Hors-d’oeuvre

Nanne

 

 

LSD

 

In 1961 werd het Ouvroir de la Littérature Potentielle opgericht door Raymond Queneau en Francois Lelionnais. Het gezelschap groeide in de loop der jaren uit (naast Queneau onder meer George Perec en Italo Calvino) en publiceerde onder de naam Oulipo een aantal boeken. In hun eerste boek staat een verhandeling van Queneau over La Littérature Définitionelle, een formele uitbreiding van een tekst door elk woord uit de tekst te vervangen door de woordenboekomschrijving, een proces wat zich oneindig kan herhalen.

Dit wat saaie proces kreeg al gauw een wat vrolijker vervolg bedacht door Marcel Bénabou en Georges Perec: La Littérature Sémi-Définitionelle, afgekort L.S.D. Hoewel in voornoemd boekje een redelijke afgebakende omschrijving staat, betekent het vooral een tekst met behulp van het woordenboek uitbreiden, met een aantal vrijheidsgraden. Zo hoeven niet alle woorden (en zeker niet tegelijk) onderworpen te worden. Een schrijver heeft maar weinig aanleiding nodig om zich meer vrijheid te veroorloven, en gezien de naam van het proces mag het best allemaal wat ruimer gezien worden. Het voorbeeld laat daar geen onduidelijkheid over bestaan.

L.S.D. laat zich mooi inpassen in het sonnet. Als je de titel als een strofe van één regel beschouwt kan je de getalsreeks 1+2+3+4+5 opbouwen. Het fenomeen om de titel mee te laten doen in een gedicht is zeker niet nieuw. Ook niet binnen het sonnet en deze strofeverdeling heb ik zelf voor het eerst gezien in het tijdschrift Miroir du Cyclisme met als thema ‘de fiets en de schone kunsten’ uit 1988. Het sonnet is van de voor mij verder onbekende Charles Dobzynski.

De uitdaging is nu wel duidelijk. Als je bijvoorbeeld als titel van het sonnet een bekende beginregel van een sonnet neemt, in het voorbeeld een regel van dèr Mouw, dan kan je in opeenvolgende strofes de titel uit laten groeien tot een strofe van vijf regels.

 

‘K ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.

Ik ben een godheid in Voor-Indië
Maar we zitten zonder een jonge vrouw.

Ik ben een goddelijk wezen op het
schiereiland tussen de Golf van Bengalen
en d’Arabische Zee, maar zonder vrouwtje.

Ik ben een verrukkelijk ding op de
landtong tussen de gulp van salpeter
en zwavel, kleurrijk brandend in d’over-
vloed van het plakmiddelland. ‘K wil een vrouw.

‘K ben een lekker ding op de richel in
het water, de split in de mansbroek van
salpeter en zwavel, vurig en heet
vol kleur in overvloed van het stijfsel.
Kom maar meisje, help mij, dan krijg je ‘n snoepje.

  

X.T.C.

Het spreekt voor zich dat als je de reeks 1+2+3+4+5 kan maken door de titel er in te betrekken, dat je ook een reeks 5(1+4)+4+3+2+1 kan maken. Het toe te passen procédé zal dan een tegenovergestelde vorm worden van het L.S.D. procédé. De opdracht luidt inkorten. Daar heeft de dichter geen woordenboek voor nodig. Dat is zijn eigenlijke functie, verdichten, terugbrengen naar, doordringen tot de essentie. We noemen dit hier eXtractieve Tekst Constructie afgekort tot X.T.C. .

Het getal vijf is onlosmakelijk verbonden met de limerick, die andere dichtvorm. Hier ligt dus de mogelijkheid voor het oprapen om twee populaire West-Europese dichtvormen te smeden. Men beginne bij het overnemen van de betreffende limerick, om vervolgens in vier stappen de lezer mee te nemen naar de kern van de zaak.

 

Er was eens een man in Caïro

Die stuurde z’n sperma per giro.
Zijn vrouw in Milaan
Die vond daar niets aan
En zei: Kom jij maar gewoon hierho!

Er was eens een man in Egypte,
Die liever een brief schreef dan wipte
Z’n vrouw in Milaan vond het maar niks
Dat hij z’n pen niet bij haar dipte.

Er was eens een Egyptische schrijver
Nou niet bepaald ‘n liefdesbedrijver
Zijn vrouw werd een zeer droge vijver.

Er was eens een schrijvende Egyptenaar
Z’n vrouw zei ajuu en bekijk ‘t maar.

Er was eens de eenzame dichter…