1460: eerst een dijk en dan de kaai
In 1460 is rondom de middelhernesse een dijk gelegd. Het eerste jaar ging het niet zo goed want de zomer was slecht en de nieuwe polder vloeide weer in. Maar een jaar later lukte het wel. Om het water weg te laten vloeien werd geen watermolen op de dijk gezet, maar werd de keersluis opengezet als het water buitengaats laag was, en kon het overtollige binnenwater wegvloeien. Het gevolg was, dat voor de sluis een geul ontstond in de gorzen voor de dijk. Zo'n sluis is een zwak punt in de dijk bij storm. Bij noordwesterstorm liep het water hoog op in de haven, en als de gorzen voor de dijk overspoeld waren, dan kwamen er enorme waterkrachten beuken op de dijk en sluis. Waarschijnlijk heeft men toen de Kaai gegraven, en uit de gronden van de Kaai een dijk gelegd ten noorden van de sluis. Die dijk heette in middel-nederlands vingerling. Als een stuk grond uitgemoerd was, werd soms de bodem nog verder uitgediept, waardoor een haventje ontstond. De ringkade er om heen noemde men het vingerling. In de waterbouwkunde is een vingerling een tijdelijk gelegde dam om daarachter een sluis aan te leggen. Het Vingerling was dus een beschermingsdijk voor kaai en dijk. De haven was niet lang, maar er was voldoende diepgang voor de toenmalige boten. In de winter kwamen schepen overwinteren omdat zout water veel minder spoedig bevriest dan zoet water. De kaaimuren waren waarschijnlijk van hout, omdat stenen veel te duur zijn geweest. Het uitdiepen van de kaai is gebeurd volgens de oude methode met schop en burrie. Als de eb op zijn laagst kwam, kon men graven, kwam het water opzetten, dan moest het werk gestopt worden.
1598: hoge onkosten
De haven had een tweeledig doel, n.l. uitwateringsgebied voor polder en ligplaats voor schepen. Dijkgraaf en Gezworens hadden geen moeilijkheden met het ondieper worden van de haven, maar Baljuw en Schepenen wel. Zij kregen te maken met de hoge onkosten hiervan, waarbij zij misschien konden rekenen op fincanciële steun van de belanghebbenden, de vissers. Zo kwam de visafslag tot stand. Aanvankelijk hadden de vissers weinig animo voor een verplichte visafslag, maar toen de haven steeds meer verzandde gingen zij overstag. In 1598 ondertekenden zestien van hen de oorkonde, waarin stond, dat vissers, die vielen onder de Heerlijkheid hun vis moesten verkopen op de visafslag van Middelharnis.
1600: weinig onderhoud
Spoedig kreeg men de indruk dat de afslag niet zo winstgevend was en de gemeente probeerde er van af te komen. Zij stelde het polderbestuur voor om het gehele onderhoud over te nemen, waarbij deze de inkomsten van de afslag zou ontvangen, maar de heren trapten daar niet in, want bij de tweede verpachting kreeg de afslager slechts f.30,-- toegewezen. Met dit geld kon weinig worden gedaan en de visafslag werd op non-actief gezet.
1610: verhoogde heffingen
In 1609 was de houten uitwateringsluis van de polder het Oudeland in de hoek van de Kaai bij de Spuistraat vernieuwd. Gedurende jaren was er aan de haven weinig of niets gedaan. Deze is vol 'slycken, krompten ende ondiepten'. De vissers zijn gedwongen gebruik te maken van kleine schepen, wat bij slecht weer en vooral 's winters onverantwoord is. Men zal tot herstelwerkzaamheden moeten overgaan, maar deze zijn zeer kostbaar. De desbetreffende kosten worden geraamd op 400 Vlaamse ponden. Dit bedrag hoopt de gemeente te kunnen vinden uit verhoogde heffingen. Vermoedelijk was de gemeente eigenaar van de gronden buiten de buitendijk, van de rijk Vingerling, en dan verkoopt zij een stuk grond aan 'eenen Lambrecht thonisz., schiptimmerman gecedeelt in ijgendom een erff opt oost-ijnde vant Vingerlinck dae zijn timmerschuyr ende woonhuijs op staet, mits dat tselve tot coste vant dorp van Middelharnisse zouden worden verhoocht, ende dat voor de somme van twee hondert Car. De landbouw zal mede kosten van onderhoud moeten bijdragen. Er wordt bepaald dat elke honderd ponden meekrap, in de meekrapstoof belast zal worden met 4 stuivers.
1611: polderbestuur en gemeente
Polderbestuur en gemeente komen tot overeenstemming. Het onderhoud van de haven en de havendam zou gedurende 6 jaar uitgevoerd en bekostigd worden door de gemeente, het polderbestuur zou gedurende die termijn een jaarlijkse bijdrage van 300 gulden geven. Na 1617 zouden onderhoud
van havenhoofd, havendammen en havenwerken buiten de eigenlijke haven tenlaste van het polderbestuur komen. Zonder uitstel werd nu aan de verbetering van de toegangsweg tot Middelharnis gewerkt. De havenkade werd met 114 Putse roeden (1 roed = 4,05972 meter) verlengd, terwijl de haven werd verbreed en uitgediept. Het gaat nu weer een aantal jaren goed, wat blijkt uit de hogere pachtsommen voor de visafslag, in 1640 bedroeg deze f.450,-- en in 1647 was deze opgelopen tot f.505,--
1631: nieuwe sluis
Aanvankelijk was de haven, vóór de bedijking van de Oost en Westplaat, erg kort. In de kaai lagen de schepen veilig tegen de noordwesterstormen achter het Vingerling, oorspronkelijk een beschermend dijkje. Om de ebstroom slib te laten afvoeren, opende men de in de zuidwesthoek van de kaai aanwezige poldersluis, zodat tevens overtollig polderwater werd verwijderd. Bovendien was er aan de westzijde van de kaai een spui of houwer. Met een sluis had deze verbinding met de kaai. Bij opkomend water liet men de spui volstromen, waarna de sluisdeur dicht ging. Was het water bij eb sterk gedaald, dan opende de sluiswachter de sluisdeur, waardoor de stroomsnelheid in de haven toenam zodat klei werd meegevoerd en de vaargeul dieper werd. In 1631 werd een tweede spuisluis aan de oostzijde van de kaai gegraven.
