|
Voor
en tijdens de bevalling
Ongeveer 266 dagen
na de bevruchting is het dan zover. Het kind is klaar
om kennis te maken met de grote buitenwereld.
Het ligt in de houding waarin het geboren gaat worden. Meestal is dit met het
hoofdje naar beneden. Het is ingedaald. Dit wil zeggen dat het naar beneden
zakt, met het hoofdje dieper in het bekken. De foetus geeft nu signalen af die
de weeën opgang brengen. Deze signalen zorgen bij de moeder voor de productie
van prostaglandine. Dit zijn hormonen die ervoor zorgen dat de baarmoeder hals
zachter wordt en de baarmoeder wat gaat samentrekken.
De eerste lichte weeën zijn vaak nog niet voelbaar voor de moeder. Deze weeën
zorgen ervoor dat de slijmprop die tijdens de zwangerschap de baarmoederhals
afgesloten heeft, los komt. Het loskomen van de slijmprop heet: tekenen.
De baarmoederhals wordt bij iedere wee kleiner. Dit wordt verstrijken van de
baarmoedermond genoemd. Na het verstrijken gaat de baarmoedermond open. dit heet
ontsluiting. De
weeën die de ontsluiting veroorzaken heten ontsluitingsweeën. Tijdens de
ontsluitingweeën drukt het kind met het achterhoofd tegen de
baarmoederhals. Hierdoor gaat de baarmoedermond steeds meer openstaan. De baby
heeft de kin stevig op de borst gedrukt. De ontsluitingsweeën zorgen ook voor
het breken van de vliezen. Het vruchtwater kan nu weglopen. Tijdens de
uitdrijving wordt er nog steeds kleine hoeveelheden vruchtwater aangemaakt. Het
verlies van vruchtwater gaat dus nog door tijdens de bevalling.
De weeën die zorgen voor de ontsluiting en ook de weeën die gaan zorgen voor
de uitdrijving, de persweeën, worden aangestuurd door het hormoon
oxytocine. Dit hormoon wordt veroorzaakt door het drukkende gewicht van het kind
op de baarmoedermond. Deze stuurt zenuwimpulsen naar de hypotalomus. Deze zet de
hypofyse aan tot de productie van oxytocine. De oxytocine zorgt voor krachtigere
samentrekking van de spieren in de baarmoeder wand. Deze weeën gaan zorgen voor
de uitdrijving van het kind. De oxytocine heeft ook gezorgd voor productie van
het hormoon prolactine, die de melkafgifte bevordert.

Bij iedere wee krijgt het kind minder zuurstoftoevoer. Dit wordt veroorzaakt
doordat de placenta bij iedere samentrekking van de baarmoeder minder
bloedtoevoer krijgt. De bijnieren zorgen dat het kind deze hindernis kan
doorstaan. Het produceert grote hoeveelheden adrenaline en noradrenaline. Deze
hormonen vergroten het pompvermogen van het hart en versnellen de hartslag. Het
sluist bloed naar de hersenen en verhogen het bloedsuikerniveau.
De hormonen bereiden de longen voor op het leven buiten het
moederlichaam. Adrenaline vermindert de vorming van longvloeistof, die tijdens
de zwangerschap wordt geproduceerd en wat de longblaasjes vult.
Om het geboortekanaal goed te kunnen passeren worden de vijf schedelbeenderen
van het kindje tegen elkaar aangedrukt. Het hoofdje krijgt zo een langgerekte
vorm, waarmee het makkelijker het geboortekanaal passeert. Ook neemt de baby een
andere houding aan. Het draait het hoofdje zodat de draai, die veroorzaakt wordt
door het schaambeen makkelijker genomen kan worden. Dit draaien heeft ook tot
reactie dat de moeder het gevoel krijgt dat ze moet persen. Dit komt omdat het
kind met het gezicht tegen de stuit en bilnaad drukt. De armpjes houdt het kind
stevig tegen zich aangedrukt, om hindernissen tijdens het passeren van het
geboortekanaal te voorkomen.
Omhoog
|