Instrumentenparade

Inhoud

blaasinstrumenten in families
transponerende instrumenten
mondstukken
houten blaasinstrumenten
koperen blaasinstrumenten
slagwerk
melodisch slagwerk

Zoek je alleen informatie over een bepaald instrument, dan kun je kiezen uit de instrumenten hieronder.

bekkens ; bongo's ; buisklokken ; castagnetten ; conga's ; djembé ; dwarsfluit ; fagot ; gong ; grote trom ; hobo ; hoorn ; klarinet ; kleine trom ; pauken ; piccolo ; saxofoon ; tamboerijn ; timbales ; triangel ; trombone ; trompet ; tuba ; woodblock ; xylofoon.

Blaasinstrumenten in families

Elke familie van instrumenten heeft zijn eigen klankkarakter. Binnen een bepaalde familie onderscheidt men sopraan-, alt-, tenor-, bariton- en basinstrumenten, een indeling die van de zangstemmen afkomstig is.

In blaasorkesten treden sommige families van instrumenten kompleet of bijna kompleet op. Van andere families zijn slechts enkele leden vertegenwoordigd.

Wel eens op een leeg flesje geblazen? Zet je onderlip tegen opening van de fles en blaas over de opening heen. Als je de juiste stand gevonden hebt hoor je een toon. Doe nu wat water in de fles en blaas opnieuw: de toon is nu hoger. Door water in de fles te doen verminder je de hoeveelheid lucht en hoe minder lucht er in beweging wordt gebracht, hoe hoger de toon is. Ziedaar het principe van de blaasinstrumenten, in het biezonder van de fluit. Hoe langer de buis, hoe lager de toon.

De vier hoofdgroepen van instrumenten die in blaasorkesten worden gebruikt zijn:

  1. houten blaasinstrumenten
  2. saxofoons
  3. koperen blaasinstrumenten
  4. slaginstrumenten.

Er zijn drie typen blaasorkesten:

  1. het harmonie orkest: met hout, saxofoons, koper en slagwerk (soms ook strijkbassen, contrabassen)
  2. het fanfare orkest: met saxofoons, koper en slagwerk
  3. de brassband: met koper en slagwerk

Blaasinstrumenten worden ook wel aërofonen genoemd. Aërofonen zijn instrumenten, waarbij het geluid wordt geproduceerd door de trilling van de luchtzuil in het instrument: "aëro" betekent lucht en "foné" betekent klank.
De luchtzuil kan cylindrisch zijn (fluit, klarinet), conisch (hobo, fagot, saxofoon) of samengesteld (door toevoeging van een beker e.d., bij trompet, hoorn, trombone).
De trilling wordt veroorzaakt door het aanblazen door een verwisselbaar mondstuk of door een rietje. Bij fluiten wordt over het mondstuk geblazen.
Elk instrument heeft een bepaalde grondtoon die wordt bepaald door de lengte en de vorm van de buis van het instrument. Andere tonen krijg je door de lipspanning te veranderen, door gebruik van een systeem van gaten en kleppen, door ventielen te gebruiken of door het in en uit elkaar schuiven van buizen.

Naar boven

Transponerende instrumenten

Bij een transponerend instrument hoor je een andere toon dan je speelt. Speel je een G op de klarinet dan hoor je een F met andere woorden: dit instrument transponeert de toon een hele toon omlaag. En dat is dan nog de meest gebruikelijke bes-klarinet. Vroeger was de klarinet verkrijgbaar in een hele reeks verschillende afmetingen: van groot naar klein, voor de lage tonen en voor het hogere bereik. En elke afmeting transponeert naar een andere toonsafstand. Op die manier kan de bespeler dezelfde vingerzetting gebruiken bij instrumenten met verschillende grondtonen. Het bestaan van verschillend gestemde klarinetten vindt zijn oorzaak in de verschillende timbres of klankkleuren en in het feit dat moeilijke grepen vermeden kunnen worden. De componisten schrijven in de partituur en de partijen de noten zoals de klarinettist ze leest en niet zoals ze klinken zodat de klarinettist elke klarinet kan spelen zonder zelf te hoeven transponeren, dat heeft de componist al gedaan. Een noot betekent voor de speler niet een bepaalde klank, maar een bepaalde vingergreep.

Ook bijvoorbeeld de trompet, de saxofoon, de hoorn, de baritontuba en de besbas zijn transponerende instrumenten.

Naar boven

Mondstukken

Bij de blaasinstrumenten is het mondstuk het belangrijkste onderdeel van het instrument als het gaat om het produceren van geluid. Zonder mondstuk heb je alleen maar een buis met gaten/ kleppen of ventielen. Daar kan je geen geluid mee maken maar alleen de toonhoogte mee regelen. Geluid is trilling van de lucht en deze trillingen kunnen wij horen. Blaasinstrumenten worden ook ingedeeld naar de wijze waarop de lucht in trilling wordt gebracht:

Waarom klinkt een hobo nu anders dan een dwarsfluit of een trompet? Ook hier speelt het mondstuk een belangrijke rol want de manier waarop de lucht in trilling wordt gebracht bepaalt voor een groot deel de karakteristieke klank van een blaasinstrument.

Hieronder zie je 5 verschillende soorten van mondstukken en enige uitleg over de manier van aanblazen.

-----------------------------------------------------------------------------

Dit is een mondstuk met een blaasgat (dwarsfluit, piccolo).

De lucht in de buis gaat trillen nadat er tegen de rand van het blaasgat wordt geblazen. Hierdoor krijg je geluid te horen. De vorm van de mond is heel belangrijk tijdens het blazen. Door gebruik te maken van lipspanning en de vorm van de mond kun je subtiele klankvariaties aanbrengen.

-----------------------------------------------------------------------------

Dit is een mondstuk met een enkel riet (klarinet en saxofoon).

Het rietblad wordt aan het mondstuk bevestigd door een metalen band. De spanning van het riet wordt geregeld door het aan- of losdraaien van de schroeven. Door in het mondstuk te blazen (het aanblazen van het riet), breng je het riet in trilling. De lucht in de buis gaat trillen nadat het riet in trilling is gebracht. Deze trilling wordt voor ons hoorbaar als geluid.

-----------------------------------------------------------------------------

Hier zie je een mondstuk met dubbel riet (hobo en fagot).

Het mondstuk bestaat uit een dubbelgevouwen stuk riet. Dit riet wordt op een metalen buisje gebonden (vaak is dit buisje bedekt met kurk). De top van het stuk dubbelgevouwen riet wordt er daarna afgesneden. Hierdoor krijg je twee afzonderlijke rietbladen die dicht tegen elkaar aanzitten. Door stevig lucht te persen tussen deze twee rietbladen breng je ze in trilling. De lucht in de buis gaat trillen nadat het riet in trilling is gebracht. Deze trilling wordt voor ons hoorbaar als geluid.

-----------------------------------------------------------------------------

Dit type mondstuk wordt gebruikt bij de trompet, trombone en de tuba.

Je perst lucht in het mondstuk door het gebruik van lipspanning. Wanneer je zou blazen zonder deze lipspanning dan zou je alleen maar lucht verplaatsen en deze niet in trilling brengen. Dus de lucht gaat trillen door het gebruik van lipspanning. Deze trilling wordt voor ons hoorbaar als geluid.

-----------------------------------------------------------------------------

Dit mondstuk wordt gebruikt bij de hoorn.

Het mondstuk van de hoorn heeft dus een andere vorm (trechtervormig) dan die van de andere koperen blaasinstrumenten (komvormig). Hierdoor klinkt de hoorn minder helder dan b.v. de trompet. Het trechtervormige mondstuk geeft de hoorn een wekere klank.

Naar boven

Houten blaasinstrumenten

Ook wel het hout genoemd omdat ze oorspronkelijk altijd van hout werden gemaakt. Tegenwoordig wordt soms ander materiaal gebruikt, bijvoorbeeld metaal. De oervorm van alle houten instrumenten is een houten pijp voorzien van een mondgat waar de lucht in wordt geblazen. De meeste houten blaasinstrumenten hebben hebben een groot aantal gaten, toongaten, die door de vingers kunnen worden gesloten en geopend, respectievelijk voor het verkrijgen van lagere en hogere tonen. Je kunt niet bij alle gaten met je vingers. Daarom zit er een kleppenmechaniek op de meeste instrumenten. De gaten zijn bedekt met metalen kleppen , we zouden kunnen zeggen kleine dekseltjes waarmee de gaten goed en snel kunnen worden afgesloten en geopend. Door middel van een hefboompje dat wel voor de vingers bereikbaar is, kun je gaten openen of sluiten die op een totaal andere plaats zitten. Rond 1830 ontwierp Theobald Böhm een nieuw kleppenmechanisme dat nog steeds toegepast wordt.

De tegenwoordige houten blaasinstrumenten zijn het resultaat van een lange ontwikkeling. De eerste houten blaasinstrumenten die in het orkest (tijdens de barokperiode) verschenen waren de fluiten, de hobo en de fagot. In de klassieke periode, omstreeks 1750, kwam de klarinet erbij en in de 19e eeuw (romantische periode), werden de houtblazers weer verder uitgebreid. Deze uitbreiding bestond uit de toevoeging van de piccolo, althobo, bassethoorn, basklarinet en de contrafagot.

De houtblazers zijn van kleppen voorzien. Hiermee kun je de toonhoogte regelen. De klarinet heeft een enkel rietblad, de hobo en de fagot een dubbelriet, die onmisbaar is voor de klankopwekking van het instrument. Voorbeelden van houten blaasinstrumenten:

Naar boven

Piccolo

Piccolo is een Italiaans woord en betekent "klein". De flauto piccolo is het kleinste instrument van de fluitfamilie. Hij is half zo groot als de dwarsfluit en de klank is een oktaaf (8 tonen) hoger. De notatie is een octaaf lager dan de werkelijke klank. De buis is conisch en gemaakt van hout of metaal en heeft hetzelfde kleppenmechanisme als de dwarsfluit. De piccolo wordt bespeeld door over het mondstuk heen te blazen. Zo ontstaat een toon. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument tonen maken.

Het instrument heeft een helder, scherp en doordringend geluid en de hoogste tonen hoor je boven alle andere orkestinstrumenten uit. De hoogste toon is gelijk aan die van de vleugel.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Fluitist(e).

STEMMING: C, een octaaf hoger dan de standaardfluit (bij harmonieorkesten ook ook wel Des) - TOONOMVANG: 3 octaven.

MATERIAAL: Metaal, hout, kunststof

GROOTTE: 33 cm.

