
Inhoud:
Bij dit onderdeel wordt het leven van een aantal
wiskundigen verteld. Al deze wiskundigen hebben allemaal, direct of indirect,
een steentje bijgedragen bij de berekeningen van p. Zie ook bij
“Berekeningen”.
Babylonië
was een van de eerste grote beschavingen ter wereld. Het koninkrijk ontstond in
en rond het gebied waar de rivieren Tigris en Eufraat nagenoeg parallel naar de
Perzische Golf stromen. De regio maakt ook deel uit van het gebied dat wel
'Vruchtbare Halve Maan' wordt genoemd, omdat het volk dat in dit
halvemaanvormige gebied woonde, er door middel van irrigatie rijke
landbouwgronden ontwikkelde.
In het kaartje zie je dat Babylonië het donkergroene gebied is. Het gebied erom heen zijn de huidige landen.
Ahmes leefde in een
periode in de Egyptische beschaving zonder grote farao's (1783 - 1560 v.Chr.)
en zonder een krachtig centraal gezag.
Dit was de tijd der heerschappij van de Hyksos, de 'heersers der vreemde
landen', die uit het oosten kwamen en verwant waren aan de Semieten. Zij
maakten in de strijd van paard en wagen gebruik en voerden dit gebruik in
Egypte in. De hoofdstad werd Avaris in het oosten van de Nijldelta. De Hyksos
vereerden de god Baäl, die in Egypte als een vorm van hun god Seth werd
opgevat.
Ahmes:
Ahmes was een Egyptenaar
die leefde van omstreeks 1680 voor Chr. tot omstreeks 1620 voor Chr. Over hemzelf
en zijn leven is niets bekend, dan dat hij de schrijver was van de zogenaamde
'Rhind'-papyrus, een rol papyrus met allerlei wiskundige begrippen, methoden en
symbolen. Deze papyrusrol is in 1828 door de Schotse Egyptoloog Alexander Henri
Rhind in Thebe gevonden. Sindsdien is het de enige bron van onze kennis over de
vroege Egyptische wiskunde en het oudst bekende document over wiskunde.
Ahmes beweert op dit document alleen een 200 jaar ouder document te hebben
gekopieerd (uit ongeveer 1850 v.Chr.). Of Ahmes zelf een wiskundige was is niet
bekend, maar hij moet er toch wel iets van hebben begrepen om deze papyrus te
kunnen samenstellen.
Archimedes was een Griekse wiskundige en natuurkundige die leefde
van 287 - 212 v.Chr. in Syracuse op Sicilië. Hij was waarschijnlijk een
familielid van de tiran van Syracuse Hieroon II.
Hij studeerde wiskunde bij opvolgers van Euklides in Alexandrië en was al bij
zijn leven een beroemdheid, vooral vanwege zijn uitvindingen: voor koning
Hieroon bedacht hij wapentuig ter verdediging van Syracuse tegen de Romeinen,
hij vond de schroef van Archimedes uit, een apparaat voor het oppompen van
water.
Zelf was hij vooral geboeid door de zuivere wiskunde, met name de meetkunde en
door de natuurkunde. Hij berekende met de zogenaamde 'uitputtingsmethode' (een
voorloper van het integreren) de oppervlakte en de inhoud van allerlei vlakke
en ruimtelijke objecten. Maar het bekendst is hij tegenwoordig door de wet van
Archimedes (over voorwerpen die in vloeistof zijn ondergedompeld).
Archimedes werd in 212
v.Chr. door de Romeinen vermoord tijdens de verovering van Syracuse.
François Viète (1540 - 1603) was een Frans rechtsgeleerde, die
vooral bekend werd op het gebied van zijn grootste liefhebberij, de wiskunde.
Hij studeerde rechten en kwam terecht in het bestuurlijke apparaat in dienst
van de Franse koning Henri III en later Henri IV. Als Hugenoot had hij het
moeilijk in deze tijden van godsdiensttwisten tussen de Rooms-katholieken en de
opkomende Protestanten (de Hugenoten). Af en toe moest hij zich terugtrekken
uit het openbare leven; op die momenten had hij veel tijd voor de wiskunde.
Nadat Henri IV uit politieke overwegingen Rooms-katholiek werd wist hij de orde
in Frankrijk te herstellen. Viète werd ook Rooms-katholiek en één van de
trouwste volgelingen van koning Henri IV.
