het interieur
Voor de schoorsteen staat een 'angeklede juffrouw' (type kachel) waar naast een gegoten ijzeren bak waarin de stukkolen doornat worden gemaakt. Een mooie petroleumlamp aan de zolder en vaak een echte koperen doofpot in de hoek. Aan de schoorsteen ter weerszijde van de spiegel in ieder huisje de twee foto's van de baai (Lerwick). Eén met de dikke ronde vuurtoren en één met een uitlopende rots waar je onder door kan kijken. Daarboven het skelet van een grote geelbruine zeekrab. Op het schoorsteenblad o.m. een fles waarin een viermast bark. Die heeft vader tijdens de lange reizen uit houtjes gesneden en kunstig door de nauwe flessehals naar binnen gewerkt.
grote bedrijvigheid
Op de donkergroene deur die de visser achter zich dicht trekt is een vijftien centimeter grote witte ruit geschilderd. Dus, dan is deze visser een 'baas'. Reeds om de hoek van de straat klinkt het geratel van kruiwagens over de keien van de Vissersdijk samen met het geroezemoes van vele stemmen. De aantrekkelijke geur, een mengsel van teer en verf waait ons nu tegemoet. En daar liggen ze dan, de Menheerse sloepen. Met hun hoge stevens bonken zij tegen de zware boomstammen die met kettingen en beugels losjes om palen zijn bevestigd zodat ze met het getij op en neer kunnen. Het Vingerling is één en al leven. Er wordt gesjouwd met vaten, manden, kabels, zeilen en ballast. Smeden komen met een ijsmolen aan sjouwen. Er lopen timmerlui, schilders, kuipers, zeilmakers. Oude vissers staan te kijken op het zonnige Vingerling. Men sleept met kettingen en ankers vanaf de ankerparken verborgen achter de huizen van de Vissersdijk. Van de wal naar de schepen en andersom schreeuwen de vissers elkander toe
om boven de herrie uit te komen. De vloot wordt klaargemaakt. De schepen zijn zwart of grijs geschilderd met gele randen. De houten schepen hebben de romantische kleur van het eiken hout. Enkele schilders zijn nog bezig aan de sierlijke krullen die de namen op de achterstevens omlijsten. Aan de gieken hangen als een rij kleurige lampions de breels vers geschilderd (denk maar aan enorme visdobbers). Elders wordt onder begeleidend gezang een onwezenlijk groot zeil gehesen. In de brede bocht van het Vingerling zit te midden van al die herrie met stoïcijnse kalmte de zeilmaker Brinkman een fok te repareren. Hij is gekleed in een wit zeildoeks pak. Op de heup aan een riem een koehoorn gevuld met vet. Daarin steekt hij telkens de grote naald. Om de hand een riem waaraan een ijzeren geruite plaat waarmee hij op de naald mept. Elders in een pakhuis doet Aren Put hetzelfde voor Kolff. Van Leeuwen, de kuiper, vist nu met een haak een bos verse hoepels uit de kaai.
Sloepegoed
Tegen de pakhuizen en de woningen op het Vingerling stond 'sloepegoed' (de losse inventaris van een schip) na een schuurbeurt te drogen in het zonnetje. Het lage pakhuisje, waartegen veel planken staan, was eigendom van de rederij Kolff. Hierin lag vooral touwwerk opgeslagen. Kolff had meerdere pakhuizen. In dit pakhuis lag onder meer zout voor de gevangen vis opgeslagen. In de eerste maanden van het kalenderjaar werden de sloepen op de werf nagekeken, geschilderd en opgetuigd. In de pakhuizen werd de outillage nagezien en aan boord gebracht. Zo werden de beuglijnen, die op de lijnbaan gemaakt waren, klaargemaakt en ook de zeilen van de vaartuigen werden gekontroleerd en eventueel hersteld. Daarnaast werd de nodige proviand aan boord gebracht. Per sloep werd dan aan boord gebracht: 130 tonnen drinkwater, 20 tonnen scheepskaak, 3 zakken meel, 100 kg gerookt spek, 20 Gelderse hammetjes, 2 balen suiker, 4 balen peulvruchten, 80 kg boter, 5 kg koffiebonen, 10 liter olie om vis te bakken, 100 mud
steenkolen, 100 liter petroleum, 40 vaten bier en 50 liter jenever en dan voor de feitelijke visserij 120 lege vaten, 100 tonnen zout, 20 ton geep en 10 ton koelever. Een en ander bezorgde voor 20 sloepen behoorlijke drukte. Omstreeks half mei moest alles gereed zijn.
