1828: overschakeling op sloepschepen
In 1795 waren in Middelharnis 32 gaffelschepen. In 1804 nog 27, maar na de Frans/Engelse Oorlog was de vloot met de helft verminderd. In 1823 nog maar 12 en in 1829 werd de laatste gaffelschuit op de scheepswerf gesloopt. Men was overgegaan op een moderner scheepstype, de chaloupe. In 1817 was te Vlaardingen de eerste sloep gebouwd. De aanbouw van chaloupschepen werd aangemoedigd door de regering met een premie van f. 250,--, mits hiermee onafgebroken van 15 nov tot 14 febr. de beug- of hoekwantvisserij uitgeoefend werd. De premie werd in 1857 opgeheven. In 1828 wordt voor rekening van fa Slis een chaloupe gebouwd. De sloepen waren langer dan de gaffelschuiten, die een lengte hadden van maximaal 12 meter. De sloepen waren wel meer dan 20 meter lang. Men is overgegaan naar de zeevisserij op Doggersbank en de visgronden ten noorden ervan. In 1843 waren er 16 sloepen en nog maar 3 hoekerschepen in Middelharnis. De sloepen winnen het van de oude hoekerschepen in bruikbaarheid. De zeewaardigheid en de snelheid was veel groter en de opbrengst aan vangst was 10-40% hoger dan met de vroegere hoekschepen. De sloep was speciaal voor de vangst van kabeljauw en schelvis. Omdat deze vis levend op de vismarkt aangevoerd moet worden, hadden de vissloepen een visbun. Dat was midden in het schip een speciale ruimte, waarin getracht werd de gewonde vissen levend te houden. Levende kabeljauwen brachten gemiddeld f 1,50 per stuk op. Een ton met 300 gezouten schelvissen had een handelswaarde van f.8,--. Levend of in ijs op de markt gebracht een handelswaarde van f. 90,--.
de familie Slis
De naam P.L. Slis komt voor het eerst voor in 1834. Hij pacht voor de som van 6690 gulden en 20 stuivers de visafslag. Hij betaalt bijna het dubbele als zijn voorganger W.L. Veerman. De familie Slis was gefortuneerd. Ze exploiteerden een korenmolen. Molenaar was vroeger een zeer gewaardeerd beroep, dat financieel behoorlijk lag. De familie verkocht de molen en heeft toen een gedeelte van dat geld gebruikt om een rederij te stichten. Omdat P.L. Slis uitstekend de belangen van de visafslag behartigde, kreeg de gemeente nog belangrijke sommen. Tijdens de franse tijd had J. Slis kennis genomen van de veel betere vis- en zeewaardigheidseigenschappen van franse chaloupes. Hij besteedde een behoorlijk bedrag aan de importatie
van zulk een schip. In 1828 wordt een chaloupe gebouwd voor J. Slis en in 1871 en 1877 nog eens voor deze reder. In 1886 laat de firma Slis opnieuw een schip op de werf bouwen. Een schip kostte nieuw f. 25000,--. Later zelfs f. 30000,-- In de moeilijke crisisjaren van 1850 tot 1900 hebben elk van de reders voor f.300.000,-- in nieuw materiaal gestoken. Ze gaven aan 286 mensen direct werk. Daarbij kwam nog werk voor touwslager, kuiper, zeilmakers,
de smeden, enz.
de firma Kolff
In de lange rij pachters van de visafslag komen we in 1749 voor het eerst tegen Gualths Kolff. Men kon alleen pachter worden van de visafslag als men gefortuneerd genoeg geacht kon worden om die functie uit te oefenen. De pachter was verplicht de vissers direct de opbrengst van de verkochte vis uit te betalen, maar moest dan zien, dat hij zijn geld, plus onkosten terug ontving van de opkopers. Er was dus in zekere zin een flink bedrag aan baar geld nodig om pachter van de afslag te kunnen zijn. Op de Voorstraat staat een huis, waar een druiventros met het jaartal 1768 op staat, het huis en pakhuis van de reder Cor Kolff. Ze hebben herhaaldelijk de afslag gehuurd, maar naast hun bemoeienissen met de visserij waren ze ook wijnkopers. Kolff
klaagde nog al eens dat hij als reder niets verdiende. Vooral de jaren 1850-1900 zijn slecht geweest.
