1. De heilige Schrift
De heilige Schrift, het Oude en Nieuwe Testament, is het geschreven Woord van God, door
goddelijke inspiratie overgeleverd aan "heilige mensen Gods", die in hun spreken en schrijven
gedreven werden door de heilige Geest. In dit Woord heeft God de mens de nodige
kennis tot heil aangereikt. De heilige Schrift is de onfeilbare openbaring van zijn wil. Deze is
de norm voor gedrag en geloofsbeleving, de gezaghebbende openbaringsbron van de geloofsleer
en het betrouwbare verslag van Gods daden in de geschiedenis.
(Psalmen 119:105; Spreuken 30:5,6; Jesaja 8:20; Johannes 10:35; 17:17; 1 Tessalonicenzen 2:13;
2 Timoteüs 3:16; Hebreeërs 4:12; 2 Petrus 1:20,21).
2. De Drieëenheid
Er is één God, Vader, Zoon en heilige Geest, en deze drie zijn één. God is eeuwig, almachtig,
alwetend, boven alles en altijd tegenwoordig. Hij is onbegrensd en door de mens niet te
doorgronden, maar kan desondanks gekend worden vanuit zijn zelfopenbaring.
Hij is te allen tijde onze aanbidding en verering waardig en moet door de gehele schepping
gediend worden.
(Deuteronomium 6:4; 29:29; Matteüs 28:19; 2 Korintiërs 13:14; Efeziërs 4:4-6;
1 Timoteüs 1:17; 1 Petrus 1:2; Openbaring 14:6,7).
3. De Vader
God de eeuwige Vader is de Schepper, de Bron, de Onderhouder en de Heerser over al
het geschapene. Hij is rechtvaardig en heilig, genadig en barmhartig, traag tot toorn en rijk
aan niet aflatende liefde en trouw. Wat wij aan hoedanigheden en krachten in
de Zoon en in de heilige Geest ontdekken, zijn eveneens openbaringen van de Vader.
(Genesis 1:1; Exodus 34:6,7; Johannes 3:16; 14:9; 1 Korintiërs 15:28;
1 Timoteüs 1:17; 1 Johannes 4:8; Openbaring 4:11).
4. De Zoon
Door Hem werd alles geschapen, werd het karakter van God geopenbaard, de redding van
de mensheid tot stand gebracht en de wereld geoordeeld.Voor eeuwig waarlijk God, werd
Hij ook waarlijk mens: Jezus, de Christus. Hij werd ontvangen uit de heilige Geest en geboren
uit de maagd Maria. Hij leefde als mens en werd verzocht, maar openbaarde op volmaakte
wijze de rechtvaardigheid en liefde van God. In zijn wonderen werd Gods macht zichtbaar.
Zij getuigden van zijn goddelijke roeping als Messias.
Hij leed en stierf vrijwillig aan het kruis voor onze zonden, werd opgewekt uit de doden en
voer ten hemel om in het hemels heiligdom voor ons de dienst te verrichten. Hij zal terugkeren
in heerlijkheid voor de uiteindelijke verlossing van zijn volk en het herstel van alle dingen.
(Lucas 1:35;Johannes 1:1-3,14;5:22;10:30;14:1-3,9; Hebreeërs 2:9-18; 4:15; 7:25; 8:1,2; 9:28;
Romeinen 5:18; 6:23; 1 Korintiërs 15:3,4; 2 Korintiërs 5:17-21; Filemon 2:5-11;
Kolossenzen 1:15-19; 1 Petrus 2:21; Openbaring 22:20).
5. De heilige Geest
God de eeuwige Geest was met de Vader en de Zoon werkzaam in de schepping, vleeswording
en verlossing. Hij inspireerde de schrijvers van de Bijbel. Hij vulde Christus' leven met macht.
Hij nodigt en overtuigt de mens, en hij die gehoor geeft, vernieuwt en verandert Hij naar het
beeld van God. Gezonden door de Vader en de Zoon, om altijd bij zijn kinderen te zijn,
deelt Hij geestelijke gaven uit aan de gemeente, geeft Hij haar kracht om van Christus
te getuigen en leidt haar, in overeenstemming met de Schrift, in alle waarheid.
