In het jaar onses Heeren 1763 den 28 april is mij een lieve soon gebooren Cormelis Cornelisz Langbroek. En het heeft nog elf weeken geleeft. En toen heeft het de Heere van mij weggenomen door de doot.
In het jaar onses Heeren 1783 den laatsten december donderdagsaavons 7 uure is mij een lieve soon Hendrik Cornelisz. Langbroek verongelukt in de Zee oud sijnde 25 jaar min 7 dagen.
Uit de nalatenschap van Bastiaan C. Langbroek
1826: de gaffel-visschuit van Jacob Bree
In het najaar van 1826 bij het vissen met de plomp is de schuit van Jacob Bree, op de kust met man en muis vergaan. Bree lag met zijn schuit ten anker op het droge 'Zand' om daar met de plomp te vissen, toen er een zware storm opstak uit oostelijke richting. Deze stormen duren gewoonlijk twee, drie dagen en zijn overdag sterker dan 's nachts. De schuit werd door een zware zee overstelpt, waardoor de mast brak en de ankerkabel losraakte. De schuit en de opvarenden varen nu reddeloos verloren, daar de storm de weinig diepgaande schuit snel naar de Engelse kust dreef. Bij het stranden werd de schuit tegen de rotsen verbrijzeld en de hele bemanning verloor het leven. Een van de verongelukten was Pieter Koster. Jacob Bree was een man toegerust met bijzondere gaven en stond bij zijn tijdgenoten in hoog aanzien. Toen de gezamenlijke vissers afgevaardigden stuurden naar Koning Willem I was Jacob Bree daarbij. Toen Bree eens met zijn schuit in het Nieuwediep lag, bracht Koning Willem I een bezoek aan de haven en onderhield zich enige tijd met hem.
1828: de Catharina en Elisabeth van J. de Waard
De Waard was met een nieuwe sloep voor de tweede reis in zee en lag niet ver van de kust ten anker. Hij wilde eens zien hoe zijn nieuwe ankertuig was en zijn vaartuig proberen ten anker liggende bij sterke wind. Voor de wind varende naderde hen een zwaar lekke Zwartewaalse schuit of sloep, waarop de bemanning wanhopig aan het pompen was om het vaartuig drijvende te houden. Daar zij dachten te zinken besloot de Zwartwaalse schipper bij De Waard op zij te varen en dan met de bemanning over te springen. Dit liep voor De Waard en zijn volk zeer ongelukkig af, daar de nieuwe sloep zo werd beschadigd dat zij in de diepte verdween. Ook een nog overgesprongen Zwartewaalse visser verdronk. De aanvarende sloep is toch nog half vol water het Nieuwediep binnengekomen, waardoor deze gebeurtenis bekend is geworden.
1862: de sloep van Aren de Koning
De sloep is het laatst gezien, toen zij bij de in zee staande beug ten anker lag. Ankeren bij de beug werd wel gedaan omdat men deze bij opkomend ruw weer niet kon inhalen. Waarschijnlijk is de sloep zwaar lek geworden en achter het anker gezonken.
1864: de twee sloepen van M. Langbroek en B. Dubbeld.
In dit jaar werd Middelharnis door een grote ramp getroffen, door het gelijktijdig vergaan van 2 sloepen. Schippers waren Maarten Langbroek en Bastiaan Dubbeld. Zes en twintig Middelharnisse vissers kwamen daarbij om het leven. Het ongeluk is bij de Hollandse kust gebeurd, want een deel der tuigage van de beide sloepen is door elkaar gemengd te Egmond aan Zee aangespoeld. Zeer waarschijnlijk hebben zij elkaar in de storm aangevaren, als gevolg van te weinig 'zicht'. De verslagenheid in het dorp was groot.
1866: de sloep van Abraham van Eck.
Is gebleven in een sneeuwstorm, geen bijzonderheden bekend.
1872: de sloep van Cornelis Smit.
Twee Middelharnisse sloepen, waarvan Smit aan de lij van de andere was, waren bezig de zeilen te reven, wat door de Middelharnissers zwichten werd genoemd. Toen het begon te stormen werd het uitzicht door de sneeuwbuien belemmerd. Bij het zwichten moest ‚‚n der matrozen achter op de giek de steekbout van het derde rif doorsteken. Op de andere sloep kon men zien wie dit deed. Er kwam weer een zware sneeuwbui opzetten en men geraakte elkaar uit het oog. Plotseling kwam er een groot zeilschip recht voor de wind varende rakelings achterom. Dit schip dat een grote snelheid had, voer recht op de plaats aan waar Smit met zijn schip zich bevond. Toen de bui over was, was er van de sloep van Smit niets meer te zien. Smit is nooit meer binnengekomen en zeer waarschijnlijk door het zeilschip overvaren. De kapitein van dat schip handelde tegen de wet van het uitwijken. Bij onvoldoende uitzicht mag men slechts met matige vaart lopen. Dit kostte dertien mensen het leven.