1634: spui
Het op diepte houden van de haven werd in 1634 beter toen ter plaatse van het huidige Spuiplein een spui werd gegraven, waarin het overtollige polderwater kon worden geborgen om bij eb als een waterval in de haven te worden gespuid. Dit snelstromende water moest de vaargeul in de haven uitschuren. Dit spui werd door de bewoners tevens gebruikt voor de wasserij.
1655: stenen dam
Onder invloed van de noordwestenwind had het water kans gekregen de havenkanten af te brokkelen, waardoor zelfs de spuisluis gevaar liep. In 1655 werd overgegaan tot het aanbrengen van een rijsdam aan beide zijden van de haven en de havenkom. Erger was, dat steeds meer slib de haven binnen kwam. In dat jaar werd besloten vanuit de uithoek van het Vingerling in de richting van de hoek van de haven een stenen nol of dam aan te leggen. In de voor het verkeer open te houden ruimte kon een 'teen van rijs' voorzien van behoorlijke zinkstenen worden neergelaten. Men hoopte op deze manier het slib te kunnen tegenhouden. Bovendien werd het door de vernauwing uitstromende spuiwater versneld, waardoor de vaargeul beter uitgediept kon worden.
1675: de vissersdijk
De eigenlijke ligplaats voor schepen was de oude Kaai. De nieuwe Kaai, die aan de hoek van het Vingerling begon, was slechts 14 m. breed. In 1675 werd de haven verwijd. De uitgegraven grond om de kaai te vergroten, werd gebruikt om 'een nieuwen zeedijck' aan de westzijde van de haven te leggen. Deze (vissersdijk) heeft waarschijnlijk gediend om in geval van storm of hoge vloeden een veilige ligplaats te verschaffen aan de schepen, die in de kaai lagen.
1682: het vuurbaken
In 1682 verschenen de stuurlieden en vissers van Middelharnis op het raadhuis om te spreken over '...de nodicheyt ontrent het wederopregten van 't vervalle vierbaecken ende dat daerbij nogh een tweede vereijste....' Het gemeentebestuur zegde toe om het vervallen vuurbaken op kosten van de plaatselijke visafslag te repareren. Het nieuwe (tweede) lichtbaken kwam te staan op de Oostdijk en moest worden betaald door de stuurlieden en vissers, alsmede '... bij deselve een off twee persoonen gestelt te werden omme 't ligt in beijde vierbaeckens te ontsteken....' Verder werd bepaald, dat het dorpsbestuur de kosten van de verlichting op zich zou nemen, plus de helft van de onderhoudskosten. Als tegenprestatie deden de vissers afstand van hun recht op de twee tonnen bier. De pachter van de visafslag was volgens oud gebruik namelijk verplicht, dat hij op de dag van verhuring van de afslag de vissers moest '... laeten consumeren eene tonne pharo...'; Pharo was een soort Vlaams bier (later was deze ene ton niet
genoeg voor de dorstige visserskelen en moesten er twee tonnen worden aangevoerd). De vissers moesten het dus voortaan zonder dit gratis bier doen, maar ze hadden dan ook geen omkijken meer naar de vuurbakens. Het drinkgelag werd evenwel in 1701 weer in ere hersteld. Door de verlenging van de haven in 1759 werd het baken overbodig, waarna het dan ook niet meer in stand diende te worden gehouden. Het is nog wel te zien op 'Het laantje van Middelharnis'. Later werden er lichtbakens op het havenhoofd opgericht.
de stormvloed van 1682
"Door den vloed van 1682 zijn de meeste huisen op 't Vingerling ie Middelharnis door de force van 't zeewater tot niet geslagen. 't Vierbaken, rijzen, hoofden enz wechgespoeldt; de Scheeps Timmerwerf met de twee naastaanstaande Huijsen geriuneert, ingeslagen en ondergespoelt; vele Huijsen op den Dijk staande, half wechgevloeydt en sommige heel weg.
1685: de houten sluis wordt door een stenen sluis vervangen.
1708: lantaarns langs de haven
Op het verzoek van de meeste vissers en stuurlieden werden in 1708 rond de haven een zestal lantaarns geplaatst. '... alle stierluyden, ventjagers, markstschippers, gene vaertuygen uytgesondert varende uyt dese haven, mitsgaders allen anderen die aen de hoofden, bermen ende havens deser plaetse komen te meeren, ofte voor deselvige komen op 't vlodt daerbuyten komen te anckeren, voor de voorn(oemde) lantaarns oly, viergelt, het onderhouden van dien ende de verdere onkosten deswegen vallende, sullen moeten betalen 6 stuyvers ten behoeve van den dorpe van Middelharnis voorn(oemd) jaarlykx, welke 6 stuyvers sullen moeten werden betaelt aen onsen collecteur...' Gerrit Cornelisz. Koninck was de eerste lantaarnopsteker. Het dorp moest zorgdragen voor '... d'oly ende cattoen ofte lemmet...'. Hij was belast met de inning van de voorschreven zes stuivers per schip en moest '... deselvige lanteernen ende glasen alle 24 uren schoonmaken ende afwissen, dat de glasen helder ende niet verdooft en syn,
welcke wisserd hij op sijn kosten moet leveren...' Voor deze werkzaamheden ...voor een jaer, te weten van prima october tot half maert sal genieten voor den dienst voorn(oemd) eens een somme van f25,-...' En wanneer half maart gekomen was '... soo sal hij, met behulp van den boode ende heeren dienaers de lantaarns van de staken moeten afdoen ende brengen op den dorpshuijse...'. Van vandalisme had men toen ook al last. De lantaarns langs de haven waren nog maar goed en wel geplaatst of het dorpsbestuur moest konstateren dat verscheidene mensen, zowel oude als jonge, door boos moedwil en baldadigheid de glazen van de lantaarns eruit smeten. Degene die betrapt werd kon rekenen op een fikse boete van maar liefst f.25,- en moest ook opdraaien voor de reparatiekosten. Wie hieraan niet binnen 24 uur had voldaan, werd in de gijselkamer onder het raadhuis op water en brood gezet.