de wijnhandel van Kolff
Bij wijn kopen was veel vakkennis vereist. Als een fust wijn na een lange reis uit Frankrijk kwam, dan moest de wijn in het vat blijven rusten. Na 2 maanden moest het overgepakt worden in flessen, die uitgezwaveld waren. Het overhevelen was een vak apart. Heel voorzichtig werd in het spongat een koperen kraan geschroefd - de eerste wijn was niet bruikbaar, maar alles moest in één ruk gebotteld worden. Er volgde weer een periode van de wijn laten rusten, van etiquetten voorzien en verkopen. Adrianus Quirinus Kolff is bij de oprichting van het Nut v.'t Algemeen penningmeester en wordt beschreven dat hij model is geweest voor een accurate en keurige boekhouding. De firma Kolff, die ook reders waren hadden de gewoonte dat elke sloep, die uitvoer, jenever mee kreeg. Als aan het Vingerling een vat jenever bij de sloep, die naar zeer zou gaan, aankwam, dan stonden de matrozen al klaar met hun flessen. Heel nauwkeurig was vastgesteld, hoeveel flessen ieder kreeg. Hij bewaarde dat in zijn eigen kooi en hij mocht pas een glaasje nemen als de schipper het verlossende woord ervoor sprak. Het was een vaste gewoonte om dat te doen op de zondagmorgen na de kerkdienst aan boord. De kleine kofjekokers kregen natuurlijk geen fles jenever. Die mochten het lege vat terugbrengen naar het pakhuis van de firma aan de oostelijke Achterweg.
1829: visserij op IJsland
Van 1829 tot 1833 werden er proefvaarten met visserij op IJsland gedaan. De kabeljauwvangst op IJsland voldeed niet. Vanaf 1834 ging het beter met haringvangst. In deze tijd deed de haven het niet zo best. Voor de havenmond was er een 'verdroging' Nu Middelharnis de afslag van Hellevoetsluis niet meer gepacht had, gingen de vissers van Vlaardingen, Pernis, enz. daar markten. Er volgde een nieuw proces voor de Hoge Raad. Deze bekeek het probleem heel anders, ontkende dat de jurisdictie van Middelharnis ging tot aan het Goereese Gat en dat betekende dat het met de visafslag gedaan was. Blijkbaar hadden de reders de bui al zien aankomen en was de visserij al omgezwaaid van de vroeger lucratieve kustvisserij op bot, schol, tong, enz op kabeljauw en schelvis.
haringvangst
In 1842 werden 3 hoekers aangekocht, speciale haringvaartuigen. Maar voor haring was het dorp niet ingericht, het want moest in Vlaardingen gemaakt en gerepareerd worden. Vlaardingen had ook het haringmonopolie, het was voor Middelharnis verboden om op haring te gaan vissen. Over bleef de visserij op kabeljauw, schelvis, heilbot, makreel, enz. Tot 1878 werd er van oktober- december 'geplompt' op het westelijk deel v.d. Doggersbank (het droge zand). Daarna 'gebeugd'.
de scheepswerf
In 1843 zijn er in de gemeente 2 scheepstimmerwerven, 1 touwslagerij, 2 taanderijen, 1 looyerij, 1 grutterij en 1 korenmolen.
De scheepwerf was er al in de 17de eeuw. Ook de houten sloepen (hoogaarzen) zijn er voor de Middelharnisse reders gebouwd. Op de helling stond een hefboom om de masten uit de sloepen te heffen. De sloepen werden op de werf gedraaid met een kaapstad (windas), in latere jaren met lieren om te worden schoongemaakt. Op het Vingerling heerste tijdens die tijd een kakafonie van allerlei geluiden: kloppen, slaan, geklik-klak van breeuwhamers. De schippers en knechten hielpen zelf mee aan allerlei karwijtjes, zoals teren, masten schrappen, blokken schoonmaken. Later toen de visserij taande, diende de werf alleen nog maar voor reparatie. Tenslotte werd deze een kolenbergplaats. Nu de haven een moderne jachthaven is geworden heeft is er weer een helling aangebracht voor reparaties aan plezierjachten. In de winter worden er ook jachten geborgen.
1842: België: invoerrechten
Ook de winter visserij gaf weinig voordeel. De vis ging hoofdzakelijk naar België, maar na de afscheiding hief België zware invoerrechten op zeevis, zodat de inkomsten van de vissers sterk verminderden. De Belgen wilden vanuit Antwerpen een beugvisserij oprichten, wat ook enige jaren gelukt is. Vele Middelharnisse vissers hebben van Antwerpen gevaren, omdat België geen geschoold volk had, met de beug bekend. De reders stelden vele pogingen in het werk om de visserij in stand te houden. In 1834 rusten zij een sloep uit ter haringvisserij. Toen deze visserij enig baat gaf werden in 1842 drie hoekers aangekocht. Hoekers waren speciale haringvisser vaartuigen, varende van Vlaardingen en Maassluis. Deze visserij op haring heeft tot 1872 geduurd. In 1872 verloor schipper A. Jongejan zijn hele haringvleet en is de haringvisserij voor 30 jaar gestaakt. De visserij op zoutevis werd meer lonender en het dorp was voor de haringvisserij niet ingericht. Het haringwant moest in Vlaardingen gemaakt en hersteld worden. Ook visten de vissers liever met de beug als met de haringvleet. Van 1829 tot 1883 is een proef genomen met de visserij op de IJslandse kust, maar door ongunstige resultaten gestaakt. Omstreeks 1845 is de eens zo bloeiende tarbotvisserij voor goed gestaakt.