(Genesis 1:1-2; Lucas 1:35; 4:18; Johannes 14:16-18, 26; 15:26-27; 16:7-13;
Handelingen 1:8; 10:38; 2 Korintiërs 3:18; Efeziërs 4:11-12; 2 Petrus 1:21).
6. De schepping
God is de Schepper van alle dingen en heeft in de Schrift het waarachtige verslag van zijn
scheppend werken geopenbaard. In zes dagen heeft de Heer "de hemel en de aarde" en alle
levende wezens op aarde gemaakt, en op de zevende dag van die eerste week heeft Hij gerust.
Op deze wijze heeft Hij de sabbat ingesteld als een blijvend gedenkteken van zijn voltooid
scheppingswerk. De eerste man en vrouw werden gemaakt naar het beeld van God als de
bekroning van de schepping. Hun werd heerschappij gegeven over de aarde en
verantwoordelijkheid haar te onderhouden.Toen de wereld voltooid was, was alles "zeer goed",
en verkondigde deze Gods eer.
(Genesis 1; 2; Exodus 20:8-11; Psalmen 19:1-6; 33:6,9; 104; Johannes 1:1-3;
Kolossenzen 1:16-17; Hebreeërs 11:3).
7. De natuur van de mens
Man en vrouw werden naar het beeld van God geschapen met persoonlijkheid, macht en
vrijheid om te denken en te doen. Elk mens is een ondeelbare eenheid van lichaam, ziel en
geest. Ofschoon als vrij wezen geschapen, blijft hij van God afhankelijk voor zijn leven en al het
overige. Toen onze stamouders God ongehoorzaam werden, ontkenden zij hun afhankelijkheid van
Hem, en verloren hun hoge positie onder God. Het beeld van God in hen werd vervormd, en
zij raakten aan de dood onderworpen. Hun nakomelingen delen in deze gevallen natuur en
de gevolgen hiervan. Zij worden geboren met zwakheden en de neiging tot kwaad. Maar God
verzoende in Christus de wereld met Zichzelf en herstelt door zijn Geest in berouwvolle stervelingen
het beeld van hun Maker. Zij zijn geschapen tot eer van God en geroepen om Hem
en elkaar lief te hebben en voor hun omgeving te zorgen.
(Genesis 1:26-28; 2:7; 3; Psalmen 8:4-8; 51:5; Handelingen 17:24-28;
Romeinen 5:12-17; 2 Korintiërs 5:19,20).
8. De grote strijd
De hele mensheid is nu betrokken in een grote strijd tussen Christus en satan aangaande
het karakter van God, zijn wet en zijn heerschappij over het universum. Dit conflict begon
in de hemel, toen een geschapen wezen, begiftigd met vrijheid van keuze, in zelfverheffing
tot satan, Gods tegenstander, werd, en een deel van de engelen tot opstand aanzette. Hij bracht
de geest van opstand deze wereld in toen hij Adam en Eva tot zonde verleidde. Deze zonde
van de mens had de vervorming van het beeld van God in het mensdom tot gevolg.
Dit leidde tot wanorde binnen de geschapen wereld en de uiteindelijke vernietiging daarvan
ten tijde van de wereldomvattende zondvloed. Ten aanschouwen van de hele schepping
werd deze wereld het strijdperk van het alomvattend conflict. Daarin zal God uiteindelijk als
een God van liefde in het gelijk worden gesteld. Om zijn volk in deze strijd bij te staan,
zendt Christus de heilige Geest en getrouwe engelen om hen te leiden, te beschermen en te
ondersteunen op de weg des heils.
