4 De watervloeden
De
bewoonde gebieden van de Hunzeboezem werden bij hoog water regelmatig
overspoeld. Om deze wateroverlast te beperken, werd er vanaf omstreeks het jaar
1000 n.C. begonnen met bedijking. Deze dijken waren nog laag en eenvoudig van
structuur. Na de komst van de kloosters in deze streek werd de aanleg van
dijken meer gecoördineerd. Daarbij werden de zogenaamde ringdijken met elkaar
verbonden, waardoor meer aaneengesloten zeeweringen ontstonden. Ook werd de
structuur van de dijken verbeterd. Het beheer en onderhoud van de dijken moest
georganiseerd worden. Hierdoor ontstonden de eerste waterschappen. Deze
waterschappen bestaan nog steeds en zijn één van de oudste bestuursorganen van
WestEuropa.
Het
duurde nog eeuwen voordat de waterschappen goed georganiseerd waren en
voldoende kennis en gezag bezaten. Het onderhoud van de dijken werd nogal eens
verwaarloosd. In de tijd van graaf Floris V kwam er een dienstplicht voor boer,
abt, edelman en dagloner om tegen het water te strijden en te zorgen voor
betere bedijking. Vanaf de 15de eeuw begon de stad Groningen zich meer met het
gezag over de dijken te bemoeien. “Wel nait diek'n wil, mout
wiek'n” was
het credo. Dus wie niet meehielp, verbeurde zijn erf.
De
Groningers hadden, volgens een Duitse oud zeekapitein, weinig verstand van het
maken van dijken. Bij een inspectie in de provincie Groningen zag deze
kapitein, Thomas Seeratt, dat de dijken te steil waren en de kruin te smal.
Thomas Seeratt zei: “Het lijken wel ruiters te paard”. Seeratt
werd in 1716 benoemd tot hoofd van de provinciale waterstaat. Helaas was de
watersnoodramp van 1717 niet meer te voorkomen.
De
kustgebieden werden regelmatig geteisterd door stormvloeden. Van de 12de tot en
met de 18de eeuw zijn hier 14 keer dijkdoorbraken geweest.
Een
van de eerste die wat ruimer is beschreven, is die van 1520.
Tijdens
een stormvloed is de sluis Hiddingezijl weggeslagen en is er een kolk ontstaan.
Zo'n kolk sprak tot de verbeelding van de mensen. Bij helder
weer en helder water waren de sluisdeuren, ondanks de grote diepte, nog
duidelijk te zien. De kolk was zo diep dat, toen een koets met koetsier en
paarden erin verdween, er nooit iets van is teruggevonden. Soortgelijke
verhalen werden er ook verteld van kolken bij Hornhuizen en Munnekezijl.
Van
de kolk Hiddingezijl is helaas niets meer over omdat deze omstreeks 1980 werd
gedempt met o.a.zgn flinten(zwerfstenen uit de periode van landijs) die bij de
dijkaanleg van de Linthorst-Homanpolder waren overgebleven. Vlak bij deze
voormalige kolk bevind zich een met riet begroeid restant van een voormalige
dobbe.
In
1570 was er op 1 november de Allerheiligenvloed. Er werd een gat in de
zeewering geslagen en het water liep diep het land binnen en werden de
landerijen rondom de wierde van Eenrum overstroomd. Van 12 op 13 november 1686
kreeg men te maken met de Sint Maartensvloed. In Westernieland verdronken 60
mensen en werden er 38 huizen vernield. Van het vee verdronken er 29 paarden en
221 koeien.
In
1715 was er ook een overstroming; deze richtte weinig schade aan.
Twee
jaar later kreeg Noord-Nederland in de nacht van 25 december te maken met een
zware stormvloed. Bij deze kerstvloed van 1717 werd het dorp Westernieland
grotendeels verwoest. Van de 50 huizen die er stonden, werden er 35 door de golven
gesloopt. Van de 15 overgebleven woningen bleken er nog maar 4 bewoonbaar te
zijn.