1724: rijzendam
De Plaat Flakkee bleef aangroeien, waardoor het Zuiddiep begon te verzanden. Het bleek zo te zijn, dat de 'zeevarende schuijten met hoog water nauwlijcx aan 't Hooft konnen komen sonder aan de gront te vallen'. Er moest iets gebeuren. Schout en Schepenen belastten Govert van der Linden met de bouw van een rijzendam aan de zuidzijde van de bewuste plaat, waardoor de uitschurende ebstroom geleid zou kunnen worden langs het Hoofd. Tastbare resultaten bleven uit, want de 'eigenwijze' ebstroom zocht een uitweg over de aanwassende plaat.
1732: strekdam
De kosten die daarna werden besteed aan de verlenging van de havendam bleken ook weggegooid geld te zijn. Ditzelfde gold voor de strekdam ter lengte van 29 roeden aan het boveneinde van het Zuiddiep, het Gat van Geenaes, dat spoedig de naam van Gat van Geen Haast verwierf.
1737: verdere verzanding
De zo juist vermelde dam wordt over een afstand van 40 roeden in oostelijke richting verlengd. Maar de verzanding ging gestadig door. Korte tijd daarna slibde de uitgang dicht. De Plaat Flakkee was bij eb verbonden met het eiland. Slechts bij hoge waterstanden konden de schepen nog langs die weg in open water komen. Dit was de genadeslag voor de grote uitvoer van verse vis naar Brabant. Toen ook de westelijke toegangsweg meer en meer dichtslibde scheen het doodvonnis van Middelharnis getekend te zijn. De pachter van de visafslag had in 1738 nog f. 4925,-- geboden, drie jaar later kwam men niet hoger dan f.3325,--.
1740: havenrechten
De gemeente krijgt toestemming om havenrechten te heffen. Eigenaars van gaffelschuiten moeten 6 gulden voor elke schuit. Ventjagers en andere schippers moeten 3 gulden per jaar betalen. Alleen vreemde schuiten en vaartuigen, die uit nood een veilige rede zoeken, zonder enige waren te venten of handel te drijven zijn vrijgesteld van deze belastingen. Het innen van de belastinggelden was weer toevertrouwd aan een pachter. In 1746 bedroeg de pachtsom 270 gulden, daarna schommelde deze rond 380 gulden.
1752: bedreiging voor de visserij
De overheid stuurt een uitgebreid rapport aan de Staten van Holland. Zij wezen op de gevolgen van de bedreiging van de welvaart. Vertrek van vissers, ventjagers en neringdoenden. Leegstaande huizen en werkplaatsen achterlatend. De gemeente Middelharnis zal uitsterven of in het beste geval een tehuis voor ouden van dagen worden. De opstellers waren wel handig, want zij becijferden ook hoeveel dit aan Holland zou kosten. De huisverponding zou immers wegvallen, maar ook de belasting op levensbehoeften. Het zou alles aan schadepost van f.20.593 voor de provincie opleveren. Deze uitspraak maakte indruk. De Heren kwamen tot de overtuiging dat de gemeente moest worden gesteund. Dit was temeer noodzakelijk, omdat misschien Sommelsdijk, dat ressorteerde onder Zeeland, zou proberen profijt te trekken uit de ondergang van de Hollandse buurgemeente.
1756: plannen worden goedgekeurd
Een onderzoek van de gewestelijke Staten stelt vast dat het Zuiddiep versmald was van 60 naar 30 voet, bij Middelharnis was deze vernauwing nog ernstiger, nl. 20 voet. De diepte van 15 tot 10 voet was veranderd in 8 tot 5 voet en tussen Sommelsdijk en Middelharnis zelfs tot 3 voet. Binnen enkele jaren zou de toegangsweg volledig zijn afgesloten. Middelharnis zou vervallen tot een dode stad. De deskundigen komen tot de overtuiging dat het doortrekken van de haven de enige juiste oplossing was.
Het enige minpunt was, dat de haven van Sommelsdijk zou verzanden, maar dat vond men geen reden 'om een werk van soo veel importantie voor deese provincie niet te bevorderen'. Het gehele werk werd door de Staten begroot op 100.000 gulden. Zij achtten het alleszins redelijk dat alle belanghebbenden aan die havenverbetering een steentje zouden bijdragen. Zij noemden in dit verband naast de Halsheren en het Dorp de vissers, de vishandelaren, de bezitters van huizen, de eigenaars van land in die polders, die het water in de haven loosden en tenslotte de staat. Zo zouden de vissers op de visafslag 4 penningen op de twintigste penning moeten leveren, de ventjagers uit Middelharnis zouden per reis worden belast. Tenslotte kwam de overheid over de brug. De totale bijdrage van Holland kwam neer op f.18.000,--.
1759: een nieuwe haven
De haven wordt door de plaat doorgegraven tot in het Noord-diep. Zo werd de plaat verdeeld in een Oost- en in een Westplaat. De kosten bleken boven de raming uit te gaan, n.l. met een bedrag van 25000 gulden, waarvoor de gemeente opnieuw een lening moest afsluiten. Tijdens de werkzaamheden bemerkten de rijswerkers dat er weer gevaar dreigde. Bij de aanleg van de hoofden hadden de Staten bepaald, dat deze dammen moesten rusten op open paalwerk, zodat de stromen onder de dam zouden kunnen doorgaan. Nu was de arbeiders gebleken, dat binnen een week de aanslibbing tussen die palen veel te groot was. De aanleg van een gesloten havendam werd dus geboden. Met de nieuwe haven kwam de gemeente voor hogere lasten te zitten, want niet alleen moest een havenmeester worden aangesteld, maar men had ook behoefte aan twee 'spuiwinders'. Ook de kans op schade
door storm en ijsgang werd aanzienlijk groter. Er werden dus weer nieuwe heffingen voorgesteld, voor elke ton goederen, die in de kaai of de haven werd verscheept.
