1 Westernieland, land uit water
(o.a
gebaseerd op een lezing uit ca. 1990, gehouden te Pieterburen voor de Maatschappij
tot Nut van het Algemeen, door dhr. H.K. Noordhuis, rustend landbouwer uit
Eenrum (†), alsmede aanvullende informatie uit ‘Winsum, Gedenkboek’ (1982),
'Het Reitdiepgebied, Regioproject Groningen (1994) en uit 'Eenrum’ (mei 1999).
Afb 1.1 Noord Nederlands kustgebied

1.1 Noord Nederlands kustgebied; detail van poster
van SATELLIETFOTO totaalbeeld
Nederland aangeboden door ROBAS B.V.PROCESSING NLR
Afb 1.2 Lauwersmeer
en Marnegebied
Lauwersmeer en Marnegebied; nader detail
van 1.1

Westernieland
maakt deel uit van de huidige gemeente De Marne, een bestuurlijke samenvoeging
van een 21tal oude woon- en leefkernen in Noord Groningen; elk dorp heeft zijn eigen stijl behouden die overal toch net
even anders is. De gemeente is genoemd
naar het Marnegebied. Dit MARNEGEBIED omvat het semi-eiland omsloten
door:
Kromme Raken(voormalige
Hunze)-Reitdiep-voormalige Lauwerszee-Waddenzee-Oude Riet(c.q.
Westernielandstermaar/Kromme Raken inclusief Eenrumermaar.
Globaal gesproken omvat de gemeente het
vierkant tussen Schouwerzijl in het zuidoosten, Zoutkamp in het zuidwesten,
Lauwersoog in het noordwesten en Westernieland in het noordoosten en Schouwerzijl.
Het Marnegebied is gelegen
in de vroegere (zee)boezem van de Hunze en is in deze Hunzeboezem ontstaan door
aanslibbing van kwelders en ophoging van kwelderwallen.
Deze
Hunzeboezem liep vanaf Groningen in noordnoordwestelijke richting en had omstreeks
600 v.C. zijn monding tussen Panser(Vierhuizen) en Warffum.
De
Hunzeboezem is gelegen in de Hunzedepressie. Dit is een verlaging in het
noordelijk kustgebied en is ontstaan na de voorlaatste ijstijd door noordwaarts
afvloeiende smeltwaterstromen. Na de laatste ijstijd, toen de zee weer ging
stijgen, werden voor de kust schoorwallen gevormd, waarvan de huidige
waddeneilanden het restant zijn. Door deze schoorwallen ontstond stagnatie in
de waterafvoer in de lagere delen en werden moerassen en veenpakketten gevormd.
Als gevolg van een verdere zeespiegelstijging en door zee-inbraken werden
plaatselijk deze veenpakketten weer
weggeslagen. Omstreeks 4000 v.C. ontstond daardoor de Hunzeboezem, toenmaals
globaal gelegen tussen Groningen, Munnikezijl en de noordelijke waddeneilanden.
Het Lauwerszeebekken en Humsterland
behielden voorlopig hun dikke veenpakket. De Lauwerszee bestond toen nog
niet.Door afzettingen van zand, zavel en klei aan de zeeoevers van dit
Hunzebekken werden kwelderwallen gevormd en werd dit bekken geleidelijk weer
kleiner.
Afb.
1.3 Het Groninger landschap omstreeks 600 v. C. (Naar W. Roeleveld)
tekening Ide Stoepker (copyright Wolters Noordhoff)
(Copyright Wolters
Noordhoff).
Dankzij
de bereikbaarheid over water was er omstreeks 600 v.C. op de beide oever c.q.
kwelderwallen van deze rivierboezem permanente bewoning ontstaan. De wierden
werden gevormd door toevallige ophoging met bewoningsafval, waardoor een
natuurlijke bescherming ontstond tegen regelmatige overstromingen door de zee.
In latere stadia vond ook opzettelijke verhoging plaats.
Op
de oostelijke kwelderwal ontstonden de wierdedorpen Adorp, Sauwerd, Wetsinge,
Bellingeweer, Winsum, Obergum, Ranum, Baflo, Rasquert en Warffum.
Op de westelijke kwelderwal
lagen de wierdedorpen Dorkwerd, Oostum, Krassum, Garnwerd, Feerwerd, Ezinge,
Saaksum, Englum, Aalsum, Houwerzijl en Panser. De eerste negen bezuiden de
huidige loop van het Reitdiep, de laatste twee ten noorden van het huidige
Reitdiep.