huizen en pakhuizen
Op de zijgevel van het hoekpand op het Vingerling staat 'Koffijhuis'. Het grote pakhuis was eigendom van rederij Slis. Daarnaast ligt het 'Taeneslop'. Deze naam herinnert aan een taanderij die hier eens in gebruik was. Zeilen, netten en het want van de sloepen werden getaand. Na een behandeling met taan waren de touwen en zeilen beter bestand tegen de regen en het zoute zeewater. De twee pandjes daarnaast deden dienst als kantoor van rederij Slis. Een eindje verderop was de kuiperij van Van Leeuwen. Nergens is zo intens geleefd en gewerkt als aan de haven van Middelharnis. Naast het
koffiehuis van Bennemeer, Brinkman en Jaap Smit, woonden Hans de Waard en Kees Troost. Het pakhuis van Slis werd verbouwd tot timmermanswinkel van Troost en Jongejan. Naast dit pand het 'Tanisslop' dat toegang geeft tot de Vissersdijk. Dan woonde er Korteweg en was er het winkeltje van Paul Rooij waar werkelijk alles te koop was. Van Leeuwen had er een kuiperij. Via het slop kwam men in de kuiperij. De witte huisjes werden bewoond door Jordaan en Leen Koster. Het grote pakhuis rechts was van Kolff en helemaal rechts het woonhuis van Job Born die er een herberg beheerde.
Voor de huizen zag men rekken waar de kleding hing te drogen. Er waren vele beroepen op het Vingerling. Naast het grote pakhuis zien we het Taeneslop. In het slop woonde aan de ene kant de familie van Dongen en aan de andere kant de familie van den Bosch. Voor het kleine slopje woonden sloepenbaas Leen Koster, kuiper Van Leeuwen en zeilmaker Brinkman. Naast het grote pakhuis van reder Kolff is duidelijk een pand met twee verdiepingen zichtbaar, waar drie families woonden: o.a. kleermaker De Valk met z'n vrouw Trui Jongejan. In het café op de begane grond was Job Born de baas, hij was tevens bode van de veerboot. Naast dit pand was er nog een pakhuis van de boot. In het slop tussen het pakhuis en het hotel Meijer, het glap, woonde mandenmaker Willem Jongejan.
vrije zaterdagmiddag
Het wordt geleidelijk stiller op het Vingerling. In de visserswoningen wordt het eten opgeschept. Het blijft dan een paar uren stil op straat maar dan komen ze te voorschijn. De vissers zijn 'aangekleed', ze hebben nu zwarte pantoffels aan, een lange broek van blauw fries laken, een dikke donkerblauwe of zwarte trui of een blauw gestreept 'kezjak'. Aan de truien (vrok) echte zilveren Zeeuwse knopen. een blauwe lakense pet met glimmend leren klep. Een zeer lange zilveren ketting om de hals, twee lussen voor de borst, achter de trui heen naar beneden en dan net van onder de rand de zilveren signetten en een enorme horlogesleutel hangende aan die ketting. Koperen ringetjes in hun oren. Tegen half drie loopt dan de Westdijk vol met van die blauwe vissers. Ze zijn allemaal op weg naar Café Hanson, hun trefpunt. Andere trefpunten waren Job Born, Bennemeer, v.d. Sluijs en café Schippers. Jehan Hanson heeft niets gemeen met het begrip kroegbaas, integendeel hij is de vertrouwensman van de vissers en staat hen met raad en daad bij in de problemen van de wal waar ze soms zo onhandig voor staan. Zijn zaak loopt nu stampvol. Voor 5 cent een stenen kruikje bier. Nu zijn ze 'uit'. Ze praten opgewekt en zien er gelukkig uit. Ze hebben zo weinig in hun leven. Sommigen hebben hun kleine jongens meegebracht. Die worden in de serre gezet waar de pleegzoon van Jehan speelt met een grote bus Engelse pepermunt, een geschenk van een van de vissers. (Deze bussen zeer fijne pepermunt brachten ze allemaal mee uit de baai). De kinderen worden op grenadine getracteerd. Het wordt steeds voller en rumoeriger, maar als er één 'uit zijn roer' dreigt te lopen is een klein schouderklopje van deze eminente kastelein voldoende om de zaak te klaren. Zo hebben ze dan een fijne zaterdagmiddag.
gendagzeggen
De avond wordt gebruikt om afscheid te nemen. Een vast ceremonie waarbij men heel de familie afging alvorens te gaan varen. Bij het afscheid was het altijd: 'Goeie reis en gezondheid'. Zo, nu morgen met zijn allen nog naar dominee Bruining en dan volgende week weer varen.