1760: een grote verbetering
Toen omstreeks 1760 de haven kon worden opengesteld had Middelharnis weer een kans op een grotere bloei. De haven had een diepte van 3 voet onder normale eb, de bodembreedte bedroeg 5 roeden en die op de hoogte van 8 voet boven de bodem 8,5 roede. De haven was de levensader van de gemeenschap. De lange haven zou op diepte gehouden worden door de twee nieuwe uitgestrekte spuien. Het eerste nieuwe aangelegde spui lag benoorden de Oostdijk en de Oude Tongse Dijk, terwijl het tweede, dat veel groter was, was uitgegraven in het verlande Zuiddiep. De toekomst van Middelharnis leek zonniger dan ooit. De pachtsom van de visafslag bedroeg dan ook f.6800,--.
1763: nieuwe haven voor Sommelsdijk
De deskundigen verwachtten dat Sommelsdijk benadeeld zou worden. Maar verlenging van de haven was niet zo eenvoudig, omdat de Plaat Flakkee tot het territoir van Holland behoorde. De scheepvaart in Sommelsdijk droeg een heel ander karakter. Het bezat een veerdienst op Hellevoetsluis en beschikte over 4 marktschepen op Rotterdam en 1 op Dordrecht. Bekendheid had Sommelsdijk vooral door het vervoer van vis uit Middelharnis naar
Vlaanderen, Brabant en Engeland. Wat de eigen visserij betrof, deze was vooral gericht op die van zalm en elft. De Sommeldijkse haven was klein, een paar honderd meter tot waar nu de Sommelsdijkse haven begint. De haven bestond al aan het einde van de 16e eeuw, was 100 roeden lang, maar werd steeds verder ingekort omdat de stroom de oever afkalfde. In 1658 was de mond bij de Wilhelminabrug. Besprekingen over de grensafbakening bij de Flakkeese Plaat waren steeds vastgelopen, maar toen het Zuiddiep dreigde te verzanden drongen de magistraat en Francois van Aerssen, heer van Sommelsdijk er bij de Staten van Zeeland op aan de grensafbakening op de plaat Flakkee afdoende te regelen. In 1759 kwam een regeling tot stand
en nu begon ook Sommelsdijk aan het graven van een nieuwe toegang tot de bestaande haven. Deze verbinding met het Noorddiep kwam in 1763 klaar. Teneinde ook de langere haven op diepte te kunnen houden werden twee grote spuien gegraven, het eerste ten oosten van de haven, het tweede langs de Oudelandse Dijk. Ook deze gemeente hoopte op betere tijden.
1767: verzanding dreigt opnieuw
Maar in 1767 ligt weer een plaat voor de haven. Noordelijker van de Flakkeesche Plaat begin zich de Menheerse Plaat zich te ontwikkelen, zodat in 1769 de strekdammen van klei, met gebruik van rijshout en palen, al weer langer gemaakt moesten worden. Om de onkosten te kunnen dekken moesten weer enkele heffingen op produkten omhoog.
1785: de Mol
Om het dichtslibben van de haven te beperken gebruikte men een mol. Dat was een 12 bij 6 meter grote boot, bemand met 6 of 7 personen. Aan de onderzijde van zo'n boot zaten krabbers, die bij ebstroom door de bemanning aan het draaien werd gebracht, zodat de modder werd losgewoeld en naar het Haringvliet kon verdwijnen. In 1785 wordt melding gemaakt van reparaties aan de molschuit door smid en timmerman. Tot in de vorige eeuw bleef deze schuit in gebruik, in 1816 schafte men zelfs nog een nieuwe aan. Elders verleent de vaste ligplaats van zo'n werktuig zijn naam aan de straat, zoals De Mol, Molstraat of Moldreef.
1788: onderhoudskosten
Het onderhoud van de haven was een kostbare zaak. Onderhoud aan de kademuren en de bestrating langs de Vissersdijk en het Vingerling kostte aan straatstenen, zand en loon der bestraters f.4000,--.
1790: verlengen, inkorten, verlengen, verlengen
Zoals voorspeld was, bij de laatste verlenging van de strekdammen, werd de geul voor de havenmond nu dieper uitgeschuurd. Toen deze in 1790 bij laag water een diepte van 12 voet had bereikt werd besloten om de havenhoofden in te korten. Na verkorting in 1790 weer een verlenging in 1792. In 1844 weer en een derde verlenging volgde in 1852.
1808: Sommelsdijkse haven
Reeds in 1755 maakte men plannen om de havens van Middelharnis en Sommelsdijk met elkaar te verbinden. Maar de ligging van Sommelsdijk in Zeeland en Middelharnis in Holland vormde een onoverkomelijke hinderpaal om tot uitvoering van de plannen te komen. De aanslibbing had niet stilgestaan en de platen Oost- en West Flakkee waren zo ver opgewassen, dat zij rijp waren voor indijking. Tijdens de regering van koning Lodewijk Napoleon (1806-1810) leverde een nieuwe aanvraag daarvoor een gunstig resultaat. De domeingoederen werden publiek verkocht aan een combinatie van vijf heren en nog hetzelfde jaar was de indijking volbracht. Deze inpoldering had zeer nadelige gevolgen voor de haven van Sommelsdijk, die nog in 1792 aanzienlijk was verlengd. Bij de verkoop was bepaald, dat de kopers verplicht waren er zorg voor te dragen, dat Sommelsdijk een nieuwe haven zou krijgen. De toegangsweg zou vanuit de oude havenkom langs de dijk van het Oudeland naar de Westelijke havendijk van de haven van Middelharnis lopen. Deze dijk zou worden doorgegraven waardoor er een verbinding tot die haven zou worden gemaakt. Tussen beide havens zou een schutsluis worden gebouwd, terwijl voor het doorgaande verkeer een brug zou dienen. Het onderhoud van de nieuwe haven, havenkaden, schutsluis en brug kwam tenlaste van Sommelsdijk. Daarnaast zou nog een doorvaartgeld voor de scheepvaart van f.100,-- per jaar worden geëist.
