de vissersvloot


Op weg naar zee

Dan kwamen de opvarenden van stuurman tot koffiekokertje met de begeleidende uitzwaaiers naar de kaai. De vissers gekleed in wollen trui, waaronder het roodbaaien hemd, de lange kousen, die onder de korte broekspijpen waren gestopt en de zwarte klompen, die bij ruw eer werden vervangen door zeelaarzen vormden het middelpunt. Zij droegen op het hoofd een pet of de bekende zuidwester. In het algemeen hadden zij een kort stenen pijpje, voorzien van een ijzerdraaddopje in de mond, terwijl zij een bundel kleren en het onafscheidelijke groene stoppekistje onder de arm of in de hand droegen. Zij namen op de kade afscheid van moeder de vrouw en de kinderen, waarop zij aan boord gingen. De loopplank werd op de wal getrokken, de manillatouwen werden losgemaakt en dan kon de reis beginnen.

Als er een sloep naar zee ging stonden er op het jaagpad van de West-havendijk een tweetal paarden te wachten om het schip, als het vrijgemaakt was van de wal, naar het havenhoofd te trekken. Door de grote sluis met sluisdeuren kon het water in de haven hoog gehouden worden. De sluismeester kreeg van te voren bericht dat de sloep - uit zou varen en zette het water zo hoog mogelijk in de haven. Soms stond het water op het jaagpad. Maar dat was noodzakelijk, omdat in de sluis op het havenhoofd een dorpel zat. Daar moest het schip vanwege zijn diepgang overheen komen. Na de schutting konden de paarden niet veel meer doen. De Menheersenaren, die het schip met de bemanning uitgeleide deden, trokken, als de wind ongunstig was, het schip naar het einde van de keiendam. Met de eb-stroom mee zocht de schipper van de sloep de weg naar zee. Meest ging het langs de Hoornse hoofden, voorbij Hellevoetsluis, dan kwam een lastig stuk. In verband met de grootte van de sloep, die niet zo gemakkelijk kon prangen (laveren) in nauw vaarwater, werd de toevlucht genomen, dat een paar vissers het bijbootje te water lieten en dit voor de sloep spanden. Dan trachtten zij de sloep in de goede richting te laten drijven met de ebstroom naar zee. Het is wel geen geweldig stuk varen, maar er zijn lelijke banken bij Goedereede. Kwam er goede wind, dan werden de zeilen gezet, men voer langs de Goereese en Ouddorpse kust. Bennemeer jr. van het strandpaviljoen zou nooit vergeten, wetende dat een sloep uit Middelharnis wegvoer met vlagsignalen de vertrekkende sloep te groeten en bij terugkeren een vlaggewelkomst te geven. Soms vertrok de sloep van het havenhoofd en ging door het aardappelgat - dat is het water vlak langs de Flakkeese wal, langs het Dirkslandse havenhoofd, langs Stellendam naar zee.

1817: Vrouw Aplonia, het eerste chaloupschip
De eerste sloep werd gebouwd op de scheepswerf van Laurens Hoogendijk te Vlaardingen. Dit is te lezen in een aantekeningenboek over de jaren 1762-1827 van A.Q. Kolff te Middelharnis. Op blz 143 lezen we: ....Vijf sestiende parten in een Vis Chaloup en toebehooren, genaemt de VROUW APLONIA, gemaekt op de Werff van den scheepmaaker Lauw Hogendijk te Vlaerding, en in October 1817 nieuw uijtgehaelt, kostende 1/8 past f. 1800:0:- en dus mijne vraag portien f 4500:0:-, stuurman Maerten Langbroek." De opbrengst van zijn deel was behoorlijk, want van oktober 1818 tot en met oktober 1826 bedroeg deze f.5675:0:-. De totaalprijs van het bedrijfsklare schip, inclusief het visgerei is dus 8 x f.1800= f14400,- . De bouwtijd heeft bijna 1,5 jaar geduurd.