1845: einde tarbotvisserij
De tarbotvangsten gingen na 1830 voortdurend achteruit, zodat in 1840 de voordelen hiervan heel gering werden. Wilde men de visserij in stand houden, dan moest men naar iets anders uitzien. De sloepen gingen nu 's-zomers vissen om kabeljauw, die in tonnen gezouten, als z.g. zoute vis werd aangebracht. Men deed dan 2 lange reizen, één van begin Mei tot begin Juli en één van half Juli tot eind September. Men viste dan zo lang tot men het meegenomen zout 'verzout' had. Gemiddeld brachten deze twee reizen 240-260 tonnen gezouten kabeljauw van uitstekende kwaliteit op. Maar de resultaten van deze zomervisserij waren zeer matig, omdat door de grote aanvoer de prijzen heel laag waren. Soms zo laag dat er na aftrek van de onkosten, voor reder en bemanning weinig te verdelen overbleef. Kabeljauw was toen op de Doggersbank en omgeving zo overvloedig te vangen, dan men het meegenomen zout, alleen voor deze vis gebruikte, en alle andere vissoorten, die aan de beug gevangen werd, weer in zee wierp. Een ton schelvis voor elk der opvarenden was al wat men verder 'inzoutte'. De heilbot werd gedroogd in het want en onder de opvarenden verdeeld. Gedroogde heilbot was heel smakelijk en werd vaak voor goede prijs verkocht aan de 'Aaijen en Kezen', zo noemde men te Middelharnis de van andere plaatsen komende vlasplukkers, die zeer op deze delicatesse verlekkerd waren. Bij de kabeljauw-visserij in de zomer was het vistuig de 'kol'. Het kollen lijkt op plompen, maar het vistuig is zwaarder en heeft maar één hoek. Ook ligt men niet ten anker, maar drijft het vaartuig achter een z.g. waterzeil. Dit waterzeil dient om bij bries het afdrijven tegen te gaan, waardoor langer kan worden gevist. Bij de koopvaardij heet een waterzeil een drijfanker. Tot 1881 is de kolvisserij in stand gebleven en toen vervangen door de beug.
1845/1846: de hongerwinter
Een rampjaar voor de gehele bevolking. Voor de vissers waren de vangsten bijzonder gering, omdat de export bemoeilijkt werd door de hoge invoerrechten die Belgie eiste. De akkerbouw was een misère omdat de aardappelen door ziekte waren aangetast, zodat de hele oogst verloren ging, waardoor grote werkloosheid heerste. Bovendien konden vrouwen en kinderen niet de gebruikelijke wintervoorraad aanleggen, door het lezen (rapen) van aardappelen, zoals jaarlijks na het rooien gebeurde. De honger werd bestreden door van gemeentewege voedsel uit te delen. Men organiseerde een loterij van door vrouwen gemaakte handwerken. Bovendien kon de bevolking inschrijven op een geldlening die het voor die tijd enorme bedrag van f.15.500 opleverde.
'Door de hooge belasting die in Belgie, op de versce vissch uit Holland komende wordt geheven, is de visscherij dezer gemeente, die weleer den voornaamsten tak van bestaan dezer gemeente uitmaakte, thans in eenen zeer kwijnenden en gedrukten toestand, zulks is voor de inkomsten dezer gemeente en voor het bestaan van het grootst gedeelte der ingezetenen eene ramp te noemen, en het is te vreezen, dat indien hierin geene verandering
komt onze visscherij binnen weinig tijds geheel zal vervallen hetwelk den ondergang van alle welvaart, die deze gemeente vroeger genoot zoude tengevolge hebben'. In 1846 mislukt opnieuw de aardappeloogst en om massale werkeloosheid en verarming van de bevolking tegen te gaan werd een 'Commissie ter verschaffing van werk en het verlenen van onderstand aan behoeftige ingezetenen' opgericht. De mannen van Middelharnis werden belast met het schoonmaken en uitdiepen van de 'brandvate' aan de Westelijke Achterweg, de Westerse Spui, daarna de Oosterse Spui en tenslotte de kerkgracht. Hiervoor schafte de gemeente verscheidene 'schuijerwagens', planken en gereedschappen aan. Het daggeld van een vol arbeider bedroeg f. 0,70. In de grote Oostersche Spui werd gewerkt in verschillende ploegen, die onder toezicht van zogenaamde putbazen stonden. De vrijgekomen specie werd van de grofste steen en puin gezuiverd door de zwakste personen en werd publiekelijk verkocht. De ouden van dagen, weduwen en kinderen konden gaan werken in de door het Nut van 't Algemeen opgerichte, touwpluizerijen in Sommelsdijk. Maar alleen aan werk had men niets. Er moest brood op de plank komen en het tekort aan brandstoffen moest worden aangevuld. Zo