1855: weer een verzande haven
Weer werd de toegang tot de haven bedreigd door een opwas, de Menheerse Plaat. Gedurende 1853-1855 werd de diepte van de haven 3 meter onder laag water gebracht. Deze diepte kon evenwel niet gehandhaafd blijven. Het probleem was hoe de havenkom en de havenmonding te verlossen van die eeuwige, hopeloze ophoping van slib. De westelijke havendam bleek te zwak te zijn en leed herhaaldelijk schade. In 1859 was de hele kade ondermijnd. Herstel kon niet langer worden uitgesteld. Loodrecht op de dam werd aan de noordwestzijde een stenen kribdam aangelegd. Reeds twee dagen na de
oplevering zonk de kop van die dam tengtevolge van ontgronding weg. De gemeente was niet in staat afdoende herstelwerkzaamheden uit te voeren. Men volstond met een provisorisch herstel, waardoor bij de pinksterstorm in 1860 aanzienlijke schade aan de havenwerken werden toegebracht. De westelijke havendijk bleek te licht van constructie te zijn en de haven was weer behoorlijk verzand. De haven kon alleen gered worden wanneer deze door middel van een schutsluis van het buitenwater zou worden afgesloten.
|
zij zei laten we gaan en wat we worden onder de brugboog, misschien spraakmakend water |
zij zei geef me je wezen langs het riet waaiend, stromend je hand |
zij zei de vissertjes |
1865: Een nieuwe schutsluis verdeelt de haven in een buiten- en binnenhaven.
Onder leiding van de Hoofdingenieur van de Waterstaat werd het waterstaatswerk ter hand genomen. In de eerste plaats moest de waterkering deugdelijk zijn. Dit betekende dat de dijk met de havendijken verhoogd en verzwaard moesten worden. Daarnaast diende de haven te worden afgesloten door een behoorlijke schut- en spuisluis, die tevens een onderdeel van de hoogwaterkerende dijk moest worden. De boezem, die daardoor zou ontstaan zou worden verbeterd door het weghalen van de sluis in de haven van Sommelsdijk. Ook de krib vóór de westhavendijk moest verlengd worden. Dit grootse plan van Pieter Caland werd uitgevoerd, ondanks dat de geraamde kosten te laag waren. Middelharnis nam de verplichting op zich om een voortdurend voldoend onderhoud volgens de door de Gedeputeerde Staten goedgekeurde bestekken uit te voeren. Bij nalatigheid zou G.S. het werk laten uitvoeren voor rekening van de gemeente. De werkzaamheden brachten in de haven veel vertier, want er moesten keten worden gebouwd, terwijl scheepsladingen materieel zoals stenen en hout moesten worden aangevoerd. Daarnaast kwam een legertje arbeiders in de gemeente aan. Er werd opvallend hard gewerkt, want van april 1864 tot half oktober werd zonder een enkele rustdag doorgewerkt. Vanaf half oktober 1864 tot 19 februari 1865 is de zondag als rustdag in ere hersteld, maar daarna komt de zevendaagse werkweek weer naar voren. De werkzaamheden werden slecht enkele keren onderbroken door 'onwerkbaar weder'. Ingezet werden: 110 aardewerkers, die de Westhavendijk moesten bouwen, 12 timmerlieden voor het opslaan van de keten en het maken van een duiker, die moest dienen voor het aftappen van het polderwater en 18 vletters met 9 schuiten voor het vletten van klei. Er verschenen 12 watermaalders, die de sluisput moesten droogmaken, een aantal dat groeide tot 32, 25 heiers begonnen met het heien van de palen voor het buitensluishoofd. Op de eerste dag werden drie palen geslagen. Het aantal arbeiders werd regelmatig uitgebreid en op het laatst waren er 167 aardewerkers en 102 heiers bezig. Er waren ook enkele machines ingeschakeld, want er wordt gesproken over het gebruik van een locomobiel, een centrifugaalpomp en een tonmolen. Tenslotte begonnen 160 aardewerkers met het uitgraven van de haven. De uitgegraven grond werd
op de bestaande bermen gestort, teneinde deze beter op hoogte te brengen. Op 5 augustus 1965 werd de haven voor openbaar gebruik in dienst genomen. De gebouwde schutsluis verdeelde de haven nu in een met de rivier in verbinding staande buiten- en een afgescheiden binnenhaven. De haven van Sommelsdijk was in open verbinding met die van Middelharnis gekomen. Hierdoor was één boezem gevormd, waarop de afwaterende polders het water konden lozen.
1867: verzakkingen
In de westelijke havendijk ontstaat een verzakking, die op kosten van de gemeente werd hersteld. Eind 1868 ontstond aan de Oost-havendam een val, waarna Provincie en Rijk bereid waren voor de verdere werkzaamheden te zullen zorgen, wanneer de Gemeente jaarlijks een som van f.5500,-- zou bijdragen. Na 1870 werden wel regelmatig werkzaamheden aan de haven verricht, maar herstelwerkzaamheden op grote schaal waren niet meer
noodzakelijk.
1879: stoombootverbinding
Tot 1843 onderhielden 3 paviljoenschepen op zondag en donderdag een dienst naar Rotterdam en op woensdag naar Dordrecht. Daarnaast werden geregelde diensten onderhouden met Hellevoetsluis en de dorpen aan het Spui en de buurgemeenten. De afhankelijkheid van de paar vastgestelde dagen was bezwaarlijk, waarbij nog kwam dat soms tengevolge van tegenwind en ongunstig tijd de nacht aan boord moest worden doorgebracht.