sloepschepen
In de oorspronkelijke vorm waren de sloepen voorzien van één groot zeil, dat aan een zeilboom bevestigd was. De behandeling was vooral bij ruw weer niet eenvoudig en spoedig werd een bezaansmast op het vaartuig geplaatst, waaraan een daarbij behorend achterzeil was bevestigd. Door deze wijziging kon het grootzeil worden ingekort. De oudste schepen waren bol van boeg en laag van kimmen, maar na verloop van tijd kregen zij een scherpe voorboeg, terwijl het achterschip, dat een spiegel had gehad werd vervangen door een overhangende spiegel, waardoor het achterschip verlengd werd. De sloepen waren langer dan de gaffelschuiten, die een lengte hadden van maximaal 12 meter. De sloepen waren wel meer dan 20 meter lang. Men is overgegaan naar de zeevisserij op Doggersbank en de visgronden ten noorden ervan. De aanbouw van chaloupschepen werd aangemoedigd door de regering met een premie van f. 250,--, mits hiermee onafgebroken van 15 nov tot 14 febr. de beug- of hoekwantvisserij uitgeoefend werd. De premie werd in 1857 opgeheven. In 1828 wordt voor rekening van fa Slis een chaloupe gebouwd, lang 21 el, breed 5,51 met een diepgang van 3 el op de werf 's Lands Welvaren te Vlaardingen. In 1828 verging bij Callantsoog de vissloep "Catharina en Elisabeth", vermoedelijk het eerste ongeluk met een vissloep van het nieuwe type. In 1843 waren er 16 sloepen en nog maar 3 hoekerschepen in Middelharnis. De sloepen winnen het van de oude hoekerschepen in bruikbaarheid. De zeewaardigheid en de snelheid was veel groter en de opbrengst aan vangst was 10-40% hoger dan met de vroegere hoekschepen. De kop van het schip is nog stomp, de achtersteven is plat, het roer aangehangen. Later zal de voorsteven smaller worden en verdwijnt het platte achtersteven voor een deksvergroting. Men noemt dit een overhangende spiegel. Er is een verschil tussen een sloep en een logger. Een logger is speciaal voor de haringvisserij. Haring wordt na het vangen gekaakt en in tonnen ingezouten. Zoveel mogelijk scheepsruimte is beschikbaar voor die tonnen. De sloep was speciaal voor de vangst van kabeljauw en schelvis. Omdat deze vis levend op de vismarkt aangevoerd moet worden, hadden de vissloepen een visbun. Dat was midden in het schip een speciale ruimte, waarin getracht werd de gewonde vissen levend te houden. Die bun stond door middel van 6 tot 1200 gaten van 1 duim in verbinding met het zeewater, zodat de vis daarin kon blijven zwemmen. Kwam men thuis, dan ging de vis levend naar de markt. In 1894 bracht ingezouten kabeljauw (35 stuks in een ton) f. 30,-- op, de ton en het zout inbegrepen. Levende kabeljauwen brachten gemiddeld f 1,50 per stuk op. Een ton met 300 gezouten schelvissen had een handelswaarde van f.8,--. Levend of in ijs op de markt gebracht een handelswaarde van f. 90,--.

1896: de eerste ijzeren sloep
Hout was voor de scheepsbouw geen ideaal bouwmateriaal. Hout krimpt als het op het droge staat, door het zeilen 'werkt' de huid, er trekken naden in, die gebreeuwd moeten worden, en alle houten schepen lekken op den duur. Het was geen teken dat een schip onzeewaardig was als het lekte, maar het was erg onplezierig, omdat vooral de koffiekoker, de ketellapper, de inbakker en de kok de taak kregen om het water uit het schip te pompen. Staal is ook een veel beter materiaal om schepen te bouwen, wegens het bij houten schepen zo gevreesde 'vuur'. Vuur is een bepaald rottinsproces als het schip niet door en door droog wordt gemaakt. Een andere lezing is dat heel gezond hout toch een 'vuurbacil' kan hebben, die langzaam uitgroeit. Een hele scheepsvloer kan verzwamd raken door een ogenschijnlijk gezond stukje, dat in de vloer gezet wordt.
In 1891 werden de eerste ijzeren sloepen op stapel gezet. Deze waren nog langer en ranker. Het eerste stalen schip werd in 1896 in Middelharnis in de vaart genomen. Uitgerust met twee grote masten, een zgn schoener-sloep met een lengte van 89 voet. De ijzeren sloepen konden een snelheid halen van 16 km per uur. De schippers op die sloepen waren zeer goede zeelui en vakbekwaam. Schipper op de eerste ijzeren sloep was L. Koster.