(Genesis 3; 6; 7; 8; Jesaja 14:12-14; Ezechiël 28:12-18; Romeinen 1:19-32; 5:12-21; 8:19-22;
1 Korintiërs 4:9; Hebreeërs 1:4-14; 2 Petrus 3:6; Openbaring 12:4-9).
9. Het leven, de dood en de opstanding van Christus
In Christus' leven van volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, zijn lijden, dood en
opstanding, heeft God voorzien in het enige zoenmiddel voor de zonde van de mens, zodat
zij die door het geloof deze verzoening aanvaarden, eeuwig leven mogen ontvangen en
de hele schepping de oneindige en heilige liefde van de Schepper mag verstaan.
Deze volmaakte verzoening stelt de rechtvaardigheid van Gods wet en zijn genadevolle
karakter op overtuigende wijze vast; want het veroordeelt onze zonde en verschaft ons tegelijkertijd
vergeving. De dood van Christus is plaatsvervangend en uitdelgend, verzoenend
en herscheppend. De opstanding van Christus verkondigt Gods overwinning
op de krachten van het kwade, en verzekert degenen die de verzoening aanvaarden,
hun uiteindelijke overwinning op zonde en dood. Deze opstanding geeft aan, dat Jezus
Christus hun Heer is, voor wie alle knie, in hemel en op aarde, zal buigen.
(Jesaja 53; Johannes 3:16; Romeinen 1:4; 3:25; 4:25; 8:3,4; 2 Korintiërs 5:14,15,19-21;
Filemon 2:6-11; Kolossenzen 2:15; 1 Johannes 2:2; 4:10).
10. De ervaring van verlossing
In oneindige liefde en genade heeft God Christus -die geen zonde gekend heeft- voor
ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. Door de Geest
geleid, beseffen we onze tekortkomingen, erkennen wij onze zondigheid, hebben wij berouw
over onze overtredingen en oefenen wij geloof in Jezus als Christus en Heer, als plaatsvervanger
en voorbeeld. Dit geloof, dat de verlossing ontvangt, komt door de goddelijke
macht van het Woord en is Gods genadegave. Door Christus worden wij gerechtvaardigd,
aangenomen als kinderen van God en bevrijd van de heerschappij van de zonde. Door de
Geest worden wij wedergeboren en geheiligd; de Geest vernieuwt onze geest, schrijft Gods
wetten van liefde in ons hart en geeft ons de kracht een heilig leven te leiden. Wanneer wij
in Hem blijven, krijgen we deel aan de goddelijke natuur en hebben wij de verzekering van
het heil, nu en in het oordeel.
(Psalmen 27:1; Jesaja 12:2; Jona 2:9; Matteüs 18:3; Johannes 3:3-8; 3:16;
Romeinen 3:24-26; 4:25; 5:6-10; 6:9-15; 8:1-4,14,15,26,27; 10:7; 1 Korintiërs 2:5; 15:3,4;
2 Korintiërs 5:17-21; Galaten 1:4; 2:19,20; 3:13; 3:26; 4:4-7; Efeziërs 2:5-10; 3:16-19;
Hebreeërs 8:7-12;1 Petrus 1:23; 2:21; 1 Johannes 1:9; 2:1).
11. De kerk
De kerk is de gemeenschap van gelovigen die Jezus Christus als Heer en Heiland belijdt. In
aansluiting op het volk van God in oudtestamentische tijden, worden we uit de wereld geroepen
en komen wij samen om te aanbidden, om de verbondenheid met elkaar te beleven,
onderricht te worden in het Woord, om de maaltijd des Heren te vieren, de gehele mensheid
te dienen en het evangelie aan de hele wereld te verkondigen. De kerk ontleent haar gezag
aan Christus, het vleesgeworden Woord, èn aan de heilige Schrift, die het geschreven Woord is.
De kerk is Gods gezin; de leden ervan (die door Hem als zijn kinderen zijn aangenomen), leven
onder het nieuwe verbond. De kerk is het lichaam van Christus, een geloofsgemeenschap waarvan
Christus Zelf het hoofd is. De kerk is de bruid voor wie Christus stierf om haar te heiligen en te reinigen.