kocht de commissie in het groot etenswaren in, die goedkoper aan de mensen werden aangeboden. Het voedsel en de brandstoffen waren op de bon. Door tussenkomst van de reeds bestaande Commissie van Spijsverdeling werd besloten om de vissersklasse twee maal per week warme spijs uit te reiken. De vissers waren namelijk extra zwaar getroffen en voor hen was vaak niet voldoende werk aan de wal voorhanden. De groep behoeftige vissers werd geraamd op 150 personen. Als brandstof was er turf te koop. Tijdens de periode oktober 1845 tot maart 1846 zijn ruim 200 mannen werkzaam geweest met het uitbaggeren van de spuien, de brandvaten en de kerkgracht. Vol goede moed hervatte men daarna zijn eigenlijke werkzaamheden, maar de armoede was nog lang niet voorbij, want de aardappel-
oogst midlukte opnieuw en de prijs van de vis bleef te laag, zodat er een nieuwe hongerwinter voor de deur stond. Door de stijgende prijzen nam de armoede en de achteruitgang van de visserij van jaar tot jaar toe. Er was sprake van het op grote schaal stelen van hout en aardappelen bij de boeren. De Armbesturen zorgden voor de bedeling van spijs en kleding. Het Diaconaal Armbestuur bepaalde eigenhandig dat m.i.v. 1 januari 1845 alleen die armen, welke lidmaten van de Nederlands Hervormde Gemeente waren, tegemoet te komen. De overigen werden aan hun lot overgelaten. Zelfs alle eigendommen en goederen van de armen werden ingenomen. Het gemeentebestuur stelde hierna een nieuw armbestuur in om in de behoefte te voorzien. Er waren bovendien nog enkele andere armbesturen aktief, nl. R.K. Armbestuur, Israëlisch Armbestuur en het bestuur of regenten van het weeshuis (Grooten Armen). Deze armbesturen konden de aanvragen nauwelijks aan en er werd dan ook bij de gemeente en hogere instanties om geld en goederen gevraagd. Naast de armoede stierven in de maanden september en oktober 1846 vele mensen aan heersende koortsen. In 1849 stierven binnen drie maanden 122 mensen aan Aziatische braakloop. In september en oktober 1855 stierven 30 en in 1866 93 personen aan Cholera, enz. Het inwonertal in 1843 was 3118.
1856: de visafslag wordt afgeschaft.
De vissers van Zwartewaal, Hoogvliet en Pernis hadden de gemeente Middelharnis een proces aangedaan dat de gedwongen visafslag onrechtmatig was en Middelharnis verloor dit proces. Er breekt nu een heel moeilijke periode voor de visserij aan. De visserij op kabeljauw en schelvis is nog nooit zo ongunstig geweest als in deze tijd. De meeste vissers keren, na een paar dagen in zee te zijn geweest, zonder enige vangst terug.
1865: de nieuwe havensluis
In 1835 was er in Middelharnis één kielschip en de andere chaloupes waren platboomsloepen. De haven was immers een getijhaven. Dat betekende dat de sloepen met laag water met hun romp op de bodem van de haven, op de modder of de bank bleven rusten. Voor een schip is dat niet zo bevorderlijk. De romp is zwaar, de masten en al wat aan boord is hebben een groot gewicht en als de ballast nog aan boord is, drukt dit allemaal mee. Het enige kielschip moest een plaats krijgen, waar het bij laag water niet om kon vallen, ook al bleef het niet vlot. Een belangrijke verbetering was, dat in 1865 de haven door een grote sluis met sluisdeuren van het Haringvliet afgesloten kon worden. Men kon het water in de haven hoog blijven houden. De rederij P.L. Slis liet daarom al in 1874 een sloep bouwen van ruim 20 meter lengte. De sloepen, die toen gebouwd konden worden hadden een grotere diepgang dan de oude schepen.
1875: de Visserstraat
De woonomstandigheden in Middelharnis in de 19de eeuw waren slecht en de vissersgezinnen waren groot. Omstreeks 1875 is de Visserstraat aangelegd door de heer Kolff. Er stonden totaal 56 huisjes. Ze werden ook wel 'de nieuwe huusjes' genoemd. Deze arbeiderswoningen waren een grote verbetering omdat ze een tweede kamertje kregen, een zgn. 'luzze' (keuken). Aan de Verlengde Visserstraat stonden tien huisjes, die iets groter waren. De verlengde Visserstraat heette 'het straetje van Slis'. Na de ramp in 1953 werd de Visserstraat afgebroken. Er waren nog wel meer van zulke kleine woningen in de buurt. Zo stonden er achter het Spui op het zgn 'Nieuwdorp' nog 22 huisjes, met twee binnenplaatsjes 'de Plaetse' en 'de Doofpot'. Verder was er nog 'de Brandsteeg'.