In 1883 werd het verplicht dat de vissersvaartuigen een volgnummer zouden hebben, die goed zichtbaar op de boeg aangebracht moesten worden. De sloepen in Middelharnis hadden al het vissersmerk M.H.S. Dat werd nu MD.
Behalve de sloepen in de onderstaande tabel was er ook nog de Leo en Willy, het kleinste schip van de vloot.

rederij P.L. Slis & Zn

rederij wed. C. Kolff & Zn

merknaambouwj.typemerknaambouwj.type
MD 1Waakzaamheid1865houtMD 3 Anna 1894staal
MD 1Luctor et Emergo1876houtMD 7Burgemeester Mijs1896staal
MD 2Maria Cornelia1867houtMD 9Dankbaarheid1857hout
MD 2Doggersbank1865houtMD 9Middelharnis1885hout
MD 2Prinses Juliana1897staalMD 10Tweelingen 1865hout
MD 3 Nijverheid1869houtMD 10Johanna Hendrika1859hout
MD 4 Volharding1871houtMD 11Hendrika Adriana1896staal
MD 4 Theodora Emmerentia1904staalMD 11Oranje Nassau1911staal
MD 5 Onbestendigheid1871houtMD 12Twee Cornelissen1865hout
MD 6 Titia Jacoba1879houtMD 12Zeemeeuw1888hout
MD 6 Wilhelmina1897staalMD 13Adriana Lumina1868hout
MD 7 Bedachtzaamheid1869houtMD 13Voorlichter1893staal
MD 7 Toekomst1883houtMD 14Noordover1868hout
MD 8 Toekomst1878houtMD 14Paul Kruger1900staal
MD 8 Willem de Zwijger1875houtMD 15Ulbo1869hout
MD 8 Albatros1911staalMD 15Poolster1876hout
MD 28 Vertrouwen1886houtMD 16Op Hoop van Zegen1870hout
MD 35 Pionier1883houtMD 17Emma en Anna1871hout