Omstreeks
200 v.C. was door verdere aanslibbing aan de oostzijde de kwelderwal verder
verbreed en waren de wierdedorpen Groot Maarslag, Mensingeweer, Eenrum en Lutke
Saaxum ontstaan.
Aan
de westzijde was de kwelderwal Niekerk-Zuurdijk gevormd.
In
de opvolgende jaren ging de geleidelijke opslibbing van de Hunzeboezem verder
en vormden de getijdenstromen de prielen die de basis vormden voor de
natuurlijke waterlopen of maren, die nu nog in het Marnegebied zijn terug te
vinden. De verdere kolonisatie van het noordelijke kustgebied heeft vooral door
de aanwezigheid van deze maren/prielen kunnen plaatsvinden. De plaats van de
dorpen geeft aan waar vroeger deze prielen en maren gelopen hebben, ook al zijn
er verschillende door opslibbing verdwenen. Om toch bereikbaar te blijven via
open water, zijn er in later tijden verschillende dwars verbindingen gegraven.
Omstreeks
600 n.C. was de kwelderwal Ulrum-Leens-Wehe gevormd.
In de
transgressieperiode 700-1000 n.C. is vanuit de Lauwersmonding, door inbraken
van de zee tot diep landinwaarts, het veenpakket uit het huidige
Lauwersmeergebied weggeslagen, waarbij de Lauwerszee ontstond en tot ver
landinwaarts erosiegeulen zijn gevormd. Hierbij ontstond ook een doorbraak van
de Lauwersmonding naar de Hunze, waarbij de huidige westelijke tak van het
Reitdiep ontstond.
Door
deze bredere bedding van het Reitdiep werd de hoofdwaterstroom meer op Zoutkamp
gericht en vond de aanslibbing in de in noordelijke richting stromende tak van
de Hunze versneld plaats, zodat daardoor het ten noorden van Schouwerzijl
gelegen Marnegebied verder werd opgebouwd. De oude monding bij Pieterburen
verloor hierbij haar functie en slibde steeds meer dicht.
Rond
1000 n.C. was de westelijke kwelderwal gevorderd tot Hornhuizen, Kloosterburen
en Molenrij.
Teneinde
de regelmatige overspoeling door de zee te beperken, werden vanaf ca. 1000 n.C.
de eerste plaatselijke dijken opgeworpen op de kwelderwallen tussen
verschillende wierden, aanvankelijk als particulier initiatief van
belanghebbende boeren. Niet lang daarna werden de eerste ringdijken aangelegd,
waardoor stukken land in hun geheel omsloten werden.
Afb.
1.4 Hunzeboezem omstreeks 700 n.C. met later gevormde kwelderwallen.
(VVV Fietsgids
Groningen 1993. Uitgave ANWB / VVV)
Na de stichting van
verscheidene kloosters werd de coördinatie van de werkzaamheden door de
kloosters ter hand genomen.
Voor
het Marnegebied is hierbij vooral het Oldenclooster van Kloosterburen van
belang. De kloosters voerden ook zelf projecten uit.
Gewoonlijk
werden de dijken gelegd op bestaande hoger gelegen kwelderwallen. De meeste
oost-west wegen in De Marne volgen deze oude kwelderwallen en (voormalige)
dijktracés.
De
dijk van Hornhuizen over Kloosterburen en Nijenclooster werd aangesloten op de
(oudere) westelijke kwelderwal bij Wehe. Aan de andere oever van de Oude Hunze,
tegenwoordig de Kromme Raken genoemd, liep de oostelijke kwelderwal van Eenrum
/ Den Oever via Den Andel naar Warffum op voldoende zeewerende hoogte.
De
ringdijk die niet veel later ontstond door verbinding van de westelijke oever
bij Nijenclooster met de oostelijke oever van de Kromme Raken bij Den Oever en
van Den Oever via Broek naar Kleine Huisjes en Hornhuizen is waarschijnlijk
zo'n eigen kloosterproject.
De
afwatering van de Kromme Raken naar de Waddenzee liep daarna nog hoofdzakelijk via het
Westernielandstermaar, toenmaals de Rijt genoemd, met mogelijk een
uitwateringsoverloop waar de nieuwe dijk de waterloop kruiste.
