H. de Korte Johsz.
foto: Hein de Korte aan het roer van zijn boot(je)
A. Faasse
Arjanus, een Menheersenaer die zelf als jongetje van elf is gaan varen, natuurlijk eerst als koffiekoker en die de hele beugvisserij van haver tot gort kende, en die bovendien ook nog kon schrijven.
Sinds 1961 heeft hij zijn herinneringen aan de visserij en het volksleven van Middelharnis van begin 1900 in feuilletonvorm te boek gesteld in het Eilanden-nieuws. Later verschenen in zijn alom geprezen boek: "Zee en Eiland". "Er staat zoveel in dat de moeite waard is om bewaard te blijven".
Een echte vissersfamilie met schrijverstalent was de familie Groen uit Middelharnis.
Arend Groen en Klaasje de Groot hadden 8 kinderen, waarvan 6 zonen, die allen beugvissers werden:
1. Hendrik Groen was gehuwd met Maaike Wijnsteker
2. Bas Groen was gehuwd met Cornelia van den Berg
3. Piet Groen was gehuwd met Cornelia Krijger
4. Klaas Groen was gehuwd met Hanna Auperlee
5. Klaasje Groen was gehuwd met Jan Knape
6. Cornelis Groen was gehuwd met Arendje van de Polder
7. Arend Groen was gehuwd met Jo Keijzer
8. Jans Groen was gehuwd met Arie Hartensveld
Hendrik (Hein) Groen, de oudste zoon werd geboren: 09-02-1894 te Middelharnis en bracht het tot schipper van de MD10. Eens voer hij met een gierende sneeuwstorm onder zeil en op het lood naar Hoek van Holland. Later is Hein naar Rotterdam verhuisd en werd daar rechercheur bij de Nederlandse Spoorwegen.
In 4 dikke schriften (van elk 160 bladzijden), in dicht beschreven cursief handschrift en met zeer verzorgde, ouderwetse stijl schreef Hein Groen zijn levensverhaal. Een belangrijk deel hiervan is in de volgende 4 hoofdstukken samengevat:
1. en dit maal was het geen vals gerucht
2. dit meisje en dat schip
3. de zee zuivert alles
4. schipper te voet
J. Boomsma schreef in Eilanden-nieuws: Hun leven als jongen was hard, hun leven later als bemanningsleden van Nederlandse schepen op een koopvaardij van 1940-1945 mogelijk nog harder. De levensphilosophie van Hein Groen, 88 jaar: "er is geen ene vissersman, die de dood niet 4 maal in de ogen heeft gekeken...."
De tweede zoon Bas werd ook schipper op de vissersvloot. Het is een keer voorgekomen dat zij voor niks de zee waren opgegaan en de weinige vis die zij toen gevangen hebben, werd gelijk maar aan boord geconsumeerd. Bas voer ook met personeel dat uit Groningen afkomstig was. Het waren jonge mannen die van armoe langs de kust wat trachten te verdienen. Dergelijk personeel werd als onbekookt betiteld.
De derde zoon was Piet. Waarschijnlijk is hij geen schipper geweest, maar voer wel het zeegat uit ter visvangst. Later voer hij vanaf Vlaardingen en nog weer later verhuisde hij naar Rotterdam, waar hij bediende werd van een drijvende kraan bij Frans Swarttouw.
De vierde zoon was Klaas Groen. Volgens D. Hoogzand in het Eilandennieuws zou hij slechts éénmaal met de zeevisvaart kennis genomen hebben, maar dat blijkt niet uit de verhalen, die hij schreef. Later vestigde hij zich in Middelharnis en begon een winkeltje op de Westdijk in textiel. In 1990 werden zijn geschreven herinneringen gebundeld in "Levend verleden".
Terugblik van een koffiekokertje
Hansje, het laatste koffiekokertje
We kunnen dit op hoge leeftijd nog verhalen
Klaas Groen werd geboren op 28-12-1899 te Middelharnis en overleed 17-10-1990 te Sommelsdijk
De vijfde zoon was Cornelis, die op 11-jarige leeftijd werd aangenomen als koffiekoker. Kees werd op 15-jarige leeftijd klimmer. Onder alle weersomstandigheden moesten dergelijke jongens de mast en de daarboven bevestigde steng in klimmen op een hoogte van 21 meter. Kees Groen heeft 10 jaar lang vanaf Middelharnis gevaren en nog 6 jaar vanaf Maassluis.
De zesde zoon was Arend, die ook op zeer jeugdige leeftijd naar zee moest. Samen met zijn broer Cor viste hij met de MD2 op het Haringvliet. Henk Groen stapte als laatste visser van de familie Groen in 1947 aan boord van de MD2, het vaartuig van zijn vader en oom.
de MD2 bij het havenhoofd
In 1930 werd de open zeil- of roeiboot van Cornelis Groen in het register van de vissersvaartuigen ingeschreven als MD2. Cor Groen is dan gerechtigd om op het Haringvliet te gaan vissen. Hij had als zeevisser al voldoende ervaring opgedaan. Samen met zijn jongere broer Arend zijn ze begonnen met het gebruik van de botbeug, dat werd gedaan tussen het Middelharnisse Hoofd en Scheelhoek. Soms gebruikten zij een beug van 10000 meter, verdeeld over 50 lijnen. De beuglijnen waren met een tussenruimte van 1.30 meter voorzien van sneuen, waaraan het aas bevestigd werd. Aan de haakjes zaten niet alleen bot, maar ook wel schar, wijting en spiering. Spiering vingen Cor en Arend ook met drijfnetten die 100 meter lang waren. Door meerdere netten aan elkaar te knopen werd het visnet wel 1500 meter. Het net werd drijvende gehouden door kurken en om een staand want van 1,5 meter te verkrijgen hing men aan de onderzijde stukjes lood. Spiering konden zij het beste vangen tussen Stad a/h Haringvliet en den Bommel. De gevangen vis werd in hoofdzaak aan Piet Tamboer op de Waterweg verkocht, maar ook trok Cor Groen zelf met de bakfiets door de straten van Middelharnis en Sommelsdijk. Tot 1947 visten Cor en Arend Groen met de open boot MD2, toen kocht de familie een zalmschouw en in 1948 een houten blazer, de SL46 uit Stellendam. Van mei tot september werd met kubben gevist op paling. Een kub is een korte, van garen gebreide visfuik zonder vleugels. Met een tussenruimte van 18 meter werden 60 kubben aan een lijn in het water gebracht. Elke kub werd met een zware steen onder water gehouden. Maar voor zij de kubben konden gebruiken moesten deze een week lang ingewaterd worden. Bij het zetten van de kubben gooide de visser een handje zeebliek of spiering als aas in het langgerekte ronde net om de paling te lokken. De vangst variëerde van 5 tot 500 pond per dag. Met de houten blazer SL46 werd gevist op zeebliek. De wriemelende massa die bij het ophalen van de netten te voorschijn kwam werd 'puf' genoemd. Eenmaal aan dek moest de spartelende vis zo spoedig mogelijk met een zeil worden afgedekt, want de talrijke meeuwen en visdiefjes doken als hongerige rovers op de gedekte tafel. Die vogels hadden de verrichtingen van de vissers al geruime tijd in de gaten gehouden. Puf werd gevangen om gedroogd te worden en werd als vismeel in de handel gebracht. Als je langs de visdrogerijen in Stellendam fietste kon je niet méér van de onwelriekende lucht innemen dan een neus vol, zei men wel. (D.Hoogzand)