MD 18Zeemanshoop1876hout




MD 32Eben Haezer1884hout

Thuishaven Middelharnis ziet sloep MD10 terug
De 83-jarige beugsloep MD10, de Johanna Hendrika, voor een week terug op het Vingerling! Ze werd in 1897 in opdracht van de rederij C. Kolff & Zn. te Rotterdam gebouwd, werd in 1916 naar Vlaardingen verkocht en kreeg de registratieletters Scheveningen 320. De beugsloep werd getransformeerd tot logger: de masten werden ingekort en de bunnen gingen uit het ruim. De sloep werd gebruikt voor de trawlervisserij en de nu 72-jarige Cor Korving uit Scheveningen weet de faam van de MD10 nog levendig te vertellen. Als 10-jarige jongen voer hijmet zijn vader mee en hij herinnert zich nog dat het schip een snelle zeiler was. Het was het eerste schip dat werd uitgerust met carbidlampen. De diepgang van driemeter maakte het schip minder toegankelijk voor de Scheveningse haven. Het schip was nog steeds voorzien van een helmstok. Vanaf 1927 ontbreken er gegevens in de archieven. Vast staat dat er rond 1930 met de MD10 vanuit Oostende de trawlingvisserij werd beoefend. In 1934 werd het schip verkocht naar Kopervik in Noorwegen, Het schip kreeg een hulpmotor; men voer ermee naar IJsland ter visserij. Voor de tweede oorlog werd het schip verbouwd tot vrachtschip. In 1963 kwam het schip, Stenbrygen geheten, in handen van de gebroeders Gjerde te Aalesund en werd omgedoopt in Leonard 3. Het schip kreeg een sterke dieselmotor, die er nu nog in staat. Een Amsterdamse kenner van historische schepen herkende enkele jaren geleden in de vrachtvaarder een oude beugsloep; De heer Colauto te Amsterdam kocht het schip in 1978 en bracht het naar Amsterdam. In 1979 kwam het in handen van Jan Huetink uit Staveren. Van oorsprong medisch instrumentenmaker heeft hij zich ontwikkeld tot een vaardig scheepsrestaurateur. Voorjaar 1979 kwam het schip voor de wal te Weesp. Oude tekeningen en foto's, gekombineerd met vakmanschap zorgden voor de grote verandering. De opbouw op het schip verdween en een veel kleinere woning op het achterschip verscheen. Masten werden gemaakt, de hele romp werd gegritstraald en geverfd. Net voor de ijsgang op het IJsselmeer dit jaar, werd het schip overgevaren naar Harlingen, waar het ruim werd aangepast aan de nieuwe bestemming: passagiers, die chartertochten meemaken.

Op maandag 20 oktober 1980 liep de MD10 de haven van Middelharnis binnen, waar een ontvangstcomit‚ (de oudsten van de overgebleven vissers) wachtte. Leen Auperlee wist niet hoe rap hij aan boord moest komen toen hij daar op het Havenhoofd even de kans voor kreeg. Hij wist nog precies de weg en dook rap in het vooronder om daar zijn oliegoed aan te trekken en aldus uitgemonsterd weer aan het dek te verschijnen om de MD10 door het havenkanaal te loodsen en voor hotel Jacobi aanwijzingen te geven hoe gekeerd moest worden. Op het Vingerling was het als vanouds weer ‚‚n brok leven, want de sloep werd door vele honderden opgewacht. Aai Boogerman heette haar daar op onnavolgbare wijze welkom en het was ontroerend hoe hij, te midden van de levenden, aan de vele doden van Middelharnis' visserij gedacht. In 1908 was Adriaan de Koning schipper, stuurman was Piet Krijger en waren de opvarenden: Geert Wielaard, Jan Krijger, Simon de Braber, Kees Dubbeld, Marien Taale, Arjaan Taale, Maart van Delft, Aai Boogerman, Kees van den Hoek, Dirk Koster en S. van Groningen. De huidige schipper Huetink kreeg een fraaie foto van de MD10 toen ze onder vol zeil in de haven lag en uit een oude fles met een heel oud etiket van wijnhuis en rederij Kolff werd een traditioneel brandewijntje gedronken.

1999: sloepmodelbouw

In Dirksland woont de heer A. Langbroek, telg uit een oud vissersgeslacht uit Middelharnis. In zijn woning heeft hij zijn hobbiekamer als een kleine 'scheepstimmermansplaats' ingericht. Hier bouwt Langbroek al jaren lang aan een replica van de sloep MD 4, minutieus op schaal nagebouwd. Zelfs de kleine klinknageltjes in de romp worden op de juiste plaats aangebracht. Urenlang kan hij over details van de sloepenbouw met je praten.

Gaffelschuit onder volle zeilen (1470 - 1829)
lang: 35-40 Amsterdamse voet,
breed:10-18 voet.
Sterke platboomde vaartuigen met bun.
In gebruik te Middelharnis, Pernis en Zwartewaal.
Veelal gebouwd te Middelharnis.

Gaffelschuit in de kaai (naar een oude tekening).
Binnen zijnde, werd het grootzeil opgegeid tegen gaffel en mast. Kluifhout werd door toppenant opgetopt. Gaffel bleef staan, vandaar de naam. In Zwartewaal 'gaffelaar', in Pernis 'bezaan'.