Omstreeks
of vóór 1200 n.C. had zich een nieuwe noordelijke kwelderwal gevormd die loopt
van Wierhuizen over Pieterburen en Westernieland tot aan de oostelijke
kwelderwal bij Den Andel. Het is vrij zeker dat de kwelders van Pieterburen en
Westernieland (destijds Mariaburen geheten) in deze tijd bewoond waren. De naam
Mariaburen komt reeds in oude geschriften van omstreeks 1000 n.C. voor.
Na
een korte periode van 1000-1200 n. C. waarin de zee betrekkelijk rustig was,
begint omstreeks 1200 n. C. een nieuwe transgressieperiode.
Op
voornoemde kwelderwal werd omstreeks 1300 n.C. de dijk achter Wierhuizen en Pieterburen gelegd. In 1350 werd deze
dijk doorgetrokken van Pieterburen / Oudedijk tot Den Andel waardoor de
kwelder, waar Mariaburen op lag, binnen de dijk werd gebracht.
Na
deze laatste dijkaanleg was de kustlijn gesloten en werden er in deze eerste zeedijk
ten behoeve van de afwatering de zogenaamde “zijlen” (uitwateringssluizen)
noodzakelijk.
Er
kwam een zijl in de dijk bij Westernieland. Deze zijl, de Hiddingezijl, is
genoemd naar Abt Hiddo van Oldenclooster, die de zijl in 1350 gelegd heeft in
de dijk, die toen de waterloop van de Rijt afsloot van de toegang tot de
wadden. De zijl bleef uitwateren op de Oude Riet, zoals de waterloop naar de
wadden thans nog genoemd wordt.
Door
de afsluiting werd de aanslibbing aan landzijde van de zeedijk gestopt, maar
ging de aanslibbing aan wadzijde juist versterkt door en ontstonden er
problemen met de afwatering naar de Waddenzee.
Toen
bij een vloed in de winter van 1520 de zijl wegspoelde en in de ontstane kolk
verdween, werd de zijl dan ook niet weer opnieuw opgebouwd.
In
1521 werd voor de regeling van de afwatering door de pastoor Gerardus
Warendorp, abt toe des Oldencloster in de Marne, een overeenkomst gesloten met
de zijlrechter van het Schouwerzijlvest, Schelte ter Borch, hoevelinch toe
Warfhusen. De afwatering werd nu geregeld via het Schouwerzijlvest naar het Reitdiep.
Doordat
de aanslibbing aan landzijde vrijwel geheel tot stilstand kwam, zijn de maren
nog heden ten dage bevaarbaar voor schepen met geringe diepgang.
Overigens
is tussen Nijenklooster en Den Oever, beide gelegen op oude oeverwallen, nog
tot ver in de middeleeuwen een brede rivierbedding geweest, die pas laat
dichtgeslibd is. Berucht is daar de plaatselijk soms wel zeer zware klei.
Met
het ontstaan van de zeedijk bij Westernieland ontstond voor het dorp ook het verschijnsel van de dijkdoorbraken
waaronder die van 1686 en 1717 met de daarbij gevormde kolken,. Bij deze
laatstgenoemde watersnoodramp verdween een groot deel van Westernieland. Ook de
andere aan zeedijken grenzende dorpen in Noord Groningen leden grote verliezen.
Na
de ramp van 1717 werd de nieuwe dijk ongeveer 1,5 km meer zeewaarts aangelegd.
Herbouw van het dorp vond voornamelijk in oostelijke richting plaats, zodat de
kerk thans aan de rand van het dorp staat.
Omdat
bij de aanleg van de dijk in 1718 met een deugdelijker dijkconcept werd gewerkt
dan voorheen, hebben zich hier in NoordGroningen na die tijd geen nieuwe grote
dijkdoorbraken meer voor gedaan. Latere inpolderingen zijn mede tot stand
gekomen met het oog op landaanwinning.
De
Noordpolder werd na 1815 bedijkt, waardoor de dijk uit 1718 verder als
slaperdijk fungeerde.
De
Linthorst Homanpolder is in de tijd van de werkverschaffing (1939—1940) en in
de tijd van internering van ‘foute’ medeburgers (1945—1950) bedijkt. Sinds 1984
is deze dijk op deltahoogte.