Op het gebied van de wiskunde was Viète een liefhebber, hoewel hij af en toe
les gaf in dat vak. Zijn betekenis is vooral gelegen in het feit dat hij als
eerste een systematische symbolische notatie voor algebraïsche problemen
bedacht. Daarbij gebruikte hij letters voor onbekenden: klinkers voor
variabelen en medeklinkers voor constanten (die hij als eerste coëfficiënten
noemde). Zijn bijdrage aan de theorie van het oplossen van vergelijkingen is
mede daardoor heel groot. Toch kwam ook hij niet los van de meetkundige
voorstelling van het getal en dus van de vergelijking.
Viète stierf op 13
december 1603.
Ludolph van Ceulen (1540-1610) was behalve
wiskundige ook schermmeester. Deze combinatie van lichamelijke en
hersengymnastiek heeft hij in diverse steden beoefend, waaronder Delft, Arnhem
en Leiden.
Met zijn vrouw Mariken Jansdochter vestigt Van Ceulen zich in Delft en gaat
daar schermlessen geven. Hij en Cloot (een leraar) onderhouden goede banden. Zo
was Cloot getuige bij de doop van een dochter van het echtpaar Van Ceulen. Die
banden nemen heel andere vormen aan als in 1590 meneer Cloot en mevrouw Van
Ceulen zijn overleden. De overblijvende weduwe Adriana Symonsdochter en
weduwnaar Ludolph van Ceulen gaan gehuwd verder, samen met de 8 kinderen van
Adriana en de 5 kinderen van Ludolph. Ze krijgen nog 2 kinderen, waardoor het
totale aantal op 15 uitkomt. Ze vertrokken naar Leiden. Ludolph werd daar in
1600 door Prins Maurits als hoogleraar in de wiskunde werd aangesteld.
Van Ceulen stierf op
oudejaarsdag 1610 en werd op 2 januari 1611 begraven in de Pieterskerk in
Leiden. (Zie ook “p weetjes”)
De Engelse wiskundige John Wallis
(1616-1703) werd in 1616 geboren als zoon van John Wallis, een dominee uit
Ashford en diens tweede vrouw Joanna Chapman. Op 13-jarige leeftijd ging hij
naar een universiteit. In zijn jeugd kwam John Wallis niet in aanraking met
wiskunde aangezien dat in die tijd als onbelangrijk beschouwd werd en niet
gegeven werd op goede scholen. Wel behaalde hij goede resultaten in de vakken
Grieks, Latijn en Hebreeuws. Pas in 1631 leerde Wallis de beginselen van de
wiskunde van zijn broer en hij begon als hobby wiskundeboeken te lezen.
Ondertussen studeerde hij door over allerlei vakken zoals anatomie en
sterrenkunde. Wallis werd kapelaan, maar bleef doorstuderen.
Wallis was goed in
cryptografie en loste in tijden van oorlog verschillende gecodeerde
boodschappen op. Dit was het begin van Wallis’ wiskundige carrière. Wallis ging
uit de kerk omdat hij trouwde en werd hoogleraar in Oxford. Hier kwam hij in
aanraking met een regelmatig bij elkaar komende groep wetenschappers die later
het Royal Society zou worden, en begon hij serieuze interesse in de wiskunde te
krijgen.
Wallis schreef boeken en
deed ontdekkingen op wiskundig gebied. Ook bestudeerde hij het werk van
verschillende wiskundigen, zoals Kepler en Cavalieri.
Wallis meest bekende
werk was "Arithmetica infinitorum" dat hij in 1656 publiceerde.
Hierin liet hij zien hoe algebraïsche methoden konden worden toegepast in
meetkundige situaties zoals het berekenen van de oppervlakte van gebieden die
door krommen werden begrensd. Hij deed voorbereidend werk in de differentiaal-
en integraalrekening. Met behulp van patronen in eindige processen zocht hij
formules voor oneindige processen.
Isaac Newton (1642-1727) was wel de beroemdste Engelse wis-
en natuurkundige. Hij werd geboren als zoon van een welgestelde landeigenaar,
maar zijn vader stierf nog voor zijn geboorte en zijn moeder liet hem voor een
nieuwe echtgenoot in de steek, zodat hij vooral door zijn grootmoeder en een
oom werd opgevoed. Na een niet al te succesvolle middelbare school loopbaan
ging hij in 1661 naar het Trinity College in Cambridge in eerste instantie om
er rechten te studeren. Hij raakte echter meer en meer geïnteresseerd in
natuurkunde en wiskunde.