1876: de haven van IJmuiden wordt geopend
Toen in het jaar 1875 het gebruik van ijs in zwang kwam, was dit voor de visserij van grote betekenis. De reizen konden nu veel langer worden gemaakt, omdat de dode vis langer kon worden bewaard. Het maken van langere reizen was dan ook noodzaak, daar men door de steeds schraler wordende vangsten, steeds Noordelijker moest gaan vissen. Trof men bij het 'thuiszeilen' tegenwind dan kon het wel 3-4 dagen duren voor men 'binnen' was. Vooral met de ouderwetse sloepen, die maar middelmatige zeilers waren. Het varen op de 'Goeree' minderde meer en meer door de verre afstand van de visgronden. Veel werd er gemarkt te Nieuwendiep, waar tal van jaren een bloeiende vishandel gevestigd was. Wanneer bij vriezend weer de zee-
gaten door het drijfijs versperd waren, markte men wel te Egmond aan Zee. Men ankerde dan onder de wal, en de bomschuiten kwamen dan de vangst overnemen. Ook te Scheveningen is de vis wel verkocht. In 1879 kwam een visser in 7 weken niet thuis, omdat het ijs op het Haringvliet dit niet toeliet. In 1876 werd de haven van IJmuiden geopend en weldra begon deze plaats als centrum van de vishandel te bloeien en verdween de aanvoer op andere plaatsen bijna geheel. Ook in Middelharnis hield de aanvoer van verse vis geheel op. De laatste aanvoer van verse vis heeft plaats gehad in het voorjaar van 1892. De sloepen kwamen de gehele winter niet meer in de haven. Om de drie reizen kwamen de vissers nog met spoor en boot naar huis voor 4 à 5 dagen. Alleen bij het klaarmaken voor de zomer- of wintervisserij werd het weer levendig op het Vingerling, want dan lagen de sloepen weer aan de kant.
1893: 1 reis i.p.v. 2 reizen 'ter zoute'
Langzamerhand verminderde de kabeljauw visserij in betekenis. De zware bevissing van de steeds groter wordende stoomtrawlervloten was zeer schadelijk voor de visstand op de Noordzee, waardoor deze al kleiner en kleiner werd. Wordt er aan de beug alleen maar grote en halfvolwassen vis gevangen, het zware trawlnet, met kracht over de zeebodem gesleept, schept alles op wat op deze bodem leeft, dus ook waardloze jonge en zeer jonge vis. Elke keer als het net opgehaald wordt en de marktwaardige vis is uitgezocht, schiet er een groot deel van de vangst over die onverkoopbaar is, door de kleine afmeting van de vissen, die dan - meestal dood - weer overboord wordt geworpen. Het 'zaad' van de zee krijgt geen gelegenheid om te
groeien en deel te nemen aan de voortplanting. De vangsten werden elk jaar kleiner, vooral voor de beugvissers. In 1893 gingen de sloepen in plaats van 2 reizen, 1 reis doen 'ter zoute'. Deze reis duurde dan 13 à 14 weken. De langste reis duurde 15 weken en 3 dagen. De laatste plaats waar nog kabeljauw te vangen was, was 'de scherpte', een visgrond even bezuiden de mond van het 'Skagerak', 70 engelse mijlen van de Deense kust. De zeebodem lag daar bezaaid met grote en kleine stenen, zodat de stoomtrawlers er moeilijk konden vissen, omdat hun netten daar 'vastliepen' en scheurden. Later zijn deze netten voorzien van een uitvinding, waardoor er wél in de stenen kon worden gevist. Met deze laatste wijkplaats waar de beugers van Middelharnis, Pernis en Zwartewaal nog lonend vissen konden, was het spoedig gedaan en was het einde van de zoute visvangst gekomen. Van jaar tot jaar werden de vangsten kleiner, en toch hielden reders en vissers vol, steeds nog in de hoop, dat het nog beter gaan zou, net zo lang tot er bijna niets meer was te vangen.
1893: de vangsten worden minder
Men voelde in Middelharnis niets voor modernisering. Men bleef met de beug vissen en kwam als markt excentrisch te liggen. De vangst van 21 sloepen in het jaar 1893/1894: 300.000 stuks schelvis, 11.000 stuks kabeljauw, 1200 stuks leng (een soort kabeljauw), 470 puntmanden rog, 225 manden vleet, 2200 tonnen zoute vis, 300 tonnen leng, 600 tonnen schelvis. De bruto opbrengst bedroeg f. 232.200, maar dat was weer minder dan in het voorgaande jaar, want toen was de opbrengst f. 259.000.