AFKOMST: De piccolo kwam pas voor in het orkest vanaf eind 18e eeuw. Het mechanisme van de piccolo ontwikkelde zich gelijktijdig met die van de dwarsfluit.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Fluit

Ook wel dwarsfluit genoemd, omdat deze van opzij wordt aangeblazen. Fluiten worden bijna altijd van metaal gemaakt, gewooonlijk zilver. De rechte buis is cylindrisch geboord. Het ene einde is open, het andere uiteinde afgesloten met een verstelbare kurken "stop". De toon ontstaat door tegen de rand van het mondgat te blazen. De klank van de dwarsfluit is "rond", warm, helder. Mede dank zij een geperfectioneerd stelsel van kleppen kan de fluitist de tonen zeer snel opelkaar laten volgen. Een speciaal klankeffect is de "Flatterzunge": om dit effect te bereiken moet de speler tijdens het spelen een rollende R laten klinken.

In blaasorkesten wordt meestal alleen de gewone dwarsfluit gebruikt (we zouden kunnen zeggen de sopraan) en de allerhoogste uit de fluitfamilie, de kleine fluit of piccolo. Minder vaak de lager klinkende altfluit (stemming in G, klank is een kwart lager dan de notatie). De basfluit (in C) wordt nog zelden bespeeld, evenals de contrabasfluit.
Met flauto traverso wordt meestal de oude houten dwarsfluit zonder kleppen bedoeld, die vaak nog in oude muziek gebruikt wordt. Het geluid daarvan is zachter en doffer dan die van de moderne fluit.
Een ander type fluit, dat je nog wel eens in militaire muziek hoort en in optochten ziet, is de pijpersfluit. Een pijpersfluit is een kleine dwarsfluit en gemaakt uit één stuk. Soms heeft het instrument een klep.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Fluitist(e)

STEMMING: C - TOONOMVANG: 3 octaven.

MATERIAAL: Oorspronkelijk van hout, later ivoor, maar tegenwoordig van metaal - vaak zilver, maar ook van goud en zelfs platina.

GROOTTE: 66 cm.

AFKOMST: De fluit is één van de oudst bekende muziekinstrumenten, het oudste blaasinstrument zonder rietblad. gemaakt van bamboe, riet of beenderen: deze laatsten zijn al gedateerd tot 2000 jaar voor Christus. De vroegste fluiten werden niet dwars, maar naar beneden gehouden zoals de blokfluit. De dwarsfluit is van oorsprong een Chinees muziekinstrument dat pas rond 1100 zijn intrede deed in Europa. In de Duitssprekende landen werd de fluit al snel gebruikt als in de militaire muziek. Vandaar ook de oude naam van het instrument: de Duitse fluit. De houten fluit werd van bukshout gemaakt. Vanaf eind 17e, begin 18e eeuw kwamen er dwarsfluiten met kleppen. Vanaf die tijd bestond het instrument uit 3 delen. De fluit ging toen ook gebruikt worden in de opera en het hoforkest. In de 18e eeuw verdrong de dwarsfluit de blokfluit. De moderne dwarsfluit werd rond 1850 ontwikkeld door de Beierse fluitvirtuoos en instrumentbouwer Theobald Böhm. Hij berekende de juiste plaats van de gaten en bedacht een syteem met kleppen, brillen en hefboompjes. In die tijd begon men ook met het maken van metalen fluiten.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Hobo

Het woord 'hobo' is een verbastering van het Franse hautbois, 'hoog hout', dat verwijst naar de klank van het instrument. De klank is doordringend en nasaal.De hobo is een uiterst moeilijk te bespelen instrument. Er is geen tussenweg: of het klinkt fantastisch mooi, of het klinkt verschrikkelijk lelijk.

De hobo bestaat uit een rechte houten buis, die conisch is geboord. Tegenwoordig wordt meestal hardhout gebruikt, zoals grenadiel, ebben en rozenhout, vroeger bukshout. Om het ontstaan van de toon bij de hobo nader te kunnen omschrijven, moeten we nu eerst kennismaken met het zogenaamde rietblad, meestal rietje genoemd, dat een essentieel onderdeel is van het instrument. Het materiaal hiervoor is een bijzondere op bamboe lijkende houtsoort waaruit twee op elkaar passende dunne reepjes worden gesneden. De uiteinden hiervan moeten zeer dun worden uitgeslepen wat een zeer tijdrovend en secuur werkje is. Bijna iedere hoboist snijdt zijn riet zelf en het is ongeveer even moeilijk als het bespelen van het instrument: en dat terwijl houtsnijden toch weinig met muziek te maken lijkt te hebben. Het riet wordt vastgebonden op een kort metalen buisje (de stop) die vervolgens in het bovenste uiteinde van het instrument wordt gestoken. De ingeblazen lucht brengt nu eerst het riet in trilling en vervolgens de in het instrument aanwezige lucht. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.

De hobo behoort tot de familie van de dubbelrietinstrumenten. In blaasorkesten wordt vooral de gewone (sopraan) hobo gebruikt en soms ook de althobo. Dit laatste instrument wordt ook wel Engelse hoorn genoemd, hoewel het instrument noch Engels noch een hoorn is. Misschien is de benaming een verbastering van cor anglé, gebogen hoorn. Het oorspronkelijke instrument had namelijk vaak een knik halverwege de buis. Tegenwoordig zit er alleen nog een knik in het mondstuk. Verder bezit de althobo een opvallende bolvorm in de beker. De althobo klinkt een reine kwint lager dan de hobo, maar de notatie is hetzelfde. Het instrument heeft een droefgeestige klanlk Daarnaast kennen we nog de in onbruik geraakte oboe d'amore (in A). Deze heeft een peervormig uiteinde, klinkt een kleine terts lager dan de gewone hobo en heeft een mildere klank. De oboe da caccia (in A) is de 18e eeuwse voorloper van de althobo. De baritonhobo die een octaaf lager klinkt dan de gewone hobo, wordt zelden bespeeld. De heckelfoon is een soort baritonhobo geconstrueerd door Wilhelm Heckel.

De hoboïst geeft de toon aan bij het stemmen van het orkest.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten. De hobo hoort bij de dubbelriet-instrumenten.

NAAM BESPELER: Hoboïst(e).

STEMMING: C - TOONOMVANG: 2 1/2 oktaaf.

MATERIAAL: Hout

GROOTTE: 60 cm.

AFKOMST: In de Griekse oudheid bestond al een houten blaasinstrument met dubbelriet: de aulos. De hobo werd midden 17e eeuw ontwikkeld aan het Franse hof van Lodewijk XIV door de familie Hotteterre uit de schalmei. Deze familie van instrumentmakers maakte meerdere houten blaasinstrumenten: (blok)fluiten, fagotten en hobo's. Schalmeien waren dubbelrietinstrumenten die overal in Europa, Azië en delen van Afrika voorkwamen. Het instrument is ontstaan in het Midden-Oosten, rond 800 na Christus. Tijdens de kruistochten kwamen Europeanen in contact met het instrument. Schalmeien waren namelijk onderdeel van de militaire orkesten van de Saracenen die in die tijd Palestina bezet hielden. De schalmei gaf een harde doordringende toon en werd vooral buiten bespeeld. In Europa was de schalmei in de Middeleeuwen de belangrijkste van de dubbelrietinstrumenten. De meest voorkomende schalmeien waren de sopraan (waaruit later de hobo zou ontstaan), de alt en de tenor. Andere dubbelrietinstrumenten uit deze tijd waren de kromhoorn, de Rauschpfeife en de dulcian.
De hobo is ontstaan omdat er vraag kwam naar een schalmei-achtig instrument om binnenshuis te gebruiken. De hobo bezat aanvankelijk maar 2 kleppen, maar kon toch met grote virtuositeit bespeeld worden en werd al snel een populair instrument. In de 19e eeuw werd een kleppen-mechanisme aangebracht, vergelijkbaar met het Böhm kleppensysteen van de dwarsfluit.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Klarinet

De klarinet is gemaakt van Afrikaans hardhout (ebbehout) of kunststof. Het instrument bestaat uit vier of vijf delen: het mondstuk, het tonnetje, het bovenstuk en de beker. Het mondstuk wordt van eboniet of glas gemaakt. Aan de onderkant van het mondstuk zit een enkel stuk riet bevestigd d.m.v. een metalen band (de klarinet hoort bij de enkelriet-instrumenten). In de beginperiode van de klarinet werd het mondstuk met het riet aan de bovenzijde geplaatst tot men ontdekte dat er een mooiere klank ontstond als het mondstuk omgedraaid werd. Om geluid uit de klarinet te krijgen moet je lucht persen tussen het riet en het mondstuk. Hierdoor breng je het riet in trilling en wordt een toon gemaakt. De rechte buis van het instrument is cilindrisch geboord, de moderne klarinet heeft achttien toongaten en 20-22 kleppen. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.

De klarinet ziet er ongeveer uit als een hobo, maar het geluid is heel anders: dit ligt aan het riet. Anders dan hoboïsten en fagottisten kan de klarinettist zijn riet speelklaar aanschaffen, want een klarinet doet niet zo moeilijk. Het geluid mengt voortreffelijk met het geluid van willekeurig welk ander instrument. De hoge tonen zijn scherp en doordringend, de lage zijn rond.

De meest gebruikte klarinet is de sopraan (bes-klarinet), daarnaast de hoger klinkende kleine (es)klarinet en de lagere alt- en basklarinet. De besklarinet klinkt een grote seconde lager dan de notatie. De altklarinet is gestemd in F.De basklarinet oogt als een saxofoon en is dan ook in 1838 ontwikkeld door Adolphe Sax. De basklarinet klinkt een octaaf lager dan de gewone klarinet, maar de notatie is hetzelfde. De basklarinet is ongeveer twee keer zo lang als de bes-klarinet. Zeldzamer is de zeer lage contrabasklarinet die nog een octaaf lager klinkt en die weer twee keer zo lang is als de basklarinet, ongeveer 2,70 meter. Voor de hogere toonsoorten bestonden naast de bes-klarinet ook nog de A-, B-, C- en D-klarinetten om problemen met de vingerzettingen en toonvastheid te vermijden, waarvan alleen de A- en de C-klarinet nog wel gebruikt wordt. Alle klarinetten worden opdezlfde manier gebouwd, alleen bij de grootste klarinetten is de beker naar boven gebogen en het mondstuk naar de speler toegebogen. Bovendien is bij de grotere instrumenten het bovenste en onderste gedeelte van metaal gemaakt.

De bassethoorn is een in 1770 uitgevonden altklarinet die ook in F gestemd is, maar een grote terts lager gaat. De bassethoorn heeft een extra lange pijp nodig en is daarom geknikt. Er bestonden overigens veel verschillende vormen van bassethoorns.De boring is nauwer dan van de altklarinet, waardoor het timbre ook anders is.

De klarinet is een transponerend instrument, net als bijvoorbeeld de trompet, de saxofoon en de hoorn.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Klarinettist(e)

STEMMING: Bes - TOONOMVANG: 3 1/2 oktaaf.

MATERIAAL: Afrikaans hardhout of kunststof.

GROOTTE: 66 cm (es-klarinet 48 cm.)