Bij zijn terugkeer in heerlijkheid zal Hij haar voor Zich plaatsen als een stralende kerk, de getrouwen
uit alle eeuwen, gekocht door zijn bloed, zonder vlek of rimpel, maar heilig en onbesmet.
(Genesis 12:3; Matteüs 16:13-20; 21:43; Johannes 20:21,22; Handelingen 1:8; 7:38;
Romeinen 8:15-17; 1 Korintiërs 12:13-27; Efeziërs 1:15,23; 2:12; 3:8-11, 15; 4:11-15).
12. De rest en haar zending
De algemene kerk bestaat uit allen die waarachtig in Christus geloven. In het laatste der dagen,
een tijd van algemene afval, is een rest ertoe geroepen om de geboden van God en het geloof
van Jezus te houden. Deze rest kondigt aan, dat het uur van het oordeel is gekomen, predikt
het heil in Christus en verkondigt zijn naderende wederkomst.
Deze afkondiging wordt verbeeld door de drie engelen van Openbaring 14; zij valt samen
met het oordeelswerk in de hemel en leidt tot een werk van berouw en vernieuwing op aarde.
Iedere gelovige wordt geroepen om persoonlijk deel te nemen aan dit wereldwijde getuigenis.
(Matteüs 24:14; 28:18-20; Marcus 16:15; 2 Korintiërs 5:10; Efeziërs 5:22-27;
Openbaring 12:17; 14:6-12; 18:1-4; 21:1-14).
13. De eenheid in het lichaam van christus
De kerk is één lichaam met vele leden, geroepen uit alle natie, geslacht, tong en volk. In
Christus worden we een nieuwe schepping; onderscheid in ras, cultuur, ontwikkeling en
nationaliteit, en verschillen tussen hoog en laag, rijk en arm, mannelijk en vrouwelijk, mogen
geen verdeeldheid onder ons teweegbrengen. Wij zijn allen gelijk in Christus, die ons door
één Geest in één gemeenschap met Hem en met elkaar verbonden heeft; wij moeten dienen
en ons laten dienen zonder partijdigheid of terughoudendheid.
Door de openbaring van Jezus Christus in de Schrift delen wij in hetzelfde geloof en dezelfde
hoop, en doen al het mogelijke dàt in een gemeenschappelijk getuigenis aan allen uit te dragen.
Deze eenheid heeft haar bron in de eenheid van de drieënige God, die ons aangenomen heeft
als zijn kinderen.
(Psalmen 133:1; Johannes 17:20-23; Handelingen 17:26,27;1 Korintiërs 12:12-14;2 Korintiërs 5:16,17;
Galaten 3:27-29; Efeziërs 4:1-6; Kolossenzen 3:10-15; Jakobus 2:2-9;1 Johannes 5:1).
14. De doop
In de doop belijden wij ons geloof in de dood en opstanding van Jezus Christus en betuigen
onze dood voor de zonde en ons voornemen in nieuwheid des levens te wandelen.
Zo erkennen wij Christus als Heer en Heiland, worden zijn volk en worden wij door zijn kerk
als leden aanvaard. De doop is een zinnebeeld van onze verbondenheid met Christus,
de vergeving van onze zonden en ons ontvangen van de heilige Geest. De doop vindt
plaats door onderdompeling in water en op de belijdenis van het geloof in Jezus en
blijk van berouw. Hij volgt op onderricht vanuit de heilige Schrift en aanvaarding
van de bijbelse leer.
(Matteüs 3:13-16; 28:19,20; Handelingen 2:38; 16:30-33;22:16; Romeinen 6:1-6;
1 Korintiërs 12:13; Galaten 3:27; Kolossenzen 2:12,13; 1 Petrus 3:21).
15. De maaltijd des heren
De maaltijd des Heren is het deelnemen aan de tekenen van het lichaam en bloed van Jezus
als een uitdrukking van het geloof in Hem, onze Heer en Heiland. In deze ervaring van gemeenschap
is Christus aanwezig om zijn volk te ontmoeten en kracht te geven. Wanneer wij
eraan deelnemen, verkondigen wij, vol vreugde, de dood van de Heer tot Hij komt.