Met de boerderijen was het al niet veel
beter gesteld. Na reparatie kon het overgebleven vee nog in twee boerderijen
worden gestald.
Er
verdronken 78 mensen, 66 paarden, 219 koeien, 21 varkens en 747 schapen.
Ook
de kerk en het interieur hebben het zwaar te verduren gehad. De deuren in de
toren waren weggeslagen, evenals een stuk muur en alle banken waren op het koor
gespoeld.
4.1 Tekening
van de kerstvloed van 1717. Krantenartikel HoogelandsteR, datum
onbekend.
Doordat
de kerk niet gebruikt kon worden, werden de kerkdiensten tijdelijk in een
boerderij gehouden. Deze boerderij, de Addingaheerd, staat nog steeds in het
dorp, doch is in later tijden grotendeels gewijzigd.
Hier
volgen enkele impressies hoe mensen zich tijdens de stormvloed in veiligheid
trachtten te brengen.:
“Isebrand
Pieters en zijn vrouw dreven met een stuk van hun huis naar een scheepje. Het
scheepje raakte vol water en dreef richting Rasquert. Hier wist Isebrand in een
boom te klimmen. Zijn vrouw, bevangen door kou en uitputting, had niet meer de
kracht om in de boom te klimmen en ook lukte het Isebrand niet om haar in de
boom te krijgen en zo verdronk zij onder de ogen van haar man. Isebrand werd
wel gered”.
“Pieter Klasens vluchtte bij het zien van het
aanbruisende water met vrouw en meid naar de zolder. Zijn broer dreef van zijn
bed naar buiten en kwam in een boom terecht. De moeder van Pieter verdronk.
Haar lijk werd naderhand gevonden bij Harkstede en ze is begraven in de stad
Groningen. De knecht was in de schuur op een blok stro gevlucht. Hij bond een
touw aan een stuk hout en liet dit naar de boom drijven waar de broer van
Pieter in zat en zo kon ook hij voorlopig gered worden. Weldra spoelde het middelste
gedeelte van het huis weg en verkeerden Pieter en zijn vrouw en de meid in
nood. Het lukte hen echter met behulp van het touw en het stuk hout in de
schuur te komen. Ze maakten een gat in het hooi om zo hun benen te verwarmen.
Ze werden de daarop volgende zondag allen gered”
Bij deze kerstvloed werden over een
afstand van 10 minuten gaans, bij de dijkdoorbraken, vier grote kolken gevormd
langs wat nu Kaakhornsterweg en Kaakhornsterpad heet. De restanten zijn nu
beschermd landschapsmonument. De kolk aan het Kaakhornsterpad is nu nog een, in
het midden open, rietplas. Het zand dat uit de kolk is gespoeld, ziet eruit als
een ‘natuurlijke’ wierde en is in beheer van Natuurmonumenten.
De
kolk achter Kaakhornsterweg nr. 31 is medio 20ste eeuw door de
gemeente Eenrum vol gestort met bouwafval.
De kolk bij nr. 45 is nog mooi open, diep en
steil, zodat er nauwelijks waterplanten in kunnen groeien. Deze kolk is in
beheer van Staatsbosbeheer. Het huis op nr. 45 is na de overstroming weer
opgebouwd en later weer gewijzigd
De
kolk bij nr. 53 is veel minder diep.
In
het begin van 1718 stuurden de Staten 500 soldaten en 4000 arbeiders om de
dijken te herstellen en te beginnen met een nieuwe dijk naar de inzichten van
Thomas Seeratt. Deze dijk werd ongeveer 1,5 kilometer zeewaarts aangelegd. De
boeren en landeigenaren kregen met de verplaatsing van de dijk meer land,
waardoor de bereidheid tot bedijken toenam. Zo ontstonden o.a. de
Zevenboerenpolder en de Ikemapolder.