AFKOMST: De klarinet is omstreeks 1700 uitgevonden door de Neurenbergse instrumentbouwers Johann Christoph Denner en zijn zoon Jakob. Een voorloper van de klarinet was de chalumeau, een klein blokfluitachtig houten blaasinstrument met 7 gaten, cilindrische boring en met een enkel riet dat lastig bespeelbaar was en daarom nooit erg populair werd. Opvallend was de ongelooflijk lage klank in relatie tot de kleine afmeting, hij kon 8 tonen lager komen dan een blokfluit van dezelfde lengte. Daarom kon het instrument goed gebruikt worden voor speciale effecten bij opera's.
De oorspronkelijke klarinet bezat slechts twee kleppen, maar om chromatische reeksen te kunnen spelen zijn in de loop van de jaren steeds meer kleppen toegevoegd net zoals bij de fluit en de hobo.Veel instrumentbouwers hebben het instrument verbeterd, zoals b.v. de Rus Ivan Müller. De Fransman Hyacinthe Klosé bouwde een klarinet met een kleppensysteem dat gebaseerd was op het systeem dat door Theobald Böhm was bedacht voor de dwarsfluit. In de twintigste eeuw is deze zogenaamde "Böhm" klarinet populair geworden.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Fagot

De fagot is net zoals de hobo een houten dubbelrietinstrument. Beide instrumenten zijn verre familieleden van elkaar. Om geluid uit het instrument te krijgen, moet je net zoals bij de hobo, krachtig lucht door het riet persen. Hierdoor breng je het riet in trilling. Zo ontstaat een toon. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Van de 24 gaten zijn er negentien voorzien van een klep.

De naam fagot komt uit de Franse taal (fagot = takkebos), verwijzend naar de oudste vormen van de fagot, een opgerolde of opgevouwen houten buis van enkele meters. De huidige fagot is echter nog maar één keer gevouwen. De fagot bestaat uit vijf losse onderdelen: de lucht gaat via het riet, de metalen S- of roerpijp, naar de vleugel (een smalle omlaag voerende zijbuis), in de kolf wordt de luchtrichting omhoog gebogen naar de baspijp om uiteindelijk in de beker uit te komen.

De totale buislengte van de fagot is ca. 3 meter. De buis heeft een nauwe conische boring. De fagot is het laagst klinkende instrument van de houten blaasinstrumenten, de klank komt overeen met de notatie. De registers zijn overigens zeer verschillend van klank: in het laag vol en krachtig, warm en donker. Het middenregister is bijzonder melodieus en wordt dan ook veel gebruikt voor het spelen van solo's. Het hoge register heeft vooral een hoog, nasaal, "geknepen" geluid.

De contrafagot, een versie met een bereik van ongeveer een octaaf lager, heeft een lengte van ca. zes meter. De contrafagot klinkt een octaaf lager, maar wordt hetzelfde genoteerd, het is het grootste houten blaainstrument. De buis is zo gevouwen dat er voor een deel 3 buizen naast elkaar lopen. Het instrument rust met een pin op de grond. Het geeft een zeer laag, knorrig geluid.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten. De fagot hoort bij de dubbelriet-instrumenten.

NAAM BESPELER: Fagottist(e).

STEMMING: C - TOONOMVANG: 3 1/2 oktaaf.

MATERIAAL: Hout

GROOTTE: Dubbelgevouwen: 1,3 meter lang.

AFKOMST: De fagot werd in de 17e eeuw ontwikkeld uit de curtal of dulciaan, een uit één stuk bestaand instrument met dubbelriet. De benaming dulciaan komt van het Latijnse "dolcis": zacht). De dulciaan had een zachter geluid dan de schalmei en werd zowel buiten als binnen gebruikt. Dulciaans waren er in verschillende groottes. Eeen ander soort fagot was de "Wurstfagott" of ranket.
Net als de hobo is de huidige vorn van de fagot ontworpen aan het Franse hof van Lodewijk XIV, door Jean Hotteterre. Door het instrument in diverse afzonderlijke delen op te bouwen werd het mogelijk om de plaatsing van gaten te verbeteren. In het begin had de fagot maar drie kleppen, maar de wens om chromatische toonladders te kunnen spelen maakte dat er vijf extra kleppen bij kwamen. Echter de ontwikkeling van de fagot splitste zich in een Duitse (Heckel) en een Franse vorm (Buffet) met elk een eigen kleppensysteem. Na 1875 zijn er nog slechts kleine veranderingen aangebracht.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Saxofoons

Het instrument wordt altijd van metaal (koper) gemaakt maar is net als de klarinet een enkelrietinstrument. Evenals bij de klarinet is het enkel stuk riet aan de onderkant van het mondstuk bevestigd d.m.v. een metalen band. Karakteristiek voor het instrument is het gebogen gedeelte waar het mondstuk zich in bevindt en de omhoog geplaatste beker.

Hoewel de saxofoon van metaal wordt gemaakt wordt het desondanks tot 'het hout' gerekend, vanwege het riet en omdat de speeltechniek zo sterk overeenstemt met de klarinettechniek. De vingerzetting is als die van de hobo, het mondstuk als dat van de klarinet. Een goede klarinettist kan vaak ook de saxofoon bespelen.

Om geluid uit de saxofoon te krijgen moet je lucht persen tussen het riet en het mondstuk. Hierdoor breng je het riet in trilling en wordt een toon gemaakt. Kleppen zorgen ervoor dat de gaten, die in de buis van het instrument zijn geboord, afgesloten kunnen worden. Door het indrukken of loslaten van deze kleppen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken.

Verschillende materialen van het mondstuk kunnen zorgen voor verschillende klankkleuren. Ook de sterkte en kwaliteit van het riet kunnen tot verschillende timbres leiden.

De saxofoon is naast het gebruik in harmonie en fanfare orkesten vooral populair in de jaz en popmuziek.

Oorspronkelijk bestond de saxofoon-familie uit 14 leden. Tegenwoordig worden er nog maar 7 gemaakt. Deze 7 zijn, te beginnen met de kleinste: de sopranino in Es, de sopraan in Bes, de alt in Es, de tenor in Bes, de bariton in Es, de bas in Bes, de contrabas in Es. Alleen de sopraan, de alt, de tenor en de bariton worden nog op grote schaal gebruikt. Net als de klarinetten zijn het transponerende instrumenten. De sopranino en de sopraan zijn recht, de andere zijn gebogen. De boring is zeer wijd.

De afbeelding hieronder is van een alt-saxofoon, de meest gebruikte saxofoon.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Houten blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Saxofonist(e).

STEMMING: Es of Bes - TOONOMVANG: Variabel, hangt af van type sax.

MATERIAAL: Koper

GROOTTE: Variabel, hangt af van type sax. De sopranino is het kleinst en de contrabas is het grootst.

AFKOMST: De saxofoon werd omstreeks 1840 uitgevonden door Adolphe Sax, een Belgische instrumentbouwer, die in Parijs werkte. Het instrument kreeg spoedig grote bekendheid en draagt sindsdien de naam van de uitvinder: de saxofoon of afgekort de sax. Hij kwam op het idee toen hij experimenteerde met het mondstuk van de basklarinet, dat hij plaatste op diverse koperblaasinstrumenten.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

TIP van Marco: Een zeer fraaie en onderhoudende film, over het maken van saxofoons. Absoluut top!!! http://www.saxshop.nl/film/keilwerth34mb.wmv

Naar boven

Koperen blaasinstrumenten

Het materiaal waarvan deze instrumenten zijn gemaakt is een legering van metaal, waarin koper een belangrijk bestanddeel is. Vandaar de naam koperen blaasinstrumenten of kortweg het koper. Koperen blaasinstrumenten zijn zo lang - van ongeveer één tot vijf meter - dat de buis meerdere malen moet worden omgebogen terwille van de hanteerbaarheid. De buis loopt uit in een een min of meer wijde beker. Op de instrumenten wordt een trechtervormig mondstuk geplaatst dat als steun voor de lippen dient. De kunst van het blazen bestaat uit het opwekken van trillingen in de lippen die vervolgens worden overgebracht op de luchtkolom in het instrument waardoor een toon ontstaat. Door het aantal trillingen te vergroten kan een reeks van ongeveer acht tot zestien steeds hogere natuurtonen worden verkregen. De daar tussenliggende tonen ontstaan door de hoofdbuis te verlengen. Deze buisverlenging kan op twee manieren tot stand komen:

  1. Door het indrukken van kleine pompjes, ventielen genoemd, krijgt de lucht toegang tot extra buisjes. Als gevolg van van de aldus verkregen buisverlengingen worden de natuurtonen verlaagd. koperen blaasinstrumenten die voorzien zijn van drie of vier van dergelijke ventielen worden ventielinstrumenten genoemd (trompet, hoorn en tuba). Elk ventiel schakelt een extra stukje buis in. Met drie ventielen heb je dan zeven mogelijkheden.
  2. De hoofdbuis van het instrument wordt door middel van een schuif of coulisse verlengd waardoor de natuurtonen eveneens verlaagd kunnen worden (trombone). Er zijn trouwens ook ventieltrombones.

Koperen blaasinstrumenten hebben een groot volume, ze klinken luid, dus voor de koperblazers is het moeilijk om zacht te spelen. Een van de neveneffecten van het blazen op koper is de opeenhoping van vocht in de buis. Koperblazers kunnen verschillende kleppen openzetten om het overtollige vocht er uit te laten lopen.

Koperen blaasinstrumenten werden vanwege hun krachtige, stralende klank oorspronkelijk bij de jacht, in het leger en bij godsdienstige plechtigheden gebruikt. In het leger werden bijvoorbeeld op het koper signalen geblazen, die voor de soldaten betekenden dat ze tot de aanval moesten overgaan. Tijdens de barok-periode (ca. 1720), waren er hoorns en trompetten in het orkest. Dit waren natuurhoorns- en trompetten, instrumenten die nog geen ventielen hadden om de toonhoogte te regelen. Hierdoor konden ze maar een beperkt aantal tonen spelen: natuurtonen en door overblazen ook boventonen.Tijdens de overgang naar de klassieke periode (ca. 1750), werden trombones aan het orkest toegevoegd.

Het heeft een tijd geduurd voordat elke toon (binnen bepaalde grenzen) gespeeld kon worden. Er kwamen verschillende oplossingen. Men maakte beugels van verschillende lengte, waardoor andere series tonen ontstonden (hoorn); er werden gaten in de instrumenten geboord, zoals bij de houten blaasinstrumenten (klephoorn); het schuifsysteem van de trombone werd toegepast, en er waren zelfs instrumenten waarbij 7 buizen van verschillende lengte tot één instrument werden verenigd (althoorn). De definitieve oplossing kwam door de komst van ventielen, begin 19e eeuw. Deze uitvinding heeft grote gevolgen gehad voor de koperen blaasinstrumenten. Met name in de 19e eeuw werden dan ook veel koperen blaasinstrumenten ontwikkeld. Een aantal daarvan verdween alweer snel.

