van alle schuiten en schepen wapperden de vlaggen. Boven de hoofdentree van het raadhuis werd een fraai houtsnijwerk in het raam onthuld, voorstellende de beschermheilige van Middelharnis. Boven de deur van de grutterij zag men de afbeelding van een grutmolen, aangedreven door een rondlopend paard, en de ramen werden door kaarsen verlicht. Ook het huis van de wijnkoper was schitterend geïllumineerd. Van het raadhuis tot aan de visbank op de Kaai was een touw gespannen, waarlangs vuurwerk liep. Voor het raadhuis en andere belangrijke gebouwen werd vuurwerk afgestoken en in de haven hadden alle schepen de vlag hoog in top. In het voorhuis van Jan Schenk zag men een sierlijk gemaakte kroon. Honderden, zoniet duizenden mensen waren op de been, waarvan ook velen van buiten het eiland.

1750-1790 de gouden tijd
Middelharnis heeft enorm geprofiteerd van zijn monopolie. De gemeente verpachte de visafslag aan de meest biedende. Zo kreeg de gemeente in 1790 toen de geweldige som van f. 11.730,-- als pachtsom. De omzet kan hieruit geschat worden op f. 575.000,--. Middelharnis had toen 3000 inwoners. De visafslag is een geweldig bedrijf geweest. 'De visserij verschaft hier aan de bewoners een ongelooflijke drukte, dit zal men kunnen zien wanneer men nagaat, dat ieder jaar van hier 30 gaffelschepen afvaren, hetgeen een aanmerkelijke som opbrengt, gelijk blijkt uit de lijsten van het Vischkantoor, zijnde op hetzelce van den 1e Nov. 1796 tot den 16e April 1797, 36000 levendige Cabeljaauwen en 445660 levendige Schellevissen, door de visschers gevangen, behalve degene die door vreemde zijn aangebracht, zijnde dit een getal van 20076 Cabbeljaauwen en 172665 Scellevisschen, dus in 167 dagen 56076 Cabbeljaauwen en 618325 Schellevisschen. De Cabbeljaauwen werden verkocht voor 10 stuivers het stuk en de Schellevisschen voor 1 stuiver'.

tijdelijke welvaart
Aan het eind van de 18de eeuw trad er voor het gehele gewest een periode van economische stagnatie op. Welvarende Zeeuwse steden in de buurt, zoals Zierikzee en Brouwershaven, waren dode steden geworden. De haven van Middelharnis dreigde steeds weer te verzanden en de visserij op zee was een wisselvallige- en hachelijke onderneming. Bovendien was de oorlog met Frankrijk en Engeland voor de vissers op zee een ware ramp.

«« Middelharnis