In 1841 werd een ijzeren raderstoomboot 'met een stoomwerktuig van 40 nominale paardekracht' in Amsterdam gekocht voor f.46.500,--. In 1842 arriveerde dit 'wereldwonder' in de haven. In de 'Dordrechtsche Courant' lezen wij daarover: 'De bevallige vorm en de buitengewone snelle vaart dezer stoomboot, schonk aan de toegevloeide menigte een schoon en aangenaam schouwspel, die derzelve met een blij herhaald hurah! begroette en
verwelkomde. De dienst op Rotterdam en Dordrecht (tot 1876) werd op alle werkdagen uitgevoerd. Een retourtje in de Grote Kajuit kostte f1,50 en in de Kleine Kajuit f.0,90. De boot werd de 'menheerse boot' genoemd en raakte die naam niet meer kwijt toen de 'Overflakkee en Goedereede' vervangen werd. Er waren aan boord 2 klassen. In de eerste was in de boeg van de boot een smal, ongemakkelijk, driehoekig 'salonnetje', gereserveerd voor de directie van de maatschappij. Daar zetelden dan, ver van het gewone volk, de deftige heren Kolff en Jacob Slis. 's-Maandags vertrok de boot extra vroeg, reeds om half vijf 's morgens. Het scheepsdek stond dan vol met 'beesten' (koeien) die een onvoorstelbare smeerboel maakten.
In 1870 kwam een nieuwe raderstoomboot onder de naam 'Middelharnis' in de vaart. Een andere boot, een zgn. schroefstoomboot werd in 1887 te Amsterdam gebouwd. Die kreeg als naam 'de Onderneming', die ook wel 'Mooi Jantje' werd genoemd. In 1892 kwam een nieuwe 'Middelharnis' in de vaart, een dubbelschroefstoomboot, die in 1921 gemoderniseerd werd. De gemiddelde reisduur van Middelharnis naar Rotterdam was drie uur. Na het schutten op het Havenhoofd ging het over het brede Haringvliet en werd koers gezet naar het Spui. Bij Nieuw-Beijerland werd het eerst aangelegd, verder bij Hekelingen aangemeerd en daarna te Oud-Beijerland. Vandaar voer men de Oude Maas op. Het personeel van de boot pompte uit de Oude Maas zoet water op en vulde de tank weer geheel. Dat water werd ook gedronken! Vervolgens voer men door Het Scheur naar Vlaardingen. Geheel naar de andere oever zette men dan koers naar Pernis en zigzagde men verder naar Schiedam aan de Nieuwe Maas. Daarna was het nog eenmaal aanleggen en wel bij de Boompjes te Rotterdam. Daar ging iedereen van boord.
Elke maandag en dinsdag in alle vroegte werden op het Stoombootplein paarden, koeien, varkens en klein vee door veehandelaren aangevoerd. De paarden werden met enige tact over de loopplank geleid en op het dek van de stoomboot vastgezet. Schichtige of onwillige paarden vielen in handen van Jaas Vroegindeweij die van kinds af aan thuis met paarden had omgegaan. Koeien kregen meestal een paar flinke klappen met de stok, hoewel dat vaak niet eens nodig was. Varkens schreeuwden er soms op los en maakten de buren wakker. Een laatkomer kwam aangehold met achter zich een mekkerende geit. 'Heit je vrouwe weer op je hemde gelege?' riep een passagier onder algemene hilariteit toe. De loopplank werd snel ingetrokken, onmiddellijk gevolgd door een lage, brede fluittoon. De boot vertrok, het was 5 uur in de morgen. Toen de dubbelschroefboot de 'Middelharnis' in 1949 voor het laatste vertrok, bleef het Stoombootplein leeg en doelloos achter.
1879: veerboten
In 1879 kwam een geregelde stoombootverbinding tussen Hellevoetsluis enerzijds en Middelharnis, Dirksland en Stellendam anderszijds op gang. In Middelharnis werd ten noordoosten van de schutssluis aan de Oosthavendijk een aanlegplaats gemaakt. De veerboot kon alleen bij halftij en onder gunstige omstandigheden daar ter plaatse zwaaien. Het gevolg was, dat de passagiers vaak moesten debarkeren aan het buiteneinde van de havendijk. In 1881 werd de zwaaiplaats verruimd, waardoor dit ongerief kon wegvallen. In 1907 kwam de tramweghaven tot stand. In 1909 verscheen de veerboot van de R.T.M. De passagiers vertrokken van het station in het dorp en vertrokken dan met het stoomschip Minister Ph.W. van der Sleijden naar
Hellevoetsluis. Na de oorlog werd de Stad Zierikzee ingezet. Met de Schelde en de Minister v.d. Sleijden bereikten de drie schepen een frequentie van 15 vaarten per dag.
1909: de flakkeese tram
Het hart van het tramvervoer was het rangeerstation te Middelharnis. Aan de ene kant van het perron stond de tram naar Ouddorp en aan de andere kant die naar Ooltgensplaat. Van tijd tot tijd waren er problemen, zeker als in de winter de rails bevroren raakten of als de tram en wagons te zwaar geladen waren en de tram een dijkovergang moest passeren. De beide stoomtrams, die getrokken werden door de stoomlocomotief, die bij elke dwarsweg zijn doordringende, schelle stem liet horen, reden langs de haven naar het Hoofd. In 1910 was het aantal reizigers op de boot 70.000 en in 1931 was dit
aantal reeds gestegen tot 143.000. In 1910 werden 1044 wagonladingen komende van of gaande naar Middelharnis in onafgebroken ladingen vervoerd, een aantal dat in 1939 was uitgegroeid tot 5656. Het vervoer van suikerbieten en uien maakte ook van deze gelegenheid gebruik om in de buitenhaven de ladingen in binnenschepen over te laden. De R.T.M. zette ook sleepschepen in, die 4 wagons konden vervoeren. Het vervoer van suikerbieten maakte van deze gelegenheid gebruik om niet alleen de reis naar Hellevoetsluis te vervolgen, maar om in de buitenhaven de ladingen in binnenschepen over te laden. Na 1928 konden belangrijke hoeveelheden uien vervoerd door de tram direct worden overgeladen in zeeschepen, die de vracht naar Londen vervoerden, waardoor de omweg naar Rotterdam kon worden vermeden. De boot bood ook plaats aan auto's, in 1927 1900 stuks, in 1937 al 4700 motorrijtuigen. Het was een hele reis naar Flakkee. Eerst moest je in Rotterdam de stoomtram niet missen. Die bracht je dan na verloop van tijd in Hellevoetsluis. Dan met de boot het Haringvliet over en tenslotte met de Flakkeese tram van dorp naar dorp. Als je naar Ouddorp moest was je wel een halve dag onderweg.