Pas in de romantische periode (ca. 1850), was de groep koperblazers compleet met de toevoeging van de tuba.

Naar boven

Trompet

Een van de hoogst klinkende koperen blaasinstrumenten met een heldere toon. Door de kunstige manier waarop de buis gebogen is zou je niet zeggen dat deze toch nog ongeveer anderhalve meter lang is.

Om geluid uit een trompet (en andere koperblazers) te krijgen is het niet voldoende om krachteloos door de buis te blazen, je moet de lucht juist met enige kracht door de buis persen met behulp van lipspanning (embouchure). Het geluid van de trompet wordt dan geproduceerd door het vibreren van de lippen tegen het komvormige mondstuk. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden.In tegenstelling tot de hoorn welke roterende ventielen heeft, bezit de trompet een schuifventielen. De moderne trompet heeft 3 ventielen en een kleine schuif die met de pink bewogen moet worden.

Voordat de trompet ventielen kreeg kon je maar een beperkt aantal tonen spelen op dit instrument. De tonen waren alleen hoog en werden bereikt door het veranderen van de lipspanning en de perskracht waarmee de lucht door de buis werd geblazen.

Zoals bij zoveel muziekinstrumenten is ook voor de trompet een aantal instrumenten ontwikkeld met verschillende stemmingen. Vroeger bestonden er trompetten in de D en Es stemming, maar tegenwoordig zijn vooral de C- en Bes-trompet populair. Er zijn trompetten in allerlei soorten: van de kleine hoge sopranino tot de bastrompet toe. In blaasorkesten wordt alleen de gewone (sopraan)trompet gebruikt. De trompet is een transponerend instrument.

Hoe werkt een ventiel bij de trompet?

Als het ventiel in rustpositie is, passeert de lucht direct door de hoofdbuis (1). Bij het neerdrukken van een ventiel wordt de lucht omgeleid door een toegevoegd stuk buis, waardoor de lengte van de luchtkolom groter wordt (2). De meeste ventieltrompetten hebben 3 ventielen, die elk op zichzelf of in elke combinatie kunnen worden ingedrukt waardoor de grondtoon van het instrument wordt verlaagd. Door het indrukken van de eerste ventiel wordt de toonhoogte verlaagd met een halve toon. Het tweede ventiel geeft een hele toon verlaging, het derde een extra halve toon. Door deze combinatie, met daarbij verschillende boventonen door veranderingen in de druk van de lippen, is de speler in staat om alle noten van de toonladder te produceren.

Dempers

Hierboven zie je afbeeldingen van allerlei soorten dempers, die in de klankbeker van bijvoorbeeld een trompet passen. Ze worden gebruikt om het volume te verkleinen en brengen speciale klankeffecten teweeg. Dempers worden gemaakt van hout, metaal, rubber of plastic. Een demper heet ook wel sordino of sourdine. Ze worden het meest gebruikt door jazzmusici.

-------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Koperen blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Trompettist(e)

STEMMING: Bes, C - TOONOMVANG: 2 3/4 octaaf.

MATERIAAL: Koper

GROOTTE: 46 cm. De totale buislengte is 1,4 meter.

AFKOMST: De ontwikkeling van de moderne trompet gaat terug over duizenden jaren. Al in het graf van de Egyptische farao Toetanchamon zijn eenvoudige trompetten gevonden. Vrijwel alle beschavingen hebben trompetten geproduceerd, gemaakt van ivoor, brons, zilver en koper, de vorm recht of gebogen. De meeste trompetten uit de oudheid waren recht of gebogen en hadden een lange, bijna cilindrische buis met een lichtelijk uitlopende beker.

Deze natuurtrompetten konden maar weinig verschillende tonen voortbrengen. Zij werden dan ook aanvankelijk als signaalinstrument gebruikt, voor militaire doeleinden, voor de jacht, voor (kerkelijke) plechtigheden en ter opluistering van feestelijke gelegenheden. In de barok was de trompet geweldig populair. De hoge tonen waren uiterst lastig te blazen en werden alleen beheerst door specialisten, de clarino-blazers. De meeste trompetten stonden toen in D. In deze tijd moest een halve of hele toon verlaging gedaan worden door plaatsing van extra buizen tussen het mondsstuk en het instrument. Hiervoor moest een muziekstuk onderbroken worden. Door het maken van schuiftrompetten en trompetten met kleppen probeerde men de trompet te verbeteren. Pas aan het begin van de 19e eeuw wordt de ventieltrompet uitgevonden. Daardoor is het aantal tonen die de trompet kan voortbrengen aanzienlijk uitgebreid. De trompet werd een volwaardig melodie-instrument.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Kornet

De kornet (cornet à pistons) werd rond 1825 gecreëerd door drukventielen aan te brengen op de posthoorn, de cornet de post. Uiterlijk lijkt de kornet veel op een trompet. De klank is echter lichter, weker, als gevolg van de wijdere en meer conische boring van de buis in plaats van een cilindrische boring. Verder is het mondstuk anders. De kornet is makkelijker te bespelen dan de trompet. Het toonbereik is gelijk aan dat van de trompet, de stemming is in Bes of in A. Soms wordt ook nog een kleinere en hogere (es)kornet gebruikt.


Naar boven

Hoorn

Ook Franse hoorn genoemd ter onderscheiding van andere in blaasorkesten voorkomende hoorns, hoewel de meeste hoorns tegenwoordig Duits zijn. Nog een andere naam voor hetzelfde instrument is waldhoorn en hiermee wordt eigenlijk al aangegeven dat het instrument afstamt van de jachthoorn. .De hoorn is evenals de trompet voorzien van een stelsel van ventielen, bij de hoorn draaiventielen. De vele ombuigingen van de buis zijn nodig omdat deze maar liefst ongeveer vier meter lang is. De koperen buis heeft een conische, nauwe boring. Aan de dunne kant van de buis wordt het trechtervormige mondstuk geplaatst. De andere opening van de buis bestaat uit een wijd uitlopende beker.

Het geluid wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen van de speler tegen het trechtervormige mondstuk. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden. De hoorn is het expressiefste en moeilijkst bespeelbare koperen blaasinstrument in het orkest. Met name de hoogste tonen zijn moeilijk uitvoerbaar. De klank is een kwint lager dan de notatie.

De klank van de hoorn is erg rond maar als de hoornist de hand diep in de beker stopt wordt de klank scherper, maar gedempt. Met de hand in de beker kan ook een toon ongeveer een halve toon worden verlaagd, het zogenaamde "stoppen".

Eenvoudigere uitvoeringen van de hoorn heten stellahoorn of mellofonium. deze zijn gemakkelijker te bespelen dan de echte hoorn en worden daarom soms door amateurs gebruikt maar de klankkwaliteit is minder.

De Wagnertuba of waldhoorntuba is in feite een hoorn, met een beker van de tuba en een mondstuk van de hoorn. Het heeft 4 ventielen en staat in F of Bes.

Oorspronkelijk werd de hoorn gebruikt voor het geven van signalen. De meest gebruikte natuurhoorns (zonder ventielen) waren die in lage Bes, C, D, Es, E, F, G, A en Bes hoog. Op de hoge hoorns waren de hoge tonen, op de lage hoorns de lage tonen het gemakkelijkst uit te voeren. De gewone hoorn is doorgaans een F-instrument, met behulp van een klep kan geschakeld worden naar de Bes-stemming van het instrument. Het instrument vervult nu een belangrijke rol in het symfonie-orkest. In de tijd van Mozart en Haydn telde het orkest 2 hoornisten, maar sinds de Romantiek spelen vier tot zes hoornisten mee die nog steeds zijn onderverdeeld in hoge (de eerste en de derde) en lage blazers (de tweede en de vierde). De hoorn kwam voor het eerst in orkesten voor om het geluid van de jachthoorn te verklanken, maar komt nu voor in allerlei soorten muziek.
De hoorn behoort tot de transponerende instrumenten.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Koperen blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Hoornist(e) of hoornblazer.

STEMMING: F - TOONOMVANG: 3 1/2 oktaaf.

MATERIAAL: Koper

GROOTTE: Variabel, de totale buislengte zit tussen de 2,8 en 3,6 meter.

AFKOMST: Hoorns waren in Europa bekend sedert de oudheid. Het eenvoudigste type werd gemaakt van de hoorn van een dier, een slagtand of een schelp. Ze werden op grote schaal gebruikt voor signalen en rituelen, b.v. de joodse sjofar of ramshoorn. De Romeinen maakten het instrument makkelijker te hanteren door de erg lange buis om te buigen. Ook werd toen een wijd uitlopende klankbeker geconstrueerd, opdat het geluid verder zou kunnen dragen. De buccina, de Romeinse signaalhoorn, werd in de loop van de tijd steeds meer gebruikt bij de jacht en groeide dan ook uit tot jachthoorn. Voor het gemak van de ruiters tijdens de jacht werd de hoorn ook steeds meer met de beker naar achteren gespeeld, hetgeen ook nu in orkesten nog steeds gebeurt. De ronde, opgerolde vorm was ook erg handig voor het meenemen van het instrument, het kon namelijk over de schouder gedragen worden. In de Middeleeuwen werden ze veel gebruikt bij de jacht en bij militaire activiteiten. De voorlopers van de moderne hoorn zijn de posthoorn en de jachthoorn. Dit zijn instrumenten zonder ventielen of kleppen (natuurhoorns). Tot ongeveer de achttiende eeuw moest de hoornist met behulp van zijn embouchure de diverse boventonen uit het instrument zien te krijgen. In deze eeuw begon men bij de hoorn dezelfde techniek toe te passen als bij de trompet: door buizen van verschillende lengte te plaatsen en te verwijderen tussen het mondstuk en het instrument tijdens het spelen, kon het bereik sterk verbeterd worden en het bespelen van het instrument eenvoudiger. De daaropvolgende verbeteringen aan de hoorn waren het kleppensysteem en later in de 19e eeuw de, ook nu nog in gebruik zijnde, ventielen. In tegenstelling tot de trompet heeft de hoorn echter geen schuif- maar draaiventielen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Trombone

De trombone of bazuin heeft dezelfde heldere toon als de trompet maar door de grotere buislengte is de toon een stuk lager. Het geluid wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen van de speler tegen het mondstuk aan. Het instrument bestaat uit een cylindrisch geboorde buis en een U vormig beweegbare buis: de schuif of coulisse, uitlopend in een wijde beker. De lucht wordt ingeblazen via een ketelmondstuk, dat groter is dan dat van de trompet. Door de schuif in of uit te trekken wordt de lengte van de pijp kleiner of groter en als gevolg daarvan de toon hoger danwel lager. Elke stand van de buis (er zijn er zeven) noemt men een positie. Het traploos glijden van de ene naar de andere toon heet glissando.

In het moderne orkest worden gewoonlijk 2 (tenor)trombones en een bastrombone gebruikt. De tenortrombone kan door een apart "kwartventiel" worden verstemd tot een bastrombone. De sopraan-, alt- en contrabastrombone zijn in onbruik geraakt.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Koperen blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Trombonist(e)

STEMMING: Bes - TOONOMVANG: 2 1/2 oktaaf.

