6 Kerkgebouw, begin & ontwikkeling
De
naam Mariaburen van omstreeks het jaar 1000 wijst erop dat het dorp toen reeds
functioneerde als buurtschap, waarschijnlijk vallende onder de parochie van
Pieterburen. De aparte naam Mariaburen wijst daarbij op een eigen kerkelijke
behuizing, mogelijk een kapel.
Te denken is daarbij aan een
kleine monnikengemeenschap, wellicht een dependance van Oldenclooster te
Kloosterburen. Er is weinig fantasie voor nodig om deze monnikengemeenschap met
kapel en boerenbedrijf te lokaliseren op de boerderijwierde tegenover de
huidige