Aan de maaltijd gaan vooraf: voorbereiding, berouw en belijdenis. De Meester stelde de
dienst van de voetwassing in als teken van hernieuwde reiniging, om uitdrukking te geven
aan de bereidheid elkaar, naar het voorbeeld van Jezus, in nederigheid te dienen en om onze
harten in liefde te verbinden. De maaltijd des Heren is toegankelijk voor alle gelovige christenen.
(Matteüs 26:17-30; Johannes 6:48-63; 13:1-17; 1 Korintiërs 11:23-30; 10:16,17; Openbaring 3:20).
16. Geestelijke gaven en bedieningen (ambten)
God schenkt aan alle leden van zijn kerk -van alle- eeuwen geestelijke gaven die elk lid dient
te gebruiken in een liefdevolle dienst voor het algemeen welzijn van de kerk en de mensheid.
De gaven worden gegeven door middel van de heilige Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt
gelijk Hij wil. De gaven verschaffen alle bekwaamheden en ambten die de kerk nodig heeft om haar
van God gegeven taak te vervullen. Volgens de heilige Schrift omvatten deze gaven o.a. bedieningen
van geloof, profetie, genezing, verkondiging, onderwijs, bestuur, verzoening, medegevoel en
zelfopofferend dienstbetoon en liefde om de mensen te helpen en te bemoedigen.
Sommige leden worden door God geroepen en door de Geest begiftigd voor ambten zoals
herder, evangelist, apostel of leraar en worden als zodanig door de kerk erkend. Zij zijn nodig
om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van de kerk tot geestelijke rijpheid
en om de eenheid van het geloof en de kennis van God te bevorderen.
Wanneer leden als trouwe rentmeesters deze geestelijke gaven van Gods veel kleurige genade
gebruiken, wordt de kerk beschermd tegen de vernietigende invloed van valse leer. Zij groeit
dan met een groei die van God is, en wordt opgebouwd in geloof en liefde.
(Matteüs 25:31-36; Handelingen 6:1-7; Romeinen 12:4-8; 1 Korintiërs 12:9-11,27,28;
2 Korintiërs 5:14-21; Efeziërs 4:8,11-16; Kolossenzen 2:19; 1 Timoteüs 2:1-3; 1 Petrus 4:10,11).
17.Gave der profetie
Een van de gaven van de Geest is profetie. Deze gave is een kenmerk van de gemeente der
overigen, en kwam tot uiting in het werk van Ellen G.White. Als gezondene van de Heer
vormen haar geschriften een blijvende en gezaghebbende bron van waarheid en verschaffen
zij de kerk troost, onderwijs en vermaning. Deze geschriften maken ook duidelijk,
dat de Bijbel de norm is waaraan alle onderwijs en ervaring moet worden getoetst.
(Joël 2:28,29; Handelingen 2:14-21; Hebreeërs 1:1-3; Openbaring 12:17; 19:10).
18. De wet van God
De belangrijkste grondbeginselen van Gods wet zijn vervat in de Tien Geboden en werden
nageleefd in het leven van Christus. Zij zijn een uitdrukking van Gods liefde, zijn wil en zijn
bedoelingen t.a.v. het gedrag en de onderlingen verhoudingen van de mens, en zijn bindend
voor alle mensen in alle tijden. Deze voorschriften zijn de grondslag van Gods verbond
met zijn volk en vormen de maatstaf in Gods oordeel. Door de werkzaamheid van de heilige
Geest wijzen zij zonde aan en wekken het besef dat wij een Zaligmaker nodig hebben.
De verlossing is geheel uit genade en niet uit (de) werken, maar de vrucht ervan is gehoorzaamheid
aan de geboden. Deze gehoorzaamheid draagt bij tot de ontwikkeling van een
christelijk karakter en loopt uit op een besef van vrede. Zij is het blijk van onze liefde voor
de Heer en onze zorg voor onze medemens. De geloofsgehoorzaamheid toont de macht van
Christus om mensen te veranderen en ondersteunt daarom het christelijk getuigenis.