1900: de lijnbaan
Het fraaie monumentale huis met schuur van d'n baes van de liembaene' tegenover de openbare school werd helaas afgebroken. Rondom 1900 was 'de liembaene' nog in tact. Hier werd touwwerk voor de sloepen vervaardigd. Er was veel touwwerk nodig, want er voeren toen nog twintig sloepen en nog veel binnenschepen. Het was nog allemaal handwerk, precies nog uit de tijd van Michiel de Ruijter. Twee draaimolens stonden aan het begin, met een groot wiel met haakjes aan houten velgen, waaraan de hennep werd bevestigd, die met een grote bos om het lijf van de touwslagers bevestigd was, en al achteruitlopend tot touwwerk werd ineengedraaid, terwijl het rad door een jongen werd rondgedraaid. Alle soorten touw werden gemaakt, vislijnen voor de beugsloepen, dikke en dunne kabels, enz. voor alle doeleinden. Het personeel bestond uit 5 à 6 mannen, het loon was 5 à 6 gulden per week voor de mannen en 2 kwartjes per dag voor de jongens die het rad moesten draaien. In de diepte bij het Zandpad lag de lijnbaan, door een heggetje gescheiden van het 'laege pad'. De lijnbaan was ongeveer 8 meter breed, verhard met koolas en aan weerszijden geflankeerd door een rij zogenaamde 'kopbomen'. Tussen de bomen waren over de weg draden gespannen om het in elkaar draaien van het touw te vergemakkelijken. Bij de lijnbaan was altijd wel iets te zien en te beleven. Zo stond de jeugd vaak op het Zandpad te kijken hoe de touwdraaier (meestal een jongen) de haakjes, die bevestigd waren aan het grote wiel, vliegensvlug liet draaien. Om die haakjes was de hennep geslagen. Met een bundel hennep om hun middel gebonden sloften de liembaenders' al maar achteruit en achteruit. Het touw werd steeds langer en op kunstige wijze in elkaar gedraaid. Men 'sloeg' bendel en sneutjes, baaklijnen en dikke touwen, waaraan de sloepen gemeerd werden. Niet alleen omdat de visserij naar andere visserij-plaatsen werd verplaatst, maar ook doordat het touwwerk op modernere wijze werd geproduceerd, is de lijnbaan in verval geraakt.
1902: opnieuw de haringvisserij
In 1902 werd de haringvisserij weer opgevat. De reder Kolff kocht van Vlaardingen een grote ijzeren beugsloep aan, ingericht voor de haringvisserij. Schipper daarop was M. den Braber. Deze opnieuw opgevatte haringvisserij heeft geduurd tot de zomer van 1914 tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog. In 1911 liet Kolff nog een nieuwe haringsloep bouwen, de 'Oranje Nassau' en rederij Slis de 'Albatros' met Joh. de Waard als schipper. de rederij Kolff liet ook nog een houten beugsloep, de 'Eben Haëzer' verbouwen voor de haringvisserij. Van 1902-1914 waren 1 tot 4 haringschepen in de vaart.
de tocht naar IJsland
Op 2 april 1902, na beëindiging van de versevisvaart op de Noordzee, vertrokken twee sloepen naar de IJslandse wateren om daar de zoutevisvaart te proberen. Op 21 juni kwamen zij terug met een teleurstellende vangst van totaal 192 tonnen grote en kleine zoutevis (kabeljauw), 40 tonnen schelvis, 12 tonnen heilbot en 9 tonnen leng. Deze vangst bracht op de afslag te Vlaardingen voor beide sloepen f.5300,-- op en leverde verlies. De proefneming met de verre visserij werd dan ook niet herhaald. Op een van de sloepen, de Johanna Henrika met schipper Leen Koster, voer matroos
Barend Faasse, die een rijmbeschrijving in 45 coupletten heeft gemaakt naar aanleiding van deze reis. Barend was een van vijf broers die als visser voeren, omdat een landarbeider, zoals zijn vader was, evenmin een rijk bestaan had. De broers monsterden als koffiekoker en klommen op tot matroos. Barend trouwde met Jannetje Koster en vestigde zich in de Visserstraat G123. Het gezin verhuisde in 1913 uit nood naar de snel groeiende havenstad Rotterdam en Barend vond werk als los havenarbeider, fabrieksarbeider in de scheepsbouw en sinds 1920 als zelfstandig vishandelaar tot 1938, toen hij 68 jaar was. Zijn vrouw kreeg 12 kinderen. Hij overleed in 1963, 93 jaar oud. De verre reis naar IJsland inspireerde hem tot een lang gedicht van 45
strofen, het is een ongekunsteld en authentiek reisverslag. De reis duurde 14 weken, was rijk aan koude, storm, gevaar en ontbering, maar niet aan verdienste.