1890: Bedachtzaamheid, schipper G. Langbroek, gezonken.
In de Nieuwe Waterweg was sleepboothulp nodig omdat dit een druk vaarwater begon te worden van stoomschepen naar Rotterdam. De Bedachtzaamheid voer naar zee, laverend in de Nieuwe Waterweg toen het schip werd aangevaren door een Batavierboot, die opstoomde naar Rotterdam. De gehele bemanning werd gered. Volgens de regels te water moet een stoomschip wijken voor een laverend zeilschip. De gezagvoerder van de Batavierboot werd schuldig verklaard en de geleden schade werd vergoed.
1895: de Zeemanshoop van J. Viskil.
Het laatst is deze sloep gezien bij het Zand op de Doggersbank. Vermoedelijk omstreeks de tijdens St. Nicolaas gewoed hebbende stormen verongelukt,
waarbij de gehele, uit 13 personen bestaande bemanning omkwam. Zeven weduwen en zestien kinderen verliezen hun kostwinner.
1896: Schipper Arie de Waard met zijn schip ten onder gegaan.
De firma Slis had 2 grote vaartuigen uit Belgie aangekocht, de Avenier en de Pionier. In Middelharnis was er een gezegde: Is er geen Avenier dan is er nog een Pionier: er is altijd wel een schip om op te varen. Men had het niet op deze schepen: "Die sloepen wazze al vervloekt omdat de Belgen zoe vloekende".
Schipper Arie de Waard op de Avenier, die omgedoopt werd in de Toekomst, scheen een gelukkige reis in 1896 te hebben gehad, het schip had een grote vangst aan zoutevis, en men was op weg naar Middelharnis, waar altijd nog wel wat zoutevis binnengebracht werd, die de reder van hieruit zou verkopen. Doch in het Goereese Gat sloeg het noodlot toe, het schip stootte lek, en wel zo lek, dat het door de bemanning verlaten moest worden. Schipper Arie de Waard wilde het schip niet verlaten, al drong de bemanning er op aan, en hij is met zijn schip ten onder gegaan.
1899: de Pionier van J. v.d. Hoek
Het tweede schip uit Belgie was de Pionier. Het werd aangevaren door een grote Noorse bark - zeilschip met 3 of 4 masten en veel zeilen. De bemanning dacht meteen, dat het schip zou vergaan, sprong in eerste reactie over naar de bark. Jan de Man, Aren de Koning en Leendert Koster misten de sprong en verdronken. Stuurman Laurens van Gelder raakte bekneld tussen bark en sloep, werd zwaar gewond en stierf aan zijn verwondingen.
De bark heeft de sloep op sleeptouw genomen en Brevik (Noorwegen) binnengebracht waar deze is verkocht. L. van Gelder is in Noorwegen begraven. De bemanning is 14 dagen later per boot naar Holland teruggekomen. Jan de Man maakte zijn laatste reis en zou dan in betrekking gaan aan de wal. De schipper en de overige 8 man zijn bij de bark aan boord gegaan en met dat schip dat ook de sloep op sleeptouw nam, te Krager binnengebracht.
Uit de Nieuwe Vlaardingse Courant lezen we enkele maanden later: Bij de rederijen fa Slis en Kolff te Middelharnis is tot op heden ca f.1824,-- binnengekomen voor de 4 weduwen en 26 kinderen van de 4 omgekomenen van de vissloep Toekomst, waaronder f. 200,- van HM de Koningin en f.600, van het Fonds van wijlen Mevr. Ida Maria de Raath.
1908: de Doggersbank van J. v.d. Hoek.
Deze sloep werd door een Engelse stoomtrawler aangevaren, waardoor de sloep is gezonken. Het was goed weer, de bemanning is aan boord genomen door schipper H. Langbroek, die de schipbreukelingen in IJmuiden aan wal heeft gezet. De trawler werd schuldig verklaard en de schade is aan rederij Slis betaald.
1910: de Luctor et Emergo van W. v.d. Hoek.
Het was een van de oudste schepen van de vloot. Er moest altijd veel gepompt worden aan boord van de Luctor, veel kielwater haalde men met inspanning van alle krachten via de handpompen naar boven. Een tiental gezinnen in Middelharnis hebben in de winter van 1910 tevergeefs gewacht op de terugkomst van vader of zoon. Dagen, weken, nog langer, de vissers kwamen niet terug. Vermoedelijk zijn ze op dinsdag 24 januari in een vliegende storm omgekomen op het zgn. Brielse kerkhof. Men heeft nooit het geringste spoor, noch van de bemanning, noch van het schip meer gevonden.