Gaffelschuit - dekplan
Lengte 40 voet, Breedte 16 voet.
de stippellijnen zijn dwarsschotten.
een Amsterdamse voet = 0,283 m = 11 duimen.
een Rijnlandse voet = 0,308 m = 12 duimen.
een Engelse voet = 0,3047 m.

A = Braadspil.
B = Toegang kabelgat.
C = Toegang volkslogies.
D = Rookpijp.
E = Overloopstagfok.
F = Mast en pompen.
G = Toegang voor deken.
H = Toegang voorbun.
J = Toegang achterbun.
K = Toegang achter deken.
L = Bunluiken.
M = Overloopzeil.
N = Achterpomp.
O = Toegang bergplaats.

Eerste sloep (chaloup) (1817-1880)
Lang 67 voet, Breed 19 voet. Van 1834 tot 1880 ook gebruikt voor de haringvisserij. Brede boeg, zwaar gebouwd. Vele te Middelharnis gebouwd. De eerste sloep werd in 1817 in gebruik genomen.

A = Middelfok. B = Stagfok. C = Grootzeil. D = Groottjik. E = Schouwbak (voor turfrook). F = Tarbotsboot. G = Gangspil. H = Roer met klaverbladkop.

Sloep met versmald grootzeil en bijgeplaatste achtermast (1880-1905)
Ook de steng is vervallen. Dit tuig was handzamer. Voormast heette nu 'vaste mast'.

Sloep met hangende spiegel (1877-1910)
Bij bries werd vaak gezeild als boven is getekend. 'Van een rif met de zevenkleer', dat is een zevenkledingskluiver. In stafvak ‚‚n rif en in de bezaan twee voor de loefgierigheid. Hier ingevoerde steng. Lengte 77 voet.

Schoenersloep van hout of ijzer
Hout 82 voet, ijzer 89 voet lang.
Men ligt op de 'visscherij te steken', d.w.z. de sloep ligt 'bij den wind', en het roer staat vast. Bij goed weer staat de gehele stagfok op, anders een 'punt' vastgemaakt aan het dek. Kluiver heet 'vijfkleer'. Eerste houten sloep in 1888, ijzeren in 1896. Bovenstaande sloep is gedeeltelijk van ijzer.

IJzerensloep voor haringvisserij (1902-1914)
89 voet lang. Tot 1923 alleen voor beug. Sloep ligt 'aan de vleet'. Gaffel is van de mast, en om te zeilen, wordt een driehoekig zeil gebezigd. Voor uit of thuis zeilen, volledig tuig. Kluifhout ligt in een 'mik'. Achterzeil van 2 reven op, voor 'op de wind' te liggen.

Hoeker (1843-1870)
Alleen voor haringvisserij. In 1843 werd met 3 dezer vaartuigen een proef genomen voor haringvisserij. Omstreeks 1870 uit de vaart genomen.

Middelharnisse vissers de beug schietend.
A. Schipper aan het roer.
B. Stuurman, die voelt dat de beug strak genoeg staat, roept tot
C. de 'schotter': "paai weg".
D. Jongen, de bochten van het want oplichtend voor klaar uitgooien.
E. Matroos, een nieuwe bakwant aanbrengend.
F. Matroos, klaar bij een boei, die aanstonds overboord moet (aan stuurboord).
G. Plaats voor jongen, die 's-nachts met een lantaarn de schotter bijlicht.
H. Bakwant, die de schotter uitgooit.

Middelharnisse vissers de beug inhalende.
A. Waterspiegel.
B. Zeebodem.
C. Sloep voor de wind aan de beug.
D. Richting van de stroom.
E. Beuglijn, waaraan een kabeljauw en twee schelvissen. Derde matroos van voren af, schept met een net de kabeljauw op. Vierde matroos zal hem in het bun werpen. Schipper aan het roer, Stuurman trekt de stagfok tegen om vaart te minderen.
F. Inbakker, schiet de ingehaalde beuglijnen in aasbakken op, en geeft deze naar omlaag om geaasd en gespleet te worden.
G. Boei met lijn, waarvan de dreg aan de beug verbonden is. Iedere boei had bijzondere vlaggen.