(Exodus 20:1-17; Deuteronomium 28:1-14; Psalmen 19:7-13; Matteüs 5:17; 22:36-40;
Johannes 14:15; Romeinen 8:1-4; Efeziërs 2:8; 1 Johannes 5:3).
19. De sabbat
De weldadige Schepper rustte, na de zes scheppingsdagen, op de zevende dag en stelde
de sabbat in voor alle mensen als een gedenkteken van de schepping. Het vierde gebod van
Gods onveranderlijke wet eist de viering van de sabbat (de zevende dag) als de dag van rust,
aanbidding en bediening in overeenstemming met het onderwijs en de gewoonte van Jezus,
de Heer van de sabbat. De sabbat is een dag van vreugdevol omgaan met God en de naaste.
Hij is een symbool van onze verlossing in Christus, een teken van onze heiliging, een
bewijs van onze trouw en een voorproef van onze eeuwige toekomst in Gods Koninkrijk.
De sabbat is Gods altijddurende teken van het eeuwig verbond tussen Hem en zijn volk. Het
vreugdevol waarnemen van deze heilige tijd, van avond tot avond, van zonsondergang tot
zonsondergang, is een viering van Gods scheppend en verlossend handelen.
(Genesis 2:1-3; Exodus 20:8-11; 31:12-17; Leviticus 23:32; Deuteronomium 5:12-15;
Jesaja 56:5,6,; 58:13, 14; Marcus 2:27,28; Lucas 4:16; Hebreeërs 4:1-11).
20. Rentmeesterschap
Wij zijn Gods rentmeesters. Van Hem ontvangen wij tijd en mogelijkheden, bekwaamheden
en bezit, en de zegeningen van de aarde en haar rijkdommen.Wij zijn aan Hem verantwoording
schuldig voor het juiste gebruik hiervan.Wij erkennen Gods eigendomsrecht door Hem en onze
medemensen trouw te dienen en door onze tienden terug te geven en gaven te brengen voor
de verkondiging van zijn evangelie en voor het welzijn en de groei van zijn kerk.
Rentmeesterschap is een voorrecht, ons door God gegeven om ons in liefde op te voeden
en ons de overwinning te doen behalen over egoïsme en hebzucht. De rentmeester verheugt
zich in de zegeningen die anderen ten deel vallen als gevolg van zijn getrouwheid.
(Genesis 1:26-28; 2:15; Haggai 1:3-11; Maleachi 3:8-12;Matteüs 23:23;1 Korintiërs 9:9-14).
21. Het gedrag van de christen
Wij zijn geroepen om een godvruchtig volk te zijn, dat denkt, voelt en handelt in
overeenstemming met de hemelse beginselen. Om de heilige Geest de gelegenheid te geven in ons
het karakter van de Heer te herscheppen, wensen wij alleen betrokken te zijn bij die dingen
die een christelijke reinheid, gezondheid en vreugde in ons leven tot stand brengen. D.w.z.
dat ontspanning en vrijetijdsbesteding moeten voldoen aan de hoogste normen van christelijke
smaak en verfijning. Bij alle verschil in cultuur behoort onze kleding eenvoudig,
bescheiden en netjes te zijn, zoals het hen betaamt wier schoonheid niet bestaat
uit uitwendige versierselen, maar uit de onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en
stille geest. Omdat ons lichaam een tempel is van de heilige Geest, dienen wij er op een verstandige
manier mee om te gaan. Naast voldoende lichaamsbeweging en rust, moeten wij ons zo
gezond mogelijk voeden en ons onthouden van onrein voedsel, zoals in de Schrift aangegeven.
Daar alcoholische dranken, tabak en het onverantwoordelijk gebruik van medicijnen en
verdovende middelen schadelijk zijn voor het lichaam, behoren wij ons daarvan eveneens te
onthouden. In plaats daarvan moeten wij bezig zijn met al die dingen die onze gedachten en
ons lichaam brengen onder het gezag van Christus, die het beste met ons voorheeft.