Zijn begaafdheid met name op het gebied van de wiskunde bleek pas nadat hij
zich (omdat de universiteit twee jaar gesloten was vanwege het heersen van de
pest) zelf moest bezighouden in zijn ouderlijk huis. In die twee jaren deed hij
zijn belangrijkste ontdekkingen: de differentiaal- en integraalrekening in de
wiskunde en de bewegingswetten in de natuurkunde. Nadat hij in 1669 afstudeerde
en een leerstoel aan de universiteit van Cambridge kreeg toegewezen begon zijn
periode van lezingen en publicaties. Daarbij kon hij slecht omgaan met kritiek
en reageerde hij met psychotisch gedrag, zoals kwade brieven en zich
terugtrekken uit het maatschappelijk verkeer. Toch werd hij in die periode lid
van de Royal Society en schreef hij zijn belangrijkste boeken:
"Opticks" en "Philosophiae Naturalis Principia
Mathematica".
Nadat Newton in
godsdienstige conflicten verzeild raakte (hij was als overtuigd protestant in
conflict met de politiek van de katholieke koning James II) en ook genoeg kreeg
van het universiteitsleven van Cambridge aanvaardde hij een baan als directeur
van de munt en verhuisde naar Londen. Hoewel Newton actief bleef als voorzitter
van de Royal Society (vanaf 1703) verrichtte hij nauwelijks nog nieuw
wetenschappelijk werk. Newton stierf in Londen op 31 maart 1727.
Gottfried Wilhelm
Leibniz (1646 - 1716) was een Duitse
filosoof, een groot en universeel denker, die zich ook met wiskunde bezig
hield. Hij werd geboren in Leipzig alwaar hij de universiteit doorliep en
filosofie en rechten studeerde. Hij verloor alleen de belangstelling voor een
carrière aan een universiteit, maar zocht werk waarbinnen hij voldoende ruimte
voor eigen studie had. Hij wilde overal de beste in zijn.
Via baron Von Boineburg (een voormalig minister van de keurvorst van Mainz)
kwam hij terecht in Frankfurt-am-Main en raakte hij bekend aan het hof in
Mainz. Op een diplomatieke missie reisde hij naar Parijs en Londen waar hij
kennis maakte met wetenschappers van de Parijse Académie en de Londense Royal
Society. Hij bouwde via zijn uitgebreide briefwisselingen in de loop der jaren
contacten op met meer dan 600 wetenschappers in heel Europa en raakte met zijn
originele ideeën op allerlei terreinen als groot denker bekend.
Na de dood van Von Boineburg (in 1672) en de keurvorst van Mainz kreeg Leibniz
een betrekking als bibliothecaris en raadgever aan het hof van de Hertog van
Hannover. Die baan zou hij de rest van zijn leven bekleden. Hij ontplooide er
allerlei activiteiten, van uitvinder van ingenieuze pompen op windenergie voor
het droogleggen van de mijnen in de Härz tot schrijver van religieuze en
filosofische geschriften, onderzoeker van familiestambomen, onderzoeker van de
gesteldheid van de aarde en ook wiskundige.
In dezelfde periode als Newton ontwikkelde Leibniz (onafhankelijk) de
differentiaal- en de integraalrekening. Zijn notaties worden tot op heden
gebruikt. Maar ook ontwikkelde hij het binaire getalstelsel, hield hij zich
bezig met het oplossen van stelsels lineaire vergelijkingen, etc. Over de
ontdekking van de differentiaal- en integraalrekening ontstond zelfs min of
meer een ruzie tussen Leibniz en de Britse wiskundigen over wie nu het eerst
deze theorie had ontdekt.
Gregory
leefde van 1638-1675. Hij was een schotse wiskundige, en zijn bekendste
ontdekking is de spiegeltelescoop.
John Machin werd geboren in 1680 en stierf in
1752. Hij berekende in 1706 p in 100 decimalen.
Leonhard Euler (15 april 1707 - 18 september 1783) was van
oorsprong een Zwitser. Nadat hij in 1726 in de wiskunde afstudeerde aan de
Universiteit van Basel, werd hij in 1727 benoemd aan de Academie voor
Wetenschap in St.Petersburg. Daar volgde hij in 1730 zijn vriend Daniël
Bernouilli op als professor in de wiskunde en vestigde hij zijn grote
reputatie. Vanaf 1738 verslechterde zijn ogen, naar hij zelf zei: vanwege te
grote belasting van de ogen bij de kartografie.
In 1741 werd Euler door Frederik de Grote (koning van Pruisen) naar Berlijn
gehaald om een Academie voor Wetenschap te helpen stichten. Hij deed veel werk
voor Frederik de Grote en de Pruissische regering. In 1768 keerde Euler terug
naar St.Petersburg. Daar werd hij na een ziekte volledig blind, maar zijn
wetenschappelijke productiviteit leed er (dank zijn goede geheugen) nauwelijks
onder. Hij overleed aan een hersenbloeding.
Euler was misschien wel de meest productieve wiskundige ooit. In bijna alle
takken van de wiskunde heeft hij zijn sporen nagelaten, denk maar aan de
formule van Euler uit de meetkunde, het getal e uit de analyse, het
Koningsberger bruggenprobleem, etc.