Het
belang van betere bedijking zag men rond 1800. Terwijl het westen van het land
schade leed door overstromingen bleef men hier in het noorden daarvoor
gespaard. Gedurende de rest van de 19de eeuw deed men veel aan landaanwinning;
de ene na de andere polder werd voltooid. Als laatste in de 19de eeuw de
Lauwerspolder in 1892.
In
1916 was er een stormvloed en rond de Zuiderzee bleken de dijken niet bestand
tegen het watergeweld. Ook bij Nieuw Statanzijl was er een doorbraak. Daarom
werden ook de dijken van de provincie Groningen geïnspecteerd.
De provincie en het rijk besloten om
nieuwe dijken aan te leggen. Naast een betere bescherming, was er tevens een
mogelijkheid om meer nieuw land aan te winnen. Omdat de werkloosheid in het
land groot was, werd besloten om werklozen in te zetten.
4.3 Kantine bij het werkkamp De Slikken. Ansichtkaart
privébezit.
Voordat
met de Linthorst Homanpolder werd begonnen, werd achter Westernieland het
werkkamp '”De
Slikken” gebouwd.
In dit kamp had men plaats voor 600 arbeiders. Het was bedoeld voor hen die
niet naar huis konden. Er was werk voor 1300 mensen.
Op
20 februari 1939 ging de eerste spade de grond in. De inpoldering verliep niet
zo vlot als men gehoopt had. Door de voorjaarsstormen werden gaten in de nieuwe
drie meter hoge dijk geslagen.
In
de nazomer van 1939 viel Duitsland Polen binnen en de mobilisatie werd
afgekondigd.
Veel arbeiders moesten onder de wapenen.
Slechts 300 mannen bleven over. Door het slechte weer konden deze mannen niet
veel doen en het werk werd stilgelegd.
In april 1940 kon het werk worden hervat,
maar na de inval van Duitsland in Nederland kwam het werk opnieuw stil te
liggen.
Na
enige tijd werd het werk weer hervat.
Voor
de arbeiders die in het kamp verbleven, werd gekookt door een “keetvrouw”.
Zij
kookte voor 100 personen. Het menu was iedere week hetzelfde.
Het
menu was:
maandag - bonensoep met worst
dinsdag - aardappelen
met grauwe erwten en pap
woensdag - snert met worst
donderdag - snijbonen met
worst
vrijdag - grauwe
erwten met spek en pap
Op
14 oktober 1940 kwam de volgende tegenslag. Een bus met werklui kwam nabij
Winsum op de onbewaakte overweg bij Ranum onder een trein. Negen mannen waren
op slag dood, twee overleden op weg naar het ziekenhuis en twee stierven later.
De anderen waren zwaar of licht gewond.
De
slachtoffers werden begraven op de
Zuiderbegraafplaats in Groningen. Bij de dijkovergang naar de Linthorst
Homanpolder staat een monument met een gedenkplaat met daarop de namen van de
slachtoffers.
Na
juni 1945 kwamen er NSBers in het kamp. Zij werden tewerkgesteld bij de
voltooiing van de polder die in 1947 een feit was.
Een
groot deel van het kamp “De Slikken” is nadien in de
loop van de jaren afgebroken. Het deel dat er nu nog staat heeft een
recreatieve functie.
Nog
tot aan het klaarkomen van de op “Deltahoogte” gebrachte zeedijk in 1984 was er
tijdens zware stormweer een dijkbewakingsplicht voor boeren, dorpsbewoners en
ambtenaren.

4.4 Luchtfoto
Westernieland, met waddenzee en zeedijk omstreeks 1978
De dijk uit 1350 n.C. liep van middenrechts naar linksbeneden op ca.1/3 van de
hoogte van de foto, zoals ook uit de verkaveling en het kolkrestant in het
midden van de foto is op te maken.