1957: de Haringvliet
In 1957 kwam er bij de RTM de laatste veerboot in dienst, het motorschip de Haringvliet. Dit schip had een laadvermogen van 435 ton en kon 300
passagiers vervoeren. Bij strenge vorst kon het Haringvliet grotendeels dichtvriezen, waardoor de overtochten van de veerboten werden gestremd. IJsbrekers werden ingezet om een vrije doorgang te maken. Dergelijke ijsgang gaf vaak veel bekijks op het Havenhoofd. Soms was het echter te bar, het eiland was dan voor enige tijd totaal geïsoleerd. In 1971 werd de veerdienst op Hellevoetsluis opgeheven, waarna de Haringvliet onder de nieuwe naam van Schellingerland II naar het eiland Terschelling ging.
1898: de Wilhelminabrug
In 1898 is het kogelbruggetje vervangen door een ijzeren brug en omgedoopt tot Wilhelminabrug met het oog op het zwaardere vrachtvervoer. De burgemeester van Sommelsdijk kwam met zijn voltallige gemeenteraad naar Middelharnis om met de nodige ernst de openingsplechtigheid te verrichten. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verwijderde men het naambordje. In 1944 werd de brug op last van de Duitse Weermacht verwijderd. Na de bevrijding kon de brug worden herplaatst. Bij de herplaatsing was het kwadrant bezweken, waardoor de bediening bijzonder lastig werd. In 1948 werden diverse verbeteringen als windwerk e.d. aangebracht. In 1950 wees de gemeente Middelharnis op de gevaren i.v.m. de maximale belasting. In 1952 werd een slagboom geplaatst en een maximum asgewicht van 1500 kg vastgesteld, de twee liggers van de val moesten vervangen worden, een versterkingsverband werd gemaakt, een doorgaande koppelingsligger, hermontering van de vergrendeling, het verzwaren van de ballast, het wijzigen van de bestaande windwerkkast en het vernieuwen van het wegdek.
Om de brug geschikt te maken voor het zware verkeer werd de val voorzien van twee verhoogde smalle voetpaden. Hierdoor werd bereikt dat de wielen slechts op bepaalde stroken hun druk zullen geven en de toegestane asbelasting kon worden verhoogd tot 8000 kg. Maar het was een tijdelijke oplossing. In 1954 is men overgegaan tot het aanbrengen van betonblokken, welke de ondereinden van de schoren van de hameistijlen vast moesten houden; deze schoren waren namelijk bevestigd aan blokken natuursteen en bij de aansluitingen ernstig verroest.
Daar nieuwe aansluitingen aan de natuurstenen vrijwel niet te maken waren, bracht men betonblokken aan.
Ook het verzwaren van de ballast was achteraf niet verantwoord, daar hierdoor de balans, eigenlijk de gehele brugkonstruktie zwaarder werd belast, met alle gevolgen van dien. In 1959 verkeerde de brug in zeer slechte staat. Het was mogelijk met een normale hamer een gat te slaan in het lijf van één van de stalen stijlen. Boven op deze stijlen rust en draait de gehele bovenbouw. De bovenliggers waren ook te veel doorgebogen en de draaipunten uitgesleten, de draairichting en sluiting werkten niet goed. De brug was daardoor heel moeilijk te bedienen. De burgemeester stelde een vaste overbrugging voor, maar dit plan werd door alle raadsleden van tafel geveegd. De haven moest bevaarbaar blijven.
Op de foto hiernaast zien we het jaagpad aan de West-Havendijk, dat naar het havenhoofd voerde en waarlangs de sloepen met paarden de haven uitgetrokken werden. Op de foto hierboven hetzelfde jaagpad, dat eindigde bij de Wilhelminabrug. Aan de andere kant van de brug zien we de Sasdijk, waar een tiental woningen stonden. Aan de andere kant van de Sommelsdijkse haven was de Visserstraat, op de foto niet zichtbaar.
1913: bemaling
De afwatering van de polders was een probleem gaan vormen. In de loop van vijf eeuwen was tengevolge van de bodemdaling, het stijgen van het zeeniveau en het inklinken de grond ruim 60 cm gezakt, waardoor de afwatering bemoeilijkt werd, zelfs ondanks het feit, dat het waterpeil in de haven altijd ongeveer de ebstand was. Daarbij kwam nog, dat de landbouwers meer bewust waren geworden van het belang van een niet te hoge grondwaterstand. Men ging denken aan bemaling en in 1913 kreeg de menheerse polder en in 1917 de Sommelsdijkse polder een bemaling. De spuien voor het diephouden van de haven hadden hun betekenis verloren, want door uitbaggeren en spuien via de schutsluis kon men betere resultaten bereiken. Zij werden dan ook gedicht en gedeeltelijk tot bouwterrein verhoogd. Van de drie spuisluizen bleef er een als uitwateringssluis van de polder Oostplaat Flakkee en van de op deze afwaterende Johannespolder, terwijl de beide andere werden omgevormd tot afvoerriolen.
1944 luchtaanval op de haven.