Op 15 januari 1910 vertrok het schip ter visvangst. Op 23 januari lag er een diepe depressie tussen IJsland en de Britse eilanden die zich in zuidoostelijke richting verplaatste. Vermoedelijk is het schip in die zware storm terecht gekomen, met als gevolg dat alle opvarenden zijn verdronken en het schip is vergaan. Na de ramp ontstonden geruchten dat het schip niet zeewaardig zou zijn geweest en dat men dat gemeld had bij de scheepvaartinspectie. Tijdens het onderzoek door de Raad voor de Scheepvaart kwam vast te staan dat het schip zich in een orkaan heeft bevonden. De geruchten berustten op onwaarheid. Als getuige werd gehoord schipper de Waard, die gedurende zes jaar als schipper op de MD-1 fungeerde en dit schip had verlaten omdat hij een grotere sloep van rederij Slis had gekregen. Deze schipper verklaarde dat de rederij goed voor haar schepen zorgde en nooit moeilijkheden maakte, wanneer schipper of scheepsbouwmeester verbetering of vernieuwing van delen van schip of inventaris voorstelden.
De MD-1 werd geregeld op de werf van I.S.Figee gehellingd en geklamaaid (= gebreeuwd). Aldus werd na onderzoek door de expert van de Scheepvaartinspectie in oktober 1910 een certificaat van deugdelijkheid ontvangen. Het schip werd op grond van het certificaat in alle opzichten zeewaardig beoordeeld. Tijdens het onderzoek in 1909 werd de bunafdeling, die geheel vernieuwd bleek, in uitstekende staat bevonden. Naden en bouten werden getoetst, die huid werd hier en daar geboord en een paar gangen (= huidplanken) uitgenomen. Inhouten (= spanten), stevens, kiel,
zaadhout en dekbalken waren hard en gezond. De kiellas was goed verbonden. Een gang aan bakboordzijde werd over een lengte van elf meter, wegens wormaandoening, geheel vernieuwd. Ditzelfde gebeurde met een gang aan stuurboordzijde. De pompen waren nagezien en in orde bevonden. De Raad kwam dan ook tot de slotsom dat het schip behoorlijk bemand en uitgerust en zeewaardig was en dat de oorzaak van de scheepsramp niet was aan te wijzen.
1911: de gestrande MD11 'Oranje Nassau' bij IJmuiden.
Op 11 maart 1911 wordt uit IJmuiden gemeld: Op ongeveer 600 meter bezuiden de Zuidpier bevindt zich een zeilvaartuig in nood. Een reddingsboot wordt door een 60-tal rappe lieden door het zand naar de plek van het onheil getrokken. Ondanks de zware branding op de kust bereiken de roeiers de Oranje Nassau, schipper Jan de Koning. Alle opvarenden werden gered en de boot kon behouden blijven. Later werd het schip ook nog door de bliksem getroffen.De Oranje Nassau was de laatste Middelharnisse vissloep.
1912: de Anna van T. de Braber.
De sloep Anna is in een sneeuwstorm uit het zuidoosten vergaan. Vermoedelijk door een aanvaring. Dit is de laatste sloep die uit Middelharnis vertrok,
die vergaan is.
1820: Jacob Bree verliest zijn bemanning
Omstreeks 1820 verloor schipper Jacob Bree al zijn volk, behalve een jongen, door het breken van een schoot van het grote zeil. Wat er precies gebeurd is, is niet meer bekend. Hij heeft toen zijn schip binnen weten te brengen in het Nieuwe Diep van Terschelling. Het hele dorp liep uit toen deze man met de overgebleven jongen thuis kwam. Elf vissers verloren het leven.
1876: 3 man overboord geslagen.
Schipper Jan de Korte, matroos Hendrik de Pree en de jongen Cornelis de Braber door een zware zee overboord geslagen. Men had zojuist een zware storm doorstaan en omdat de windkracht iets verminderde hoopten allen dat het grootst gevaar geweken was. Bij stormweer was er zo min mogelijk volk aan het dek, alleen de twee mannen van de wacht. De anderen zaten 'gewapend' (met laarzen en oliegoed aan) in het voorlogies klaar om op het eerste waarschuwingsgeroep van de wacht naar het dek te snellen. Alleen de schipper ging of was aan het dek als hij het nodig vond en deed vaak meer wacht dan de matrozen. Een noodkreet van de wacht: 'Boven voor een schip!' Iedereen naar het dek toen een zware zee bij het voorschip oprees en over kwam. De uitwerking was verschrikkelijk. Vier man, waaronder de schipper spoelden over boord en werden niet meer gezien, behalve een matroos die een afhangend touw gegrepen had. Met moeite werd hij aan boord getrokken. Een andere matroos zat tussen de stukken van de stukgeslagen scheepsboot bekneld. De mensen die zich op het achterdek bevonden hadden van de overkomende zee niet de minste last.