MATERIAAL: Koper

GROOTTE: 2,7 meter.

AFKOMST: De trombone verscheen voor het eerst op het toneel in Europa in de 15e eeuw in Vlaanderen als trompette-saicqueboute: "duw- en trek-trompet" (toen sackbut genoemd in het Engels, trombone in het Italiaans en Posaune in het Duits) en heeft sindsdien zijn eenvoudige basismodel behouden. Het instrument was toen erg populair in kerk en kamermuziek. Rond 1800 werd het snel populair in de groter wordende militaire orkesten. Rond deze tijd werd ook een tweede versie van dit instrument ontwikkeld, namelijk de ventieltrombone en dit instrument werd behoorlijk populair. Tegenwoordig wordt het echter alleen nog maar in Latijns-Amerika, Oost-Europa en Azië bespeeld.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Naar boven

Saxhoorns

Adolphe Sax, de ontwerper van de saxofoon, heeft ook nog de uitvinding van een grote familie koperen ventielinstrumenten op zijn naam staan. Rond 1840 kwam hij met een familie van vijf, later zelfs tien koperen blaasinstrumenten met een conische boring. De klank is daardoor erg week. Dit is de reden dat deze familie wel het zachte koper wordt genoemd in tegenstelling tot het heldere koper waartoe we de trompetten en de trombone rekenen. De saxhoorns worden veel in blaasorkesten gebruikt: de kleine bugel, sopraanbugel, althoorn, bariton of tenortuba, bastuba en contrabastuba. De stemming is Es of Bes.

Het woord bugel komt van het Latijnse buculus, dat 'os' betekent. De eerste bugels werden van ossehoorns gemaakt. Oorspronkelijk was de bugel een jachtinstrument. De eerste bugels met ventielen werden omstreeks 1830 in Oostenrijk gebouwd en tien jaar later door Adolphe Sax omgebouwd tot de vorm waarin we ze nu kennen. De bugel heeft een ketelmondstuk en een wijde mensuur. De buis verloopt conisch en heeft een relatief smalle beker. De bugel blaast minder zwaar dan de trompet, maar klinkt ook minder 'stralend'. het is de alt van de saxhoorns, omvang gelijk aan die van de trompet, stemming meestal in Bes, ook in Es.

De flügelhorn is een tussenvorm van kornet en bugel, Hij wordt vooral gebruikt in fanfareorkesten, en soms in de jazz.

De althoorn in Es is in onbruik geraakt.

De tenortuba of bariton in Bes wordt vooral in harmonieorkesten gebruikt.

Het euphonium is een tenortuba die vooral wordt gebruikt door fanfareorkesten. De naam euphonium stamt van het Griekse "euphonia", wat goed klinkend betekent, deze naam is goed gekozen, omdat het euphonium een diepe, rijke toon voortbrengt. Bij het euphonium ontstaat regelmatig enige spraakverwarring, omdat het instrument in diverse landen anders wordt genoemd: tenorhoorn, tenortuba, bariton, baryton. Toch is er verschil tussen de bariton en het euphonium. Het euphonium heeft een iets wijdere boring, is iets groter en heeft een dieper geluid dan de kleinere bariton.

Evenals vrijwel alle andere koperinstrumenten is ook dit instrument een afstammeling van de Romeinse hoorn. Het euphonium bestaat uuit een conisch wijduitlopende buis en heeft doorgaans drie draai- of schuifventielen. Ook voor dit instrument is de ontwikkeling van deze ventielen van groot belang geweest voor de ontwikkeling van het instrument. Het plaatsen van een vierde ventiel bij heeft niet alleen het bereik van het instrument vergroot, maar ook het bespelen vergemakkelijkt en de klank in het lage register verbeterd. De bespeler gebruikt een ketelmondstuk om het instrument aan te spreken.

Naar boven

Tuba

De (contra)bastuba (contrabasse à pistons), meestal kortweg tuba genoemd, is het grootste en dus het laagst klinkende koperen blaasinstrument. Door zijn enorme geluidsterkte speelt er maar één tuba mee in een symfonie-orkest. De tuba of blaasbas is voor een blaasorkest (harmonie, fanfare, brassband) de basis omdat dit instrument de laagste tonen kan spelen.

Het geluid van de tuba wordt geproduceerd door het vibreren van de lippen tegen het komvormige mondstuk. Evenals bij de hoorn en het euphonium is de lange buis van de blaasbas opgerold. De tuba is een instrument met wijde mensuur en 3 tot 5 ventielen. Door het indrukken of loslaten van ventielen, kun je op dit instrument verschillende tonen maken. Deze ventielen kunnen schuif- dan wel draaiventielen zijn. Ze zorgen ervoor dat de de buis van het instrument verkort (hogere tonen) of verlengd (lagere tonen) kan worden.

De eerste echte bastuba's stonden in F (voor orkestgebruik) of Es (voor de fanfare). De tuba in Es met een ronde vorm, wordt ook wel bombardon genoemd. De omvang is ongeveer hetzelfde als van de bastuba, alleen omhoog een octaaf minder. De besbas (de orkestversie staat in C) is nu de normale bas in fanfareorkesten en militaire kapellen.

Om de draagbaarheid te vergroten ontwierpen enkele fabrikanten helicons, circelvormige instrumenten waarbij de klankbeker op de linkerschouder rustte en de tuba onder de linkerarm doorliep. De sousafoon (ontworpen door John Philip Sousa) is een helicon met de klankbeker naar voren.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Koperen blaasinstrumenten.

NAAM BESPELER: Tubaspeler.

STEMMING: Bes of C - TOONOMVANG: Ongeveer 3 octaven.

MATERIAAL: Koper

GROOTTE: De totale buislengte is 5,5 meter.

AFKOMST: Voorlopers van de tuba zijn serpent, bashoorn en ophicleïde. De ophicleïde was een soortgelijk instrument als de tuba, maar met kleppen uitgerust. De tuba werd omstreeks 1820 uitgevonden, maar kwam vóór 1850 weinig voor. Na deze tijd komt het instrument regelmatig voor in verschillende vormen en afmetingen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep aërofonen (dit zijn instrumenten die geluid produceren door een luchtzuil in trilling te brengen).

Strijkbas

De strijkbas is het enige reguliere snaarinstrument binnen een harmonieorkest en samen met het slagwerk de enige niet-blaasinstrumenten. De strijkbas of contrabas is het grootste strijkinstrument, maar niet direct verwant aan de iool. Door de afwijkende vorm van de klankkast ontstaat een andere vorm. De schouders lopen niet recht af naar de hals, zoals bij een viool, maar vloeien over in de hals. Dit zijn de kenmerken van de gamba familie.

Het instrument is ongeveer 193 cm hoog en kan bespeeld worden met een strijkstok, maar ook door op de snaren te tokkelen of te plukken. Het strijken op de bas kan nog steeds op twee manieren gedaan worden: het "Duitse strijken", waarbij de strijkstok onderhands wordt vastgehouden en het "Franse strijken" waarbij de strijkstok bovenhands wordt avastgehouden. Standaard heeft de bas vier snaren.

De muziek voor de contrabas wordt vaak een oktaaf hoger geschreven dan het geluid dat het instrument voortbrengt, daarom wordt het ook wel een transponerend instrument genoemd (transponeren is een vertaalslag maken in toonhoogte van wat men leest en hoe de toon moet klinken). Normaliter wordt de muziek genoteerd in de bassleutel, maar soms wordt de muziek zo hoog, dat moet worden overgegaan op de tenor- of zelfs de vioolsleutel.

Naar boven

Slagwerk

Slaginstrumenten: een zeer grote groep van instrumenten, meestal aangeduid als het slagwerk of percussie.

De instrumenten van de slagwerksectie van het moderne orkest bestaan uit twee basistypen: instrumenten die in een bepaalde toonhoogte zijn gestemd, zoals de pauk en de xylofoon, en instrumenten met een onbepaalde toonhoogte, zoals de triangel, de grote trom en de tamboerijn. Op gestemde instrumenten kunnen melodieën worden gespeeld. In het orkest staat het slagwek meestal achteraan. Omdat de slagwerkers vaak van instrument naar instrument moeten lopen trekken ze snel de aandacht.

Trommels zijn waarschijnlijk de oudste muziekinstrumenten, zoals de kleine trom, die tegenwoordig nog steeds wordt bespeeld. De geschiedenis van de orkestslagwerkgroep dateert uit het midden van de 18e eeuw (eind barok- begin klassieke periode), toen voor het eerst pauken, bekkens en triangel werden ingevoerd.

In de 19e eeuw ( de romantische periode) begonnen gestemde instrumenten zoals xylofoon en buisklokken, te verschijnen.

--------------------------------------------------------------------------------

We kunnen de slaginstrumenten ook onderscheiden in membranofonen en idiofonen.

Membranofonen zijn instrumenten waarbij de klank wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel. "Membraan" betekent vel en "foné" betekent klank. De belangrijkste groep instrumenten waar een vel de klankbron is, zijn de trommen.

Op trommen is het meestal niet mogelijk een gestemde toon te spelen. Maar dit is ook niet nodig want trommen zijn er vooral voor het ritme in de muziek. Trommen zijn vaak aan beide zijden bespannen met een vel. Hoe strakker het vel, hoe hoger de trom klinkt omdat het vel snel kan trillen. De spanning van het vel kan op verschillende manieren veranderd worden: door de spankoorden bij te stellen of blokjes onder het koord aan te brengen, of door het draaien aan spanschroeven. Ook is een kleine trom hoger in klank dan een grote trom. Trommen worden bespeeld met de handen, vingers of stokken. De stokken kunnnen omwikkeld zijn. Soms worden vegertjes (brushes) gebruikt.

De trommen behoren, naar alle waarschijnlijkheid, ook tot de oudste van alle instrumenten. In de kunst zijn bewijzen gevonden, waaruit blijkt, dat trommen minstens 4000 jaar geleden reeds bestonden in Mesopotamië en Egypte, doch het aan bederf onderhevige materiaal, waarvan trommen worden vervaardigd, heeft er toe geleid, dat er maar weinig exemplaren uit de Oudheid zijn overgebleven.

Sedert de 18e eeuw zijn trommen ook in Westerse orkesten opgenomen.

Tegenwoordig zijn trommen over de gehele wereld populair en ze worden gemaakt in zeer verschillende stijlen en vormen. Ook allerlei materialen worden gebruikt: hout, metaal, aardewerk en kunststof. Er zijn éénvellige trommen en dubbelvellige trommen.

Een aantal veel voorkomende trommen zijn:

Trommelvellen zijn oorspronkelijk van dierenhuid, maar dit materiaal is erg gevoelig voor veranderingen van de luchtvochtigheid. Daarom worden tegenwoordig kunststoffen (plastic) toegepast.