(Leviticus 11:1-47; Romeinen 12:1,2; 1 Korintiërs 6:19,20; 10:31; 2 Korintiërs 7:1; 10:5;
Efeziërs 5:1-13; Filemon 4:8; 1 Timoteüs 2:9,10; 1 Petrus 3:1-4; 1 Johannes 2:6).
22.Huwelijk en gezin
Het huwelijk werd in Eden door God ingesteld. Jezus onderstreepte dat het huwelijk een
levenslange verbintenis is tussen man en vrouw in liefdevolle kameraadschap.Voor de christen
is een huwelijk bindend jegens zowel God als de partner en behoort alleen aangegaan te worden
door partners die van hetzelfde geloof zijn. Wederzijdse liefde, eer, respect en verantwoordelijkheid
zijn de bouwstenen van deze relatie, die de liefde, heiligheid, hechtheid en het blijvende
van de band tussen Christus en zijn kerk weerspiegelen. Met betrekking tot echtscheiding leerde
Jezus dat degene die van zijn partner scheidt, behalve in geval van overspel, en een ander
trouwt, echtbreuk pleegt. Ofschoon sommige gezinsrelaties verre van ideaal zijn, mogen
huwelijkspartners die zich in Christus geheel op elkaar richten, door de leiding van
de Geest en de zorg van de kerk, hopen een eenheid in liefde te bereiken. God zegent het gezin
en wenst dat gezinsleden elkaar bijstaan op de weg naar volwassenheid. Ouders moeten
hun kinderen opvoeden om de Heer lief te hebben en te gehoorzamen. Door hun
voorbeeld en woorden moeten zij hen leren dat Christus een liefhebbende, altijd tedere en
zorgzame tuchtmeester is, die wil dat zij leden van zijn lichaam, het gezin van God, worden.
Toenemende gezinshechtheid is één van de kenmerken van de laatste evangelieboodschap.
(Genesis 2:18-25; Deuteronomium 6:5-9; Spreuken 22:6; Maleachi 4:5,6; Matteüs 5:31,32; 19:3-9;
Marcus 10:11,12; Lucas 16:18; Johannes 2:1-11; 1 Korintiërs 7:10,11; Efeziërs 5:21-33; 6:1-4).
23. De dienst van Christus in het hemels heiligdom
Er is een heiligdom in de hemel, de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht, en niet
een mens. Daarin doet Christus dienst, ons ten goede, en maakt Hij de resultaten van zijn
zoenoffer, dat eens en voor altijd aan het kruis is gebracht, beschikbaar voor alle gelovigen.
Hij werd als onze grote Hogepriester ingewijd en begon zijn bemiddelende dienst bij zijn hemelvaart.
In 1844, aan het einde van het profetische tijdperk van 2300 dagen, begon Hij aan
de tweede en laatste fase van zijn verzoeningswerk. Dit is een werk van onderzoekend oordeel,
dat deel uitmaakt van de uiteindelijke verdelging van alle zonde, uitgebeeld in de reiniging
van het Hebreeuwse heiligdom, uit de oudheid, op de Grote Verzoendag. In deze zinnebeeldige
dienst werd het heiligdom gereinigd met bloed van dierenoffers, maar de hemelse
dingen worden gereinigd door het volmaakte offer van het bloed van Christus.
Het onderzoekend oordeel openbaart aan de hemelse wezens welke doden in Christus zijn
ontslapen en daarom, in Hem,waardig worden geacht deel te hebben aan de eerste opstanding.
Het maakt ook duidelijk welke van de levenden in Christus standhouden, de geboden van God
en het geloof van Jezus bewaren, en daarom in Hem gereed zijn voor opneming in zijn eeuwig
koninkrijk. Dit oordeel toont de gerechtigheid van God aan in de verlossing van hen die
in Christus geloven. Het verklaart dat zij die God trouw zijn gebleven, het koninkrijk zullen
ontvangen. De voltooiing van dit dienstwerk van Christus luidt het einde van de genadetijd
voor de mens, vlak voor de wederkomst, in.