Middelharnisse sloep onder stormzeilen
Stormkluiver (driekleeds). Puntje van de stagfok aan het dek vastgemaakt. Grootzeil van 3 reven. Bezaan van 3 reven. Achter het schuilkleedje staat de twee man van de wacht. Het roer staat vast, en de sloep ligt 'als een meeuw op de zee'.

Gaffelschuit onder volle zeilen1470 - 1829)
Lang: 35-40 Amsterdamse voet, breed:10-18 voet. Sterke platboomde vaartuigen met bun. In gebruik te Middelharnis, Pernis en Zwartewaal. Veelal gebouwd te Middelharnis.

Gaffelschuit in de kaai (naar een oude tekening).
Binnen zijnde, werd het grootzeil opgegeid tegen gaffel en mast. Kluifhout werd door toppenant opgetopt. Gaffel bleef staan, vandaar de naam. In Zwartewaal 'gaffelaar', in Pernis 'bezaan'.

Eerste sloep (chaloup) (1817-1880)
Lang 67 voet, Breed 19 voet. Van 1834 tot 1880 ook gebruikt voor de haringvisserij. Brede boeg, zwaar gebouwd. Vele te Middelharnis gebouwd. De eerste sloep werd in 1817 in gebruik genomen.

Schoenersloep van hout of ijzer
Hout 82 voet, ijzer 89 voet lang.
Men ligt op de 'visscherij te steken', d.w.z. de sloep ligt 'bij den wind', en het roer staat vast. Bij goed weer staat de gehele stagfok op, anders een 'punt' vastgemaakt aan het dek. Kluiver heet 'vijfkleer'. Eerste houten sloep in 1888, ijzeren in 1896. Bovenstaande sloep is gedeeltelijk van ijzer.

IJzerensloep voor haringvisserij (1902-1914)
89 voet lang. Tot 1923 alleen voor beug. Sloep ligt 'aan de vleet'. Gaffel is van de mast, en om te zeilen, wordt een driehoekig zeil gebezigd. Voor uit of thuis zeilen, volledig tuig. Kluifhout ligt in een 'mik'. Achterzeil van 2 reven op, voor 'op de wind' te liggen.

Hoeker (1843-1870)
Alleen voor haringvisserij. In 1843 werd met 3 dezer vaartuigen een proef genomen voor haringvisserij. Omstreeks 1870 uit de vaart genomen.

Middelharnisse vissers de beug inhalende.
A. Waterspiegel.
B. Zeebodem.
C. Sloep voor de wind aan de beug.
D. Richting van de stroom.
E. Beuglijn, waaraan een kabeljauw en twee schelvissen. Derde matroos van voren af, schept met een net de kabeljauw op. Vierde matroos zal hem in het bun werpen. Schipper aan het roer, Stuurman trekt de stagfok tegen om vaart te minderen.
F. Inbakker, schiet de ingehaalde beuglijnen in aasbakken op, en geeft deze naar omlaag om geaasd en gespleet te worden.
G. Boei met lijn, waarvan de dreg aan de beug verbonden is. Iedere boei had bijzondere vlaggen.

Middelharnisse sloep onder stormzeilen
Stormkluiver (driekleeds). Puntje van de stagfok aan het dek vastgemaakt. Grootzeil van 3 reven. Bezaan van 3 reven. Achter het schuilkleedje staat de twee man van de wacht. Het roer staat vast, en de sloep ligt 'als een meeuw op de zee'.