de verdiensten van de vissers
De besommingen werden steeds kleiner en wisselvalliger en daarmee de verdiensten. Wanneer een matroos 400 gulden per jaar verdiende had hij een goed jaar gehad. De vissersgezinnen leefden aan de bestaansgrens. In 1900 woonde 16% van hen in een eenkamerwoning van zeer slechte kwaliteit, waarvan de huurwaarde liep van 45 cent tot f.1,15 per week. De salariëring van de bemanning was eigenaardig en onvoldoende. De schepen kregen een slechte naam. Een weduwe ontving 1 gulden per week pensioen en 15 cent voor elk kind. Wanneer men dan hoorde, dat in Vlaardingen de vissers een vast weekloon beurden van f.15,-- en dat op de IJslandvaart nog meer kon worden verdiend, omdat de opvarenden in het genot werden gesteld van de levers der gevangen vissen, die zij zelf konden verkopen dan werd het wegtrekken alleszins verklaarbaar. De reders gingen tenslotte wel over tot een verbetering van de gage, maar toen waren de beste vissers reeds vertrokken. De toekomst van oudere vissers was ook buitengewoon donker. Weinigen kregen een pensioen van f.1,-- per week, een bedrag dat ook werd uitgekeerd aan weduwen van verdronken vissers. Wanneer zij met jonge kinderen bleef zitten ontving zij voor degenen, die jonger dan 15 jaar waren nog 25 cent per week. Deze mensen waren aangewezen op de diakonie. De reders zaten ook moeilijk, want de beste kabeljauwsnijders verdwenen en er waren momenten, dat zij geen volk konden krijgen en de sloepen gedwongen waren niet uit te varen. Moderniseren van de vloot was te kostbaar en zo ging men er toe over de sloepen te verkopen.
1894-1913: de uittocht van vissers
De concurrentie van de treilvisserij met stoomschepen luidde het einde van de beugvisserij in. In toenemende mate losten de sloepen hun vangsten te Nieuwendiep bij Den Helder en te IJmuiden en werden soms vandaar ook uitgerust. In 1900 waren in het schepenregister in Middelharnis nog slechts 16 sloepen ingeschreven.
Na 1912 was er weinig ambitie meer bij de visserij. De visserij van Middelharnis kon het ook niet meer blijven bolwerken. Het duurde te lang voor men van Middelharnis op de visgronden was. Elke dag varen is een dag-inkomenverlies. De vissers maakten meest korte reizen van 12-14 dagen. Ze rekenden op 2 dagen heen en 2 dagen terug. Zomers werd er weinig verdiend. Bij het afrekenen gebeurde het wel dat er meer schuld was dan verdienste. Als regel ontvingen de gehuurde vissers, zolang de sloep op zee was f.3,-- per week uitbetaald per gezin plus f.20,-- voorschot bij vertrek
om noodzakelijke uitgaven te doen (oliegoed, laarzen). Dan moest er bij de wintervaart, als de verdiensten redelijk waren, de schuld die nog openstond worden afgelost. Redenen waarom vele vissers monsterden op de haringloggers uit Vlaardingen en Maassluis.
Van 1890 tot 1920 worden er 392 vissers vermeld en 7 zeilmakers. In deze periode stierven 86 vissers (38 verdronken) en trokken er 162 weg. Deze verhuisden naar Rotterdam (80), Velsen (35), Vlaardingen (13), Maassluis (9) en de overigen naar verschillende gemeenten. Groot was het vertrek in
de jaren 1894 (13), 1899 (14), 1910 (11), 1912 (14) en 1913 (16). In Middelharnis bleven 144 vissers wonen, maar van hen koos een aantal een ander beroep en waren er 86 ouder dan 46 jaar. Velen van deze laatste groep woonden wel in Middelharnis, maar stonden in dienst van reders in Vlaardingen en andere vissersplaatsen. Middelharnis werd een stille gemeente.
1913: laatste zoutreis.
Als gevolg van de ge‹soleerde ligging van Middelharnis brachten de vissers de verse vis steeds meer naar Nieuwediep en later naar IJmuiden. Het werd min of meer traditie, dat van de drie uitgevoerde reizen er slechts één was, die naar Middelharnis ging. Dit waren de eerste aankondigingen van het verval van de visserij. In 1913 ving Leendert Koster 14 ton kabeljauw in een reis van 12 weken. De sloepen van de zeer verminderde vloot gingen toen het gehele jaar 'ter verse' varen, wat in de eerste jaren nog enig resultaat opleverde. Dat was de laatste zoutreis.