Carl Friedrich Gauss
(1777 - 1855) was een Duits
wiskundige, geboren in Brunswick. Hij werd al op jonge leeftijd als een soort
van wonderkind herkend en kon jarenlang studeren en onderzoek verrichten op
basis van een toelage van de Hertog van Brunswick-Wolfenbüttel. Na zijn dood werd
Gauss in 1807 hoofd van het gloednieuwe observatorium van de universiteit van
Göttingen, waar hij ook had gestudeerd.
In Göttingen werkte Gauss aan de verdere bouw van het observatorium dat in 1816
gereed was. Gauss publiceerde intussen boeken over sterrenkunde, maar ook over
andere wiskundige onderwerpen zoals rijen en reeksen en kansverdelingen.
In 1818 werd hem gevraagd zich bezig te houden met landmeetkundige
onderzoekingen rond het in kaart brengen van de Duitse staat Hannover. Een
groot deel van zijn verdere leven heeft hij zich met de wiskunde op
boloppervlakken bezig gehouden.
Vanaf 1832 hield Gauss
zich met Weber (een kennis en professor in de natuurkunde in Göttingen) bezig
met onderzoek op het gebied van aardmagnetisme en de afwijking van de magnetische
polen van de geografische polen. Ook op dat terrein heeft Gauss zijn sporen
nagelaten. Nadat in 1838 Weber Göttingen moest verlaten namen ook Gauss'
wetenschappelijke activiteiten af.
In 1849 vierde hij nog zijn 50-jarig jubileum, maar daarna werd zijn gezondheid
minder.
Srinivasa
Aaiyangar Ramanujan (22
december 1887-1920) was een belangrijk wiskundige . Hij werd in Erode in India
geboren en stierf in Madras. Godfried Harold Hardy haalde hem in 1914 naar Cambridge,
waar hij tot 1919 zou blijven.
Vanaf zijn tiende leerde
hij zichzelf wiskunde. Volkomen geïsoleerd van de wiskundige wereld, leidde hij
voor zichzelf 100 jaar westerse wiskunde af. De tragie van zijn leven is
geweest dat hij zoveel tijd heeft verspild aan het opnieuw ontdekken van
bekende wiskunde. Hij slaagde voor geen enkel schoolexamen en kreeg een
onbeduidend baantje in Madras. Van het beetje loon kon hij zichzelf onderhouden
en zich wijden aan zijn wiskundige passie.
In 1913 schreef hij brieven
aan een drietal Engelse wiskundigen. Een van hen, Hardy, herkende zijn
ongelooflijke wiskundige talent en haalde hem naar Engeland, waar hij een
enorme hoeveelheid wiskundig werk produceerde. Volgens Richard Askey,
hoogleraar wiskunde in Wisconsin, die zijn "Lost Notebook"
uit zijn laatste jaar van commentaar voorzag, produceerde hij in zijn laatste
levensjaar evenveel als een groot wiskundige in zijn hele leven.
Hij liet een grote
hoeveelheid ongeordend materiaal na met vele originele stellingen. Pas tussen
1985 en 1997 werden ze geordend en bewezen. In totaal heeft hij zo'n 4000
theorieën nagelaten.
Ramanujan had zijn leven
lang last van een slechte gezondheid en stierf op 33 jarige leeftijd aan
tuberculose.
In
1976 publiceerde Eugene Salamin een p-algoritme
dat bij iedere ronde het aantal p-decimalen
verdubbelde. De tot dan toe gehanteerde algoritmen leverden bij elke ronde
slechts enkele decimalen op. Salamin studeerde wiskunde en was als kind al heel
goed in rekenen.
De
twee broers David (rechts)en Gregory (links) Chudnovsky berekenden p in 4 miljard decimalen. Dit deden
ze op een zelfgemaakte supercomputer,
die beter was dan de computers in de winkels (in die tijd). Een groot deel
Gregory’s appartement in New York werd in beslag genomen door de computer. Het
was begin jaren negentig. Vooral Gregory was en goed wiskundige.
In 1995, op 29 september, 0:29 uur precies, ontdekte
Simon Plouffe in samenwerking met Peter Borwein en David H. Bailey een nieuwe
formule voor p als een oneindige reeks. Deze formule was uniek, omdat hij door een
computer was bedacht.
Plouffe is geboren op 11 juni 1956 in St-Jovite in Canada. Hij was als kind niet zo goed in wiskunde, maar ging het toch studeren daarna volgde hij een opleiding tot programmeur. Hij hield zich ook bezig met pianospelen.