over het vissen op zee

de beug
De beug was een lange lijn, in de tijd van de sloepen wel 13 km lang. Om de twee vadem of 3,6 m. was een zijlijn of 'stel' van 1,5 m. bevestigd; hieraan zat een vishaak met aas, zoals gezouten geep, sardijn of prik. Een dergelijke zomerbeug voor de kabeljauwvangst telde ca. 3600 stellen met haken; de winterbeug voor de schelvisvangst telde er eens zo veel. Wanneer de beug geaasd was, werd deze zoveel mogelijk in een rechte lijn op de zeebodem uitgezet. Dit uitzetten wordt 'de beug schieten' genoemd. Op de beug staan enige boeien voorzien van verschillende vlaggen. De boeien worden vast- gelegd door kleine ankertjes of 'dreggen'. Tot ca 1845 viste men met de beug ook op tarbot in de maanden april-september. De beugvisserij was de belangrijkste tak van zeevisserij in het Overmaas.

de plomp
De plomp bestond uit een half ronde ijzeren beugel met in het midden een dieplood. Aan beide einden van de beugel hing een lijn van 1,5 m; daaraan zat de vishaak met het aas. Men liet de plomp zakken tot op de bodem en trok hem dan een beetje op en neer. Vooral in de periode 1815-1878 maakte men van oktober tot december speciale plompreizen op schelvis. Plompen was een visserij, die ten anker liggend gebeurde. Op het ondiepe westelijke deel van de Doggersbank, door de vissers 'het droge zand' genoemd, komt in het najaar de haring 'paaien', dat is kuit schieten. Op sommige plaatsen is dan de zeebodem bedekt met een dikke laag haringkuit. Boven dit, voor verschillende vissoorten geschikte voedsel, verzamelen zich grote scholen vissen, meest schelvis. Bij het plompen gaan de vissers zoeken naar een plaats waar haringkuit op de zeebodem ligt door een dieplood uit te werpen. Onder het lood zit een stuk vet. Valt nu het lood op haringkuit, dan blijft er wat kuit aan het vet kleven. Nu ging men vissen, Ving men enkele schelvissen, dan liet de schipper 'op hoop van zegen' het anker vallen. De meeste zeilen werden nu geborgen en de eigenlijke visserij nam een aanvang. Soms ving men weinig en moest het anker worden gelicht en een betere plaats worden gezocht. Soms had men de vis voor het 'halen'. Het aas bestond uit van de schelp ontdane mossels, die levend in netten in het bun werden bewaard. Van voor tot achter nam de bemanning plaats en begon men te plompen, door de plomp naar de zeebodem te laten zakken en hem een weinig op te halen en dan zacht op en neer te bewegen. Men kon twee vissen tegelijk vangen. Het is wel gebeurd dat men in één nacht het bun vol schelvis had. 's-Nachts werd niet gevist.

de kol
De kol werd evenals de plomp met de hand op en neer bewogen. Onder aan de kollijn bevond zich het kollood. Daaraan was een 1,5 m. lange lijn bevestigd met een kolhaak, welke geaasd werd. De kolhaak was van boven verzwaard met lood, dikwijls in de vorm van een vis. Vooral na 1845, toen de beugvisserij op tarbot niet meer lonend was, maakte men speciale kolreizen in de zomer op kabeljauw.

de traap
De traap, in Middelharnis 'droep' genoemd, was een met lood verzwaarde lijn, waaraan twee of meer stokjes met een zijlijn of stel, voorzien van een vishaak met aas. Men viste er niet mee op bodemvis, maar op hoger zwemmende vissen, zoals makreel. Men gebruikte de traap tijdens het naar huis zeilen. De vaarsnelheid mocht nog te hoog, noch te laag zijn. In het eerst geval zweefde de traap te dicht bij de oppervlakte, in het tweede geval zakte ze te diep in het water.

de korde
De korde was een zakvormig net, opengehouden door een korboom met aan de uiteinden zware sleepijzers die door hun gewicht het net op de bodem hielden en tevens de opening van het net hielpen vormen. Er bestonden verschillende soorten kordenetten: ze varieërden in maaswijdte en grootte. Zo waren er scholkorden, tongkorden, garnalenkorden ('garnaatskorden'), roggenkorden, enz.