Trommelstokken beïnvloeden de klank van de trommel: volume, toon en inzet. Hoe harder de stok des te hoger het volume. Een dunne stok met een harde kop benadrukt de hogere tonen en geeft een heldere, felle klank. Een stok met een zachte kop benadrukt daarentegen de de lage tonen en geeft een gedempt geluid. Harde stokken geven een een scherpe, duidelijk gedefinieerde inzet. Bij zachte stokken, die een groter contactvlak hebben, is de inzet minder duidelijk.

--------------------------------------------------------------------------------

Idiofonen zijn instrumenten waarbij de klank wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument zelf is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid. Ze worden ook wel zelfklinkers genoemd: "idio" betekent zelf en "foné" betekent klank. Het zijn dus instrumenten, die zijn gemaakt van materiaal dat van nature klankrijk is.

De ontwikkeling ervan is vele duizenden jaren geleden begonnen, toen de primitieve mens voor het eerst stokken, stenen en beenderen op elkaar sloeg om het ritme van zijn klappende handen en stampende voeten te versterken.

De belangstelling voor de verschillende geluiden en toonhoogten, die werden voortgebracht door voorwerpen van verschillende omvang en materialen, leidde tot de ontwikkelingen van instrumenten zoals de xylofoon en de gong.

Er zijn idiophonen zonder vaste toonhoogte: bekkens, tamtam en gong, triangel en bellen, castagnetten, ratel.
En idiophonen met vaste toonhoogte: klokken, klokkenspel, celesta, xylofoon.

Idiofonen worden ook gerangschikt volgens de manier waarop ze hun geluid voortbrengen. De meest voorkomende kun je hieronder vinden.

Naar boven

Kleine trom

De kleine trom (militaire trom, snare drum, side drum) is een instrument dat bestaat uit een houten of metalen cilindervormig geraamte dat aan de boven- en onderkant bespannen is met een vel, van kalfshuid of kunststof. Het bovenste vel is strakker gespannen als het onderste. De trom is gewoonlijk ook voorzien van minimaal acht snaren van darm of metaal die onder het onderste vel zijn gespannen om extra scherpte aan het geluid te geven: zij trillen mee als op het bovenste vel geslagen wordt. De snaren moeten de juiste spanning hebben voor een optimale klank - daarvoor zijn schroeven aangebracht. De snaren kunnen ook uitgeschakeld worden. Bij de drumband wordt de kleine trom aan een leren schouderband gedragen en iets schuin gehouden bespeeld. Moderne trommen voor drumbands zijn meestal zo'n 17 cm diep, met een doorsnede van 38 cm.

De in de (symfonie)orkesten gebruikte kleine trom is meestal 15 tot 20 cm diep, met een doorsnede van 35 cm en is vaak bevestigd op een statief. Met een hefboom kan de slagwerker de snaren buiten werking stellen wanneer hij de trom niet gebruikt. De snaren kunnen anders snel door de klank van andere instrumenten in trilling worden gebracht, wat een duidelijk hoorbaar geratel veoorzaakt.

De kleine trom wordt met twee 38 cm lange, dunne harde houten stokken met kogelvormige top bespeeld en is een veel gebruikt ritme-instrument. Er kunnen heel complexe ritmische figuren worden gespeeld. Door een roffel te slaan - een reeks snel opelkaar volgende aanslagen met de 2 stokken - kan de slagwerker een lang aanhoudende toon krijgen. Dat vereist wel veel oefening!

De roertrom of tenor drum is een wat groter exemplaar en heeft geen snaren. Zijn frame bestaat meestal uit essenhout en is voorzien van koorden. De afmetingen liggen tussen 35 en 60 cm hoogte, de doorsnee van het vel ligt tussen de 28 en 40 cm. De klank is aanmerkelijk lager en doffer dan van de kleine trom.

Tom-toms zijn kleine houten trommels van verschillende formaten, zonder snaren en met dubbele kalfsvellen, die beide worden gespannen. Kleine toms zijn in paren aan elkaar bevestigd. Ze staan op een standaard of zijn aan de bassdrum van een drumstel aangebracht. Tom-toms hebben meestal geen vaste toonhoogte, maar kunnen ruwweg op een toonhoogte van E tot Bes worden gestemd door middel van spanschroeven. Er bestaan sets met chromatische toms.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hout, messing of kunststof. Het vel is meestal gemaakt van kunststof en de snarenmat van metaal.

GROOTTE: De diameter is 30 - 40 cm, de hoogte 15 - 20 cm.

AFKOMST: Een vroege variant van de kleine trom is de 12 eeuwse tamboer. De militaire kleine trom vond ingang in Europa door toedoen van de Turkse janitsarenorkesten. Pas in de 19e eeuw werden de snaren bevestigd aan de kleine trom.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Grote trom

Dit instrument heeft meestal een houten cilindervormig geraamte en is aan de boven- en onderkant met een vel (tegenwoordig meestal van kunststof, vroeger van kalfshuid) bespannen. Hij klinkt zwaar, laag en dof. De toonhoogte kan niet gewijzigd worden. De eenvellige gongtrom komt niet veel meer voor.

In het orkest staat de grote trom meestal rechtop op een statief, maar het instrument kan met een mechanisme in horizontale richting worden gedraaid. Hij wordt aangeslagen met een stok met een vilten kop (klopper). De grote trom wordt ook wel Turkse trom genoemd (vanwege zijn afkomst).

Ook in de drumband, de harmonie en fanfare speelt de grote trom een belangrijke rol. De trom is dan een stuk kleiner, met een hoogte van 30 - 40 cm, en een diameter van ca. 36 cm. De militaire of parade trom rust tegen de borst van de bespeler, met beide vellen opzij gericht. De spanning van de vellen kan bijgesteld worden met schroeven, stangen of koorden. De bespeler van de grote trom bepaalt het marstempo en geeft met twee snelle klappen aan wanneer de kapel met spelen moet stoppen.

Ook het drumstel heeft een grote trom, ook wel bass-drum genoemd. Deze wordt aangeslagen met een voetpedaal (zie afbeelding). Meestal heeft het maar één vel. De hoogte is 30 - 40 cm, de diameter 45 - 60 cm.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hout (multiplex), messing of kunststof. Het vel is meestal gemaakt van kunststof.

GROOTTE: De diameter is ca. 70 - 80 cm, de hoogte 35 - 55 cm.

AFKOMST: Hij stamt af van de 14e eeuwse Turkse davul die werd bespeeld met een zware lepelvormige knots aan één kant en een lichte stok aan de andere kant. De davul raakte in de 18e eeuw in Europa bekend door de militaire janitsaren orkesten.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Bongo's

Bongo's zijn hoogklinkende kleine cilindertrommels uit Latijns-Amerika. Ze worden meestal per paar bespeeld, de ene trom groter dan de andere. De metalen rand, die het strak gespannen vel op z'n plaats houdt, zit lager dan het vel, zodat de speler niet met z'n vingers op de rand slaat. Je kunt verschillende klanken en toonhoogtes uit een bongo halen, door het vel in het midden of aan de rand, met de vingers of met de palm van de hand aan te slaan. Met spanschroeven kan het vel gestemd worden. Door met de duimen op het vel te duwen, kunnen kleine variaties in de toonhoogte gemaakt worden

Vaak worden twee aan elkaar bevestigde bongo's tussen de knieën geklemd, maar ze kunnen ook op een standaard staan.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Percussionist(e) of bongo-speler.

TOONOMVANG: De twee bongo's zijn met 4 of 5 tonen verschil gestemd.

MATERIAAL: Houten klankkast, bespannen met geitenhuid of kunststof vel

GROOTTE: In omtrek ongeveer 15 - 20 cm en de bongo's zijn 15 - 20 cm hoog.

AFKOMST: De bongo's die we nu kennen zijn ontstaan rond 1900 in Cuba. Toen maakte men ze uit korte stukken van holle boomstammen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Conga's

De laagklinkende conga's spelen een hoofdrol in alle soorten Latijns-Amerikaanse muziek, ofschoon ze waarschijnlijk afkomstig zijn uit Afrika. De conga's hebben één vel en een langwerpige, taps toelopende cilinder. De metalen rand, die het vel op z'n plaats houdt, zit lager dan het vel, zodat de speler niet met z'n vingers op de rand slaat.

Conga's worden meestal bespeeld in groepen van twee of drie trommen, waarbij de instrumenten verschillend worden gestemd. Dit gebeurt met spanschroeven. Er bestaan conga's van allerlei formaten. De tumba is een verwant instrument, met een bolle, conische vorm en binnenin een centrale stemschroef.

Je kunt verschillende klanken en toonhoogtes uit een conga halen, door het vel in het midden of aan de rand, met de vingers of met de handpalmen aan te slaan. Je kunt het vel ook met de ene hand indrukken (afdempen) en er met de andere hand op slaan. Meestal houdt de speler het instrument tussen zijn knieën.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Percussionist(e) of conga-speler.

TOONOMVANG: Hangt af van hoe hard je het vel indrukt. De verschillende trommen zijn met een verschil van 4 of 5 tonen gestemd.

MATERIAAL: Houten klankkast, bespannen met een vel (kalfs-, ezels- of varkenshuid).

GROOTTE: Het vel is ogeveer 25 - 40 cm in omtrek en de trom is ongeveer 70 tot 90 cm hoog.

AFKOMST: De conga's zijn ontwikkeld in Latijns-Amerika, maar zijn afgeleid van Afrikaanse trommen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Tamboerijn

De tamboerijn is een kleine handtrom, die bestaat uit een rond houten frame van ongeveer 6 cm hoogte, waarin schellen (miniatuurbekkens) zijn bevestigd. Meestal is het frame bespannen met een vel. Soms kan dat vel gespannen worden met 4 tot 6 spanschroeven. De tamboerijn wordt aangeslagen met de vingers, knokkels, met de rug of met de bal van de hand, terwijl het instrument tegelijkertijd heen en weer wordt geschud. De verschillende aanslagmogelijkheden zorgen voor veel verschillende klankeffecten. Het lijkt misschien een eenvoudig te bespelen instrument, maar het tegendeel is waar. Het is om te beginnen al moeilijk dit instrument op te pakken zonder daar herrie bij te maken. Verder zijn er zeer gecompliceerde ritmepatronen voor de tamboerijn geschreven.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Kalfsvel of een kunststof vel, gespannen over een houten of plastic frame, waaraan losse metalen (blikken) schellen op pennen zijn bevestigd.

GROOTTE: De diameter is variabel (15 tot 35 cm).

AFKOMST: De tamboerijn is één van de oudere slaginstrumenten en is waarschijnlijk afkomstig uit Egypte.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Timbales

Timbales zijn twee aan elkaar vastzittende, ondiepe trommels zonder ondervel die op een statief zijn bevestigd. De twee instrumenten zijn van gelijke hoogte, maar de diameter verschilt. De kleinere trom staat rechts van de speler. Een zeer strak gespannen kunststof vel is bevestigd over de bovenkant van het metalen frame.