(Leviticus 16; Numeri 13:34; Ezechiël 4:6; Daniël 7:9-27; 8:13,14; 9:24-27; Maleachi 3:1;
Hebreeërs 1:3; 8:1-5;9:11-28;Openbaring 14:12;20:12;22:12).
24. De tweede komst van Christus
De wederkomst van Christus is de gezegende hoop van de kerk, de grootste climax van het
evangelie. De komst van de Verlosser zal werkelijk, persoonlijk, zichtbaar en wereldomvattend
zijn. Bij zijn komst zullen de rechtvaardige doden worden opgewekt, en te zamen met de levende
rechtvaardigen worden verheerlijkt en in de hemel worden opgenomen. Maar de onrechtvaardigen
zullen sterven. Het feit dat de meeste profetische lijnen vrijwel geheel in vervulling zijn gegaan en
de huidige toestand in de wereld, tonen aan dat Christus' komst op handen is. Het moment van die
gebeurtenis is niet geopenbaard en daarom worden wij gemaand te allen tijde bereid te zijn.
(Joël 3:9-16; Matteüs 24; Marcus 13; Lucas 21; Johannes 14:1-3; Handelingen 1:9-11; 1 Korintiërs 15:51-54;
1 Tessalonicenzen 4:16,17; 2 Tessalonicenzen 2:8; 2 Timoteüs 3:1-5;Titus 2:13; Hebreeërs 9:28).
25. Dood en opstanding
Het loon van de zonde is de dood. Maar God, die alleen onsterfelijk is, zal aan de verlosten
eeuwig leven verlenen.Tot die dag is de dood voor alle mensen een toestand van onbewustzijn.
Wanneer Christus, die ons leven is, verschijnt, zullen de opgestane en de dan nog levende
rechtvaardigen verheerlijkt en opgenomen worden om hun Heer te ontmoeten.
De tweede opstanding, die der onrechtvaardigen, zal duizend jaar later plaatsvinden.
(Psalmen 146:4; Prediker 9:5,6; Johannes 5:24,28,29; Romeinen 6:23; 8:35-39;
1 Korintiërs 15:51-54; 1 Tessalonicenzen 4:13-17; 1 Timoteüs 6:15,16; Openbaring 20:1-10).
26. Het millennium en het einde van de zonde
Het millennium is de duizendjarige regering van Christus met zijn heiligen in de hemel tussen
de eerste en de tweede opstanding. Gedurende deze periode worden de onrechtvaardige
doden geoordeeld; de aarde zal geheel verlaten zijn, zonder levende menselijke bewoners,
maar bevolkt door satan en zijn engelen. Aan het einde hiervan zullen Christus met
zijn heiligen en de heilige Stad nederdalen van de hemel naar de aarde. De onrechtvaardige
doden zullen dan worden opgewekt en met satan en zijn engelen de stad omsingelen; maar
vuur van God zal hen verteren en de aarde reinigen. Zo zal het heelal voor eeuwig worden
bevrijd van zonde en zondaars.
(Jeremia 4:23-26; Ezechiël 28:18; Zacharia 14:1-4; Maleachi 4:1; 1 Korintiërs 6;
2 Tessalonicenzen 1:7-9; 2 Petrus 2:4; Openbaring 19:17,18,21; 20).
27. De nieuwe aarde
Op de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, zal God een eeuwig tehuis voor de verlosten
bieden, en een volmaakt milieu voor eeuwig leven, liefde, vreugde en ontwikkeling
in zijn aanwezigheid. Want hier zal God zelf bij zijn volk wonen, en leed en dood zullen voorbij
zijn. De grote strijd zal ten einde zijn en er zal geen zonde meer zijn. Alles, bezield of onbezield,
zal verklaren dat God liefde is en Hij zal voor eeuwig heersen.
(Genesis 17:1-8; Jesaja 35; 65:17-25; Matteüs 5:5; 2 Petrus 3:13; Openbaring 21:1-7; 22:1-5; 11:15). |