Zondag 3 september 1944. Het was mooi helder weer. Geallieerde vliegtuigen, Engelse bommenwerpers kwamen hoog aangevlogen, cirkelden een paar maal over het dorp, wat het gebruikelijke sein was dat er een aanval zou volgen. De burgers van het dorp die na de zomer van 1940 geen bommen meer in het dorp hadden zien vallen, herkenden het teken niet en bleven staan kijken. Toen doken de geallieerde vliegtuigen opeens naar de schepen. Met hun boordkanonnen schoten ze granaten af en mitrailleerden de boten. De aanval werd herhaald. Een grote rijnkast werd door een granaat in het voorschip getroffen en zonk. Enkele granaten ontploften op het Vingerling en op de loswal. Slechts 2 vrouwen waren gewond. Het was een wonder dat er zo weinig gewonden waren, daar de aanval kort maar fel was geweest en overal bij de haven de kogels gevonden werden. Heel wat huizen hadden kogelschade. De schepen in de haven, die niet beschadigd waren, kregen het bevel zich over de hele haven te verspreiden. Het was niet meer mogelijk
overdag te varen.
1945: bombardement
Op 9 maart 1945 werd de schutssluis door een bombardement van de Geallieerden met een dertigtal goed gerichte bommen vernietigd. Het heeft tot 1955 geduurd eer de renovatie van de sluis kon worden afgerond.
1953: de watersnoodramp
De bevolking moet evacuéren via het Havenhoofd. De weg daarheen was onbegaanbaar en daarom werd een pendeldienst onderhouden tussen het Vingerling en het Hoofd, waar schepen van allerlei soort de evacuees opnamen om hen naar Rotterdam en Hellevoetsluis te brengen.
1962: de haven is een modderput
De heer G.A. Wijnhof wendt zich namens vele omwonenden tot de burgemeester met het verzoek het spuisysteem van de havenkom zodanig te wijzigen, dat die haven niet langer 'een borrelende en gistende modderput' zou zijn. Er veranderde weinig. In 1972 richtte de 'Watersportvereniging Flacquee' zich tot het gemeentebestuur met het dringende verzoek verlost te worden van een haven, die 'funktioneert als een beerput van de gehele gemeente Middelharnis, waar de faecalieën van de gehele bevolking worden verzameld.' De oplossing was niet zo eenvoudig. Al in 1960 waren serieuze plannen gemaakt om het rioolwater direct door te persen naar het Haringvliet. Men zag in, dat dit ongezuiverd lozen geen goede oplossing was. Pas in 1979 was het Waterschap Flakkee voornemens een rioolwaterzuiveringsinstallatie vlak bij Middelharnis te bouwen.
1964: grote veranderingen zullen volgen
De Haringvlietbrug wordt geopend. Overal gingen de vlaggen uit. In Middelharnis is er een grote tentoonstelling onder de naam 'FLUZI'. Deze afkorting staat voor 'Flakkee uit zijn isolement'. Voor fietsers bedroeg de tol op de brug één gulden.
1971: Sommelsdijkse haven wordt gesloten
De haven van Sommelsdijk wordt gesloten voor alle vrachtscheepvaart en heeft hiermee alle reden van bestaan verloren. Ze heeft alleen waarde als historisch monument, een sieraad in het polderlandschap, een omlijsting van de op de Dijk gebouwde huizen.
1972: einde veerbootdienst
De veerbootdienst Hellevoetsluis-Middelharnis-Haven werd opgeheven, omdat de weg over de Haringvlietsluizen in 1971 geopend was. De buitentransporten uit de binnenhaven waren al in 1967 geëindigd. De olieaanvoer eindigde in 1970, terwijl in die tijd ook de laatste van de drie beurtschippers stopte. In 1975 stopte ook de kunstmestaanvoer in de binnenhaven. De haven behield haar betekenis als uitwateringsgebied van de polders en als afvoerbekken van de riolering.
1979: het begin van de jachthaven
Oprichting van de watersportvereniging Flacquee. Het aantal ligplaatsen werd regelmatig uitgebreid. In 1979 kreeg zij de beschikking over een terreintje van 500 m² aan het havenhoofd waar boten tot een lengte van 6 meter kunnen worden 'gestald'. Er zijn inmiddels 3 jachtwerven, waarvan er een is, die ook nieuwe boten maakt. Middelharnis is onder de zeilers in binnen- en buitenland bekend geworden en steeds meer jachten doen de oude haven aan. Het brengt niet alleen het nodige vertier in de haven, maar draagt bij de omvorming van visserijhaven tot jachthaven ook een steentje bij aan de opbloei van de gemeente.
1981: nieuw gemaal
In het kader van 'de Ruilverkaveling Flakkee' wordt de afwatering van Midden Flakkee verbeterd. Aan de binnenzijde van de dijk van de Van Pallandpolder wordt een nieuw gemaal gebouwd met een capaciteit van 300 m3/ minuut, dat de polder van Middelharnis en Sommelsdijk bemaalt.
Het gemaal aan de Achterweg uit 1913 met een capaciteit van 100 m3/minuut en het gemaal aan de Kaai van Sommelsdijk met een capaciteit van 64 m3/minuut verdwijnen. De uitwateringssluis bij het Dirklandse Sas wordt omgebouwd tot een inlaatsluis om de polder te kunnen doorspoelen met zoet water uit het Haringvliet via de haven van Middelharnis. De rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt in werking gesteld, waarmee weer een funktie van de
haven is weggevallen, nu tot aller genoegdoening.
Het Vingerling en de Kaai anno 2000.
Van de oude haven rest alleen nog de vorm. De kenmerkende lijn van de ringdijk en de de achterliggende beschermende Vissersdijk is op deze panoramafoto goed te zien.
Er is hier een nieuwe bedrijvigheid ontstaan, nl. die van het toerisme. Oude vissershuisjes worden uitbundig groen verfraaid. 'De charme van een vissersdorp dat zich graag onderdompelt in nostalgie, maar tegelijkertijd de vinger aan de pols houdt, de blik gericht op de toekomst, stadse allure met een 'dorpse' bediening'.
En als je langs de talrijke plezierbootjes rondwandelt en het koffiekokertje op de hoek van het Vingerling ziet staan, turend naar de havenuitgang, vraag je je af hoe het hier 100, 200, 300 jaar geleden geweest is.