De timbales worden bespeeld met dunne cilindrische stokken (dunner dan drumstokken) van ongeveer 30 cm lang en geven een fel, metalig geluid. Door in het midden, vlak bij de rand of tegen de rand van de metalen romp aan te slaan, krijg je allerlei verschillende klanken. Ook verandert de klankkleur door andere stokken te gebruiken. Om deze klankmogelijkheden nog verder uit te breiden, zitten er meestal ook nog een aantal koebellen bij.
Ze zijn lager gestemd dan bongo's, maar hoger dan conga's. In de Latijns-Amerikaanse dansmuziek worden ze veel gebruikt.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Percussionist(e) of timbales-speler.

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Metalen (koper of messing) romp, bespannen met een plastic vel.

GROOTTE: In omtrek ongeveer 36 cm en de timbales zijn 20 cm diep.

AFKOMST: De timbales zijn waarschijnlijk ontwikkeld in Cuba en worden in allerlei bands bespeeld door heel Latijns-Amerika heen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Djembé

De djembé hoort tot de groep bekervormige trommen. Dit soort trommen zijn éénvellig. Ze worden meestal gesneden uit één stuk hout en komen voor in verschillende afmetingen. Vaak is het vel aan de rand van de romp gelijmd. Het vel wordt gespannen door een touw dat in een patroon om het frame is geregen.

De djembé staat tijdens het bespelen ervan meestal niet op de voet, zoals je zou verwachten. Hij hangt vaak aan een nekkoord. Hij wordt aangeslagen met de handen. Het spelen van de djembé is een echte kunst. Een goede speler kan er allerlei ritmische patronen, maar ook gemoedstoestanden op laten horen.

De djembé klinkt luid en doordringend en is draagbaar. Dit maakt het instrument populair bij zowel rock-, pop- als traditionele muzikanten.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Percussionist(e) of djembé-speler.

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hout met een gespannen vel van dierenhuid (geiten- of antilopenvel).

GROOTTE: Ongeveer 60 tot 100 cm hoog en het vel heeft een diameter van 34 cm.

AFKOMST: De djembé is een traditionele trom van het Manding volk. Die wonen in Oost-Guinea en West-Mali (West-Afrika).

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Woodblock

De naam zegt het al, het is een houten blok. Eigenlijk is het woodblock een kleine houten spleettrom. Spleettrommen worden gemaakt van een stuk hout of bamboe, dat wordt uitgehold door een spleet (dit is de klank- of resonantieruimte) langs de zijkant. De maten variëren van kleine instrumenten (zoals het woodblock) tot grote Afrikaanse spleettrommen, die gebruikt worden als signaal-instrument. Het woodblock wordt in het midden aangeslagen door een houten stok.
In het orkest is hij goed te horen, en komt boven alle andere instrumenten uit.


--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hout.

GROOTTE: Gewoonlijk 18 cm lang.

AFKOMST: Het woodblock is oorspronkelijk een Chinees instrument, bekend onder de naam "ban".

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Pauken

De pauk of keteltrom is het belangrijkste instrument in de slagwerksectie van het westerse symfonieorkest. De pauk kan op een bepaalde toonhoogte worden gestemd en wordt als ritme- en melodie-instrument gebruikt. Pauken zijn koperen ketels in de vorm van een halve bol waarover een dun vel is gespannen op een raamwerk dat bestaat uit een vaste en een verstelbare ring. Door het verstellen van de beweegbare ring kan de toonhoogte zeer precies worden ingesteld. De vellen kunnen worden aangeslagen met stokken die aan het uiteinde meestal voorzien zijn van een vilten bol of kurken of houten kop. Er zijn vilten bollen in drie hardheidsgradaties: zacht, medium of hard. Meestal wordt aangeslagen op een kwart van de diameter, meer naar het centrum wordt de toon doffer. Als een toon niet mag doorklinken wordt hij afgedempt met de hand.

Het instrument kan tonen van verschillende hoogte voortbrengen, doordat de spanning van het vel gewijzigd kan worden. Dit gebeurt door het indrukken van een voetpedaal. Zelfs het spelen van glissando's is daardoor mogelijk. Ook zijn pauken verschillend van grootte, waardoor de tonen die ze kunnen voortbrengen in hoogte verschillen. De pauken worden minimaal paarsgewijze gebruikt, maar een moderne orkestpaukenist gebruikt ten minste vijf pedaalpauken met verschillende afmetingen.

Het bekendste geluid op van de pauk is de roffel. De twee stokken met kop wisselen elkaar bij het slaan op het vel in hoog tempo af. Meestal gaat de roffel nog gepaard met een geleidelijk toenemend volume.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Paukenist(e)

TOONOMVANG: Een set van 5 orkestpauken heeft gezamenlijk een toonomvang van bijna twee octaven (van de lage D tot de hoge B).

MATERIAAL: Meestal handgeslagen koper. Het vel is van kunststof of kalfshuid.

GROOTTE: Variabel. Van 56 tot 82 cm doorsnee.

AFKOMST: Pauken stammen af van Arabische keteltrommen (naqquara) en kwamen in de 14e en 15e eeuw Europa binnen. Het eerst in de militaire muziek: in de cavalerie werden de keteltrommen als paar bespeeld, men hing ze aan weerszijden van een paard. Vroeger werd het vel gespannen door een aantal schroeven aan te draaien (schroefpauken). In de eerste helft van de 19e eeuw werden de machinepauk en de draaipauk uitgevonden. Bij de machinepauk hoefde je maar één schroef aan te draaien, bij de draaipauk moest je de ketel in het voetstuk draaien om het vel anders gestemd te krijgen. In 1872 werd de pedaalpauk uitgevonden. Hierbij kun je de pauk door een voetbeweging verstemmen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep membranofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door de trilling van een gespannen vel).

Naar boven

Drumstel

Rock- pop en jazzdrummers bespelen gewoonlijk een drumstel, een compacte groep van slaginstrumenten. In het midden staat de grote trom (bassdrum) met een diameter van ca. 60 cm die door middel van een pedaal met de rechtervoet wordt bediend. Daaromheen staan een snaredrum, drie of meer tom-toms en verschillende soorten (opgehangen) bekkens (cymbals). Een bijzondere bekkensoort is de hi-hat, twee bekkens op een statief, waarbij één bekken met een pedaal die met de linkervoet wordt bespeeld, tegen een ander -vast op het statief gemonteerd - bekken wordt geslagen. De drummer slaat aan met stokken of brushes. Brushes, een soort bezempjes van verend materiaal, leveren een veel zachtere klank op. De slagwerker kan er mee 'vegen' of slaan. De pedalen van de bassdrum en de hi-hat zijn ontwikkeld omdat de drummer zo, door behalve zijn handen ook zijn voeten te gebruiken, meer trommen en bekkens kan bespelen.

Naar boven

Bekkens

Bekkens of cimbalen zijn ronde, dunne metalen platen die tegen elkaar worden aangeslagen. Ook kunnen ze op een statief zijn aangebracht en worden dan met een (meestal houten) stok aangeslagen.
Bekkens zijn er in verschillende maten en vormen een belangrijk onderdeel van het drumstel.
Hoe groter de bekkens, hoe dieper het geluid. Ook de dikte heeft daar invloed op: dunne bekkens geven een vibrerend, rinkelend geluid, dikke bekkens hebben een vollere en zwaardere klank. Als je bekkens stevig tegenelkaar hebt geslagen en ze boven je hoofd houdt, klinken ze zeer lang door. Naast oorverdovende slagen zijn met cimbalen ook subtiele effecten mogelijk door ze langselkaar te schuiven in een vertikale beweging.
In de orkesten worden meestal dunnere cimbalen gebruikt vervaardigd uit een legering van koper en tin.
Het bekken is ook onderdeel van het drumstel. Het enkelvoudig bekken staat hier op een statief en wordt aangeslagen met stokken in alle soorten en maten, van hard naar zacht. Een andere aanslagvorm is met brushes. Een bijzonder vorm van bekkens zijn de hi-hat bekkens.

Vingercimbalen zijn kleppers, meestal van koper of zilver, hele kleine bekkens. Ze worden in Azië, Egypte en Griekenland door dansers gebruikt.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e)

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Metaal, gewoonlijk brons.

GROOTTE: Doorsnee gewoonlijk van 30 - 60 cm.

AFKOMST: Bekkens kwamen voor het eerst voor in de oudheid: Assyrië (nu Noord-Irak), Egypte en het bijbelse Israël. Kleine bekkens waren tijdens de oudheid in het Westen al bekend (bij de Romeinen en de Grieken). Pas in de 18e eeuw werden de grote bekkens ingevoerd uit Turkije en raakten ze in zwang bij de Europese militaire kapellen. Vanaf het begin van de 19de eeuw werden ze regelmatig in orkesten gebruikt.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Gong (tamtam)

Een gong is een metalen schijf, dat in het midden met een stok met een vilten kop (hamer) wordt aangeslagen. Demping van de toon geschiedt met de hand. Ze hangen gewoonlijk vrij met een koord aan een raamwerk. De toonhoogte is afhankelijk van de grootte en het gewicht van de gong. De gong komt van oorsprong uit Zuid-Oost Azië. De eerste exemplaren waren platte ronde borden, hoewel vele latere gongs een bolstaand oppervlak of een bult in het midden hebben.

Je hebt gongs in allerlei soorten en maten, maar de grote gongs in het westerse orkest worden vaak tamtams genoemd (niet te verwarren met Afrikaanse houten trommels die soms ook tam-tams genoemd worden).
De tamtam is een vlakke bronzen gong met een lange nagalm, zonder vaste toonhoogte en een diameter van zeker 1 meter om diep genoeg te klinken. Vooral de naklank is belangrijk. Het klankkarakter verandert met de soort stok die wordt gebruikt.

In een orkest worden ook wel eens gongklokken gebruikt, een reeks van bronzen gongs met bepaalde toonhoogten, gemonteerd in een frame.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Gewoonlijk brons, een mengsel van koper en tin.

GROOTTE: Doorsnee van 20 -125 cm, soms 150 cm.

AFKOMST: Deze is onzeker, maar waarschijnlijk is ze ontstaan in het Chinese land Hsi Yu - tussen Burma en Tibet - in de vroege 6e eeuw en diende ter verdrijving van boze geesten.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Castagnetten

Castagnetten zijn slaginstrumenten zonder vaste toonhoogte die men ritmisch laat klakken of roffelen. De naam komt van het Laijnse castanea, kastanje, want castagnetten werden traditioneel van kastanjehout gemaakt. Tegenwoordig gebruikt men meestal bukshout, ebbenhout of walnoot. Een castagnet wordt gemaakt uit één stuk hout, dat doormidden wordt gezaagd en waarin vervolgens een ronde holte wordt aangebracht zoadt het lijkt op een schelpvormig schoteltje. De beide helften worden bevestigd aan een koord dat de bespeler om de duim windt. Meestal heeft de bespeler in elke hand een castagnettenpaar met verschillende toonhoogte. Met de vingertoppen wordt de bovenste schaal zo aangeslagen dat hij de onderste raakt. Er ontstaat een sherpe, droge klank, die zeer snel herhaald kan worden. Een ervaren speler kan na lang oefenen een groot aantal effecten bereiken.Castagnetten zijn vooral bekend van de Spaanse flamencomuziek.