de vleet
De vleet of het drijfnet was een net, dat als een gordijn in zee stond, soms wel 4 km. lang. De haring die er in zwom, bleef met de kieuwen in de mazen vastzitten. Middelharnis en Zwartewaal hebben slechts in beperkte mate haringvisserij bedreven.

het beugvissen
De beug was een lange lijn die verdeeld was in lijnen van ongeveer 50 meter, met zijlijntjes of sneuen van 1,5 meter, voorzien van vishoek of hoek. Aan die vishaak werd het aas bevestigd, dat bestond uit Noorse sardijn, gezouten geep of prikken. Deze beug bestond in de zomermaanden als alleen gezouten vis werd aangevoerd, uit ongeveer 200 lijnen en was in totaal ongeveer 16 km lang. De beug was nog verdeeld in zgn. bakken, een bakwant bestond uit 14 lijnen en tussen elke bakwant, die uitgevierd werd, stond een wantton of joon als een grote dobber met steel, waarop een vlag stond. Dus 12 jonen met op iedere joon een verschillende kleur vlag.

's Morgens om ca 2 uur werd begonnen met de beug te schieten, die door de bemanning geaasd was en klaarstond in zgn. lege bakken verdeeld. Aan stuurboord of op het achterdek stond aan de reling de zgn. schietbenne waarop de bak met want werd geplaatst en de schotter, de man die de beug moest uitvieren, wierp met brede armzwaaien de lijnen met haken overboord, terwijl de schipper aan het roer de sloep juist genoeg vaart gaf als nodig was. Nadat de beug was uitgeschoten laveerde men met ruime wind terug naar het beginpunt, waar men begon in te halen. Dit gebeurde door 4 man die afwisselend een eind want optrokken en het opgehaalde lieten vallen dat door de inbakker werd opgeschoten, waarna de lijnen door een deel van de bemanning weer in orde gemaakt werd om 's nachts weer in het aas te worden gezet voor het volgende schot. Zo was het ca 2 uur in de middag geworden, als alles goed ging. Dat was niet altijd het geval. Het kon door verandering van wind wel eens avond worden voor de beug weer aan boord was.

De gevangen kabeljauw werd onder het halen plat gesneden nadat ze van kop en graten was ontdaan en door de schipper werd ze in de tonnen gezouten. Na afloop werd er geschaft en de matrozen zochten voor een paar uur de kooi op, terwijl de twee kleinste jongens aan dek bleven om uit te kijken. Nadat er thee was gedronken en gegeten was, werd om een uur of zes de kooi weer opgezocht met één man aan dek en om 12 uur was het weer aantreden om de beug in het aas te zetten. Intussen werd er door de kleine jongens koffie gezet en op de beurt aardappels geschild en wat er meer te doen was, zoals het vooronder aanvegen, de koolkist vullen, enz. Dat was het zomerseizoen, de lange reis van 3 maanden.

Met de wintervaart die in november begon werd de vis vers aangevoerd, de levende vis werd in het bun gedaan en de dode vis werd in het ijs gelegd in het visruim dat verdeeld was in verschillende afdelingen. Men viste dan bijna dag en nacht, als het goed weer was met de korte beug, variërend van 4 tot 8 bak al naar gelag de weesrgesteldheid. Deze reizen duurden ongeveer 14 dagen, waarna koers gezet werd naar IJmuiden om de vis te lossen aan de markt. Dan werd de volgende dag weer zee gekozen. Na 3 reizen ging de bemanning 6 dagen naar huis, om daarna weer terug te keren om opnieuw naar zee te gaan tot de wintervisserij ten einde was en men met de sloep naar de thuishaven voer om het schip weer klaar te maken voor de lange zomerreis die ruim 3 maanden duurde. Men was dan ongeveer 5 à 6 weken thuis, niet werkeloos, maar steeds in de weer om schip en inventaris weer reisvaardig te maken.

«« Middelharnis