1882: 2 man overboord geslagen.
Matroos J. Hollaar bij schipper L. Koster bij zeer ruw weer over boord geslagen. De jongen Jeroen Langbroek op de sloep de Waakzaamheid van schipper Jac. v.d. Hoek bij het neerhalen van de stagvak over boord geslagen.
1884: 1 man overboord geslagen.
Matroos Paulus Groen kreeg bij het overslaan van het grootzeil, door het breken van een schootblok een klap van de schoot en sloeg over boord. Sloep Adriana-Lumina, schipper Joh. de Korte.
1886: 2 jongens verdrinken.
De jongens Van der Valk en Vermaas verdrinken tegelijk bij het uitzetten van de scheepsboot voor de haven van Middelharnis. Sloep de Twee Cornelissen van schipper Maarten Langbroek.
1887: de laatste reis
De 'ouwenman' Laurens van der Put werd bij het lensen (voor de wind varen) over de bank 'Het Water' door een van achter komende zee over boord gegooid. Na 50 jaar gevaren te hebben dacht deze man dat het zijn laatste reis was en niet meer naar zee te gaan. Dat was op de Hoop van Zegen van schipper Jan Koster.
1894: 3 ongelukken
De matroos Aren Springvloed overboord geslagen bij een stortzee tijdens het reven der zeilen. Sloep Pionier, schipper Leendert van der Valk.
De matroos Paulus Groen kreeg bij het overslaan van het grootzeil, door het breken van een schootblok, een klap van de schoot en sloeg over boord. Sloep Adriana Lumina, schipper Joh. de Korte.
De matroos Pieter Faasse valt bij het uitdraaien van het achterlicht overboord. sloep de Toekomst, schipper J. v.d. Hoek.
1899: 1 ongeluk
De matroos Maarten van Gelder valt bij het overslaan van het zeil overboord. Sloep Nijverheid, schipper Gerrit Langbroek.
1910: 1 ongeluk
de jongen A. van Dijk valt bij goed weer overboord. Schipper C. v.d. Hoek, sloep Vertrouwen.
1916: doodgeschoten
J. Smit en G. van Gelder zijn door Duitsers doodgeschoten. Zij waren beide op een zeiltrawler toen er een onderzee‰r bij hen boven kwam. Deze hees het sein: 'verlaat uw schip'. Dadelijk werd er begonnen met de boot uit te zetten. Dit gebeurde naar de zin van de Duitsers niet vlug genoeg. De Duitsers begonnen op de weerloze bemanning van een neutraal schip, die niets anders deed dan de visserij beoefenen, te schieten.
1916: 2 man overboord geslagen
De matrozen Krijn Viskil en Casper bon Johanij worden door een stortzee tegelijk overboord gegooid bij het overzetten van de zeilen. Dit karwei is bij stormweer zeer gevaarlijk, waarbij vaak ongelukken gebeuren. Dit gebeurde omdat men niet meer 'door de wind' kon steken maar 'voor de wind' rond moest. De zeilen slaan dan met geweldige kracht 'over'.
Over het algemeen was de bemanning nogal zorgeloos met het nemen van beschermende en beveiligde voorzorgsmaatregelen. Men vertrouwde meer op de ervaring en de routine dan op voorgeschreven maatregelen. Zo waren er wel zwemvesten verstrekt, maar men hechtte niet veel waarde aan deze reddingsgordels. Deze vesten moest men in de kooi bij de hand hebben en bij stormweer aantrekken. Maar er werden nooit orders gegeven om ze aan te trekken. Wel gebruikte men ze als speelgoed bij het zwemmen in de haven. Er was een reddingssloep aan boord, een 'jolle'. Deze boot moest in de kortst mogelijke tijd te water gelaten kunnen worden in geval van nood. Maar al te vaak stond de jolle zo stevig aan het dek vastgesjord dat als de nood aan de man kwam, het schip al drie keer gezonken had kunnen zijn, eer de jolle los was. Deze werd ook gebruikt voor magazijn.
Na het vergaan van de sloep Luctor et Emergo gingen er geruchten lopen, dat de schepen niet altijd van goede kwaliteit waren. Aan boord van de Luctor moest altijd veel gepompt worden, met handpompen haalde men veel kielwater naar boven. De jongens van de middenwacht moesten zorgen dat het schip 'droog' bleef. De gammele bodem van de Luctor liet nogal wat zeewater door. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek voor de Scheepvaartraad, die de geruchten ontzenuwde.