Castagnetten zijn moeilijk bespeelbaar. Daarom gebruikt men in orkesten castagnetten bevestigd op een lange steel.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hardhout.

GROOTTE: Variabel.

AFKOMST: Kleppers bestaan al meer dan 5000 jaar, in zijn primitiefste vorm bestonden ze uit twee stokken die tegen elkaar werden geslagen.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Triangel

De triangel is een 1 cm dikke metalen staaf, gebogen in de vorm van een...... jawel, gelijkzijdige driehoek. Eén hoek is open, zodat de staaf over de hele lengte kan trillen. De triangel hangt meesatl aan een draad of polsriempje, om vrij te kunnen trillen, en wordt aangeslagen met een 15 cm lang stalen staafje. Hij heeft geen vaste toonhoogte, meestal worden er triangels van verschillende afmetingen gebruikt. Hij geeft een helder geluid, en ondanks het geringe volume van het instrument, is het geluid boven een heel orkest uit goed te horen.
De triangel werd in de Middeleeuwen in de dansmuziek gebruikt, in de 18e eeuw kreeg de triangel zijn plaats in orkesten.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Percussionist(e) of triangel-speler.

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Metaal.

GROOTTE: Variabel. Elke zijde van de triangel is 10 - 30 cm lang.

AFKOMST: De triangel ontwikkelde zich in de middeleeuwen vanuit een metalen rammelaar, de sistrum, een instrument uit het oude Egypte. De sistrum had rinkelende, metalen schijfjes bevestigd aan de staaf in de vorm van een omgekeerde U. Bij de triangel zijn deze schijfjes verdwenen en in plaats van te rammelen met het instrument, wordt hij aangeslagen met een rechte metalen staaf.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Claves

Claves zijn twee uit hardhout gemaakte stokken, die op elkaar geslagen worden om geluid voort te brengen. Wanneer je een goed geluid uit de claves wilt halen, moet je van één hand een kom maken (dit is de resonatieruimte waar het geluid versterkt wordt), waar de ene stok op ligt. Met de tweede stok, sla je ritmes op het midden van de eerste stok.

Ze worden veel gebruikt in Latijns-Amerika, waar de claves-speler een vast begeleidingsritme speelt bij dansmuziek (rumba, cha cha cha).

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: Niet van toepassing.

MATERIAAL: Hardhout.

GROOTTE: 20 - 25 cm lang en een diameter van 2 1/5 cm.

AFKOMST: In de hand gehouden houten kleppers bestaan al duizenden jaren. De claves komen oorspronkelijk uit Cuba, waar ze in de 19e eeuw, naar alle waarschijnlijkheid gemaakt zijn door slaven, die te werk gesteld waren op suiker- en tabakplantages.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Melodisch slagwerk

Tot het slagwerk behoort ook een groep instrumenten die voorzien zijn van een reeks afgestemde houten blokjes of metalen staafjes. Het zijn er zoveel dat je er melodieën op kan spelen. Ze worden bespeeld met stokken met een kleine bol. De bespeler kan zelfs twee stokken in elke hand houden zodat vierstemmig spel mogelijk is.

De xylofoon en de marimba hebben houten blokjes terwijl het klokkenspel en de vibrafoon voorzien zijn van metalen staafjes. Bij dit laatste instrument worden in de onder hangende resonansbuizen langs elektrische weg trillingen opgewekt waardoor de toon een vibrerend karakter krijgt. Een klokkenspel waarvan de klank doet denken aan een carillon zijn de buisklokken, een reeks holle staven die in een rek hangen en met houten hamers worden aangeslagen.

Naar boven

Xylofoon

De xylofoon bestaat uit een reeks gestemde staven, meestal van hardhout (palissander) op een frame. De vorm van de staven is rechthoekig, licht gewelfd, aan de onderkant enigszins uitgehold. De kleinste heeft een lengte van 13,5 cm, de grootste meet 38 cm. De staven met de hoogste tonen zijn het kortst. De staven liggen op dezelfde volgorde als de toetsen van een piano. Onder de staven hangen buisvormige resonatoren die de klank versterken. De xylofoon wordt aangeslagen met hamertjes (van hout, rubber of plastic) of stokken. Deze lepelachtige houten stokken worden ook wel mallets genoemd. Om heel zacht te kunnen spelen zijn er stokken waarvan de kop met rubber is overtrokken. De klank is droog en om een nagalm te simuleren gebrukt de speler vaak het middel van de triller.

De meest gangbare xylofoon heeft een dubbele rij staven, die in de volgorde liggen van een piano-toetsenbord, dus op toon gerangschikt. Deze moderne orkestxylofoon is het belangrijkste gestemde slaginstrument. Zij bestaan in verschillende formaten. De notatie is een octaaf lager dan de klank.
In 1874 werd de xylofoon voor het eerst opgenomen in het orkest toen Camille Saint-Saëns het instrument in zijn Danse macabre de rammelende botten van de doden liet uitbeelden. De xylofoon had toen 4 rijen met staven op een trapeziumvormig frame, in plaats van twee.

De grotere zus van de xylofoon is de marimba. De marimba werd rond 1910 in de VS ontwikkeld. Hij staat een octaaf lager gestemd dan de xylofoon en dankt daaraan zijn warmere, vollere en diepere klank. Het toonbereik is 3 tot 5 octaven. De marimba kan ook met vier in plaats van twee stokken bespeeld worden, voor warme, diepe akkoorden. Meestal worden stokken met zachte, met vilt beklede koppen gebruikt.

De vibrafoon, een combinatie van klokkenspel en xylofoon, ontstond in 1921 in de VS. Onder de metalen staven bevinden zich buisvormige resonatoren, afgesloten met schijfjes, die door een electromotor in trilling worden gebracht. Hierdoor ontstaat het typische vibrato-effect. Het heeft ook een pedaal waarmee de het uitklinken gedempt kan worden. De klankstaven worden aangeslagen met speciale vibrafoonstokken.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: 3 1/5 tot 4 octaven.

MATERIAAL: De orkest-xylofoon (zie afbeelding), heeft een metalen frame en houten staven met daaronder bevestigd metalen of kunststof resonatoren.

GROOTTE: Variabel.

AFKOMST: De xylofoon is zeker al in het begin van de 16e eeuw in Europa bekend. Primitieve xylofoons bestaan al duizenden jaren in Afrika en Azië, b.v. in Indonesische gamelanorkesten.

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

Naar boven

Buisklokken

Dit is een melodie-slaginstrument dat bestaat uit een serie holle metalen buizen van verschillende lengte en een gelijke diameter. De buizen hangen in een raamwerk en worden aan de bovenkant met een hamer aangeslagen. De nagalm kan via een mechanisme met de voet gedempt worden. Het standaardinstrument heeft 18 buizen en een toonbereik van 1,5 oktaaf, maar er zijn er ook met 25 buizen. Het geluid lijkt op een carillon of kerkklokken.

Het klokkenspel lijkt op de xylofoon en de marimba, maar is kleiner en de klankstaven zijn van metaal. Ze zijn in 2 rijen aangebracht, net als de witte en zwarte toetsen van een piano. Hte geheel zit in een platte kast. De staven worden met kleine metalen hamertjes aangeslagen. De klank lijkt op het tinkelen van bellen. het bereik is 2 1/2 octaaf. Het moderne klokkenspel ontstond in Nederland, waar het na 1650 vanuit Indonesië werd geïntroduceerd. Het heette aanvankelijk "miniatuurcarillon". Sedert de 18e eeuw worden in orkesten klokken gebruikt. Voor 1850 gebruikte men klokkenspelen met toetsen.

De lyra (kloklier ) is een draagbaar klokkenspel dat in de 19e eeuw voor Duitse fanfareorkesten werd ontworpen. Het bestaat uit een rij metalen staafjes die zijn gemonteerd in een liervormig frame op een houten handvat. Het instrument wordt gedragen in een gordel en schuin naar boven gericht, vastgehouden met één hand, terwijl de andere hand het instrument met een metalen hamertje bespeelt. De lyra heeft een hoge, tinkelende toon en klinkt zeer doordringend.

De celesta, uitgevonden in 1886, is een klokkenspel dat oogt als een piano, het raamwerk met staven zit in een kast. De metalen staven worden aangeslagen via met vilt bedekte hamertjes, die worden geactiveerd door een eenvoudig pianomechaniek en dito klaviatuur. De notering is een octaaf lager dan de werkelijke klank.

--------------------------------------------------------------------------------

FAMILIE: Slaginstrumenten.

NAAM BESPELER: Slagwerker of percussionist(e).

TOONOMVANG: 1,5 tot 2 oktaven.

MATERIAAL: Koper of metaal.

GROOTTE: De buizen zijn tot 3 meter lang en naarmate de tonen hoger worden, worden ze steeds korter. De doorsnee van de buizen varieert van 2,5 - 10 cm.

AFKOMST: Klokken en bellen komen overal voor, de oudste handklokken in China, 1620 voor Christus, kerkklokken vanaf de 12e eeuw, carillons vanaf de 14 eeuw. De buisklokken ontstonden in Zuidoost-Azië. In 1886 werden in Engeland bronzen buisklokken ontwikkeld (Tubular bells).

CLASSIFICATIE: Hij behoort tot de groep idiofonen (dit zijn instrumenten waarbij het geluid wordt voortgebracht door het materiaal waarvan het instrument is gemaakt, zonder het gebruik van snaren of gespannen huid).

--------------------------------------------------------------------------------

Bronnen: Encyclopedie van muziekinstrumenten-uitg. Helmond en uitg. Orion, Musical instruments van Microsoft, Grote Muziekencyclopedie / Alfred A. Goodman, De Muziekgids / Toon Verbeek, Muziek 1 / Magda Evertse, Klankbord / Hans van den Brand en Paul van Gulick., Handboek van de muziekinstrumenten / Alexander Buchner, Het Muziekboek-Zomer & Keuning, Het blaasorkest / Henk van Lijnschooten.

Internet: www.digischool.nl - www.instrumentenweb.com

Twee recente aanbevolen uitgaven:

Muziekinstrumenten : de geschiedenis van de muziek en het orkest / Max Wade-Matthews. uitg. Veltman, 2002, ISBN 90-592-0058-6
Geillustreerde muziekinstrumenten encyclopedie : een uniek naslagwerk met alle muziekinstrumenten van vroeger en nu / Bert Oling en Heinz Wallisch. Rebo Productions, 2003, ISBN 90-366-1322-9

Naar boven