1914: de visserij in oorlogstijd
De nederlandse vissers gingen in het najaar van 1914 weer vissen in de veronderstelling dat Nederland neutraal was en niets te maken had met de geallieerden of Duitsland. De waarheid zou wel anders blijken. De vriendschap van Engeland naar Nederland bekoelde snel. Duitsland kon nog levensmiddelen in Nederland kopen. Engeland liet weten dat de hele Noordzee gevaarlijk gebied was voor neutrale schepen. De Duitsers hadden een gedeelte van de Noordzee als hun gebied verklaard. Daar mocht geen enkel schip binnen. De Engelsen ook een gedeelte als hun gebied verklaard en er grote mijnenvelden aangelegd. Er was een smalle geul die van Hoek van Holland en IJmuiden naar de visgronden ging. Was het zicht op zee heiïg, dan voer je soms per ongeluk het Duitse of Engelse gebied binnen. Vooral bij het laveren, dus zig-zaggend varen was erg lastig. Duitse duikboten lagen geregeld op de loer om een nederlandse logger voor die overtreding te straffen, de bemanning kreeg de onherroepelijke aanzegging in de boten te gaan, de logger werd in de grond geschoten. Dan moest de bemanning in de sloep, met zijn dertienen zaten ze in een bootje van 5 à 6 meter, en moesten maar hopen de kust te bereiken of opgepikt te worden door een andere vislogger, die naar huis voer. Genade was er niet bij, of er storm op til was, of dat het vroor, men had de denkbeeldige grens geschonden en de straf daarop werd voltrokken. Zo verdronken vele vissers of bevroren van de kou. De Engelsen brachten de loggers op, ze werden tenminste niet in de grond geboord, alleen verbeurd verklaard en de bemanning geinterneerd. Om het varen en vissen nog moeilijker te maken hebben Duitsers en Engelsen drijvende mijnen in zee gegooid waardoor verschillende vissersschepen in de lucht vlogen. Ook vissers uit Middelharnis, die op Maassluisse loggers of Vlaardingse vissersschepen voeren zijn in die jaren omgekomen.
de laatste sloepen
Na de oorlog leefde de visserij buiten Middelharnis erg op, er was vis. De trawlervloten hadden niet kunnen varen en de visstand in de Noordzee was zeer toegenomen. Er was weer overvloedig vis te vangen op plaatsen, die voor de oorlog als 'dood gevist' bekend stonden. Maar enkele jaren na de vrede was de visstand al weer minder geworden door de overbevissing. Schipper de Waard heeft nog twee reizen met zijn ijzeren sloep gemaakt, toen gaf hij het schipperschap over aan Kees Koster, die gedemobiliseerd was en een paar jaren een zeer gelukkig schipper zou zijn - tot de vis opeens niet meer in grote getale op de visgronden te vinden was en hij over zou gaan naar de handelsvloot. Na 1918 ging de beugvisserij zienderogen achteruit, de vangsten werden voortdurend kleiner en dus de besommingen steeds lager. Vooral jonge vissers gingen van IJmuiden op stoom- en zeiltrawlers varen. Na 1918 was er grote vraag naar vrachtschepen door de grote verliezen in de afgelopen oorlog en ieder daarvoor geschikt vaartuig bracht een goede prijs op. De sloepen werden verkocht en de vissers gingen naar Vlaardingen, Maassluis of IJmuiden om zich daar te laten aanmonsteren. De laatste sloep, de 'Oranje Nassau' werd in 1920 naar Belgie verkocht, waar deze nog enkele jaren de visserij heeft uitgeoefend. In 1921 zijn de laatste schepen overgenomen door de firma Klinge en Poortman. De visserij van Middelharnis kwam tot een einde omdat de meeste vis in IJmuiden werd verkocht en ook door de verzanding van de Goereese gronden.
geen sloepen meer
De laatste botter was de MD2 van de gebroeders Groen met 2 palingschuiten. Je zag toen eigenlijk alleen nog de stoomboot van Middelharnis naar Rotterdam. Er kwamen nog wat westlandertjes - kleine vracht-zeilschepen die Flakkeese aardappelen kwamen ophalen voor de voedselvoorziening van Rotterdam. Ook kwamen er de kolenschepen met hun zwarte lading voor de gasfabriek. Zondagmorgen vertrokken de beurtschippers met veel lading voor de steden en vaak eigen handel van landbouwprodukten. Zij kwamen half in de week terug met nieuwe lading voor de kruideniers. In het najaar kwamen de grotere schepen die de suikerbieten kwamen ophalen. Dan was het druk op de mestkaai in Middelharnis. Grote stapels suikerbieten moesten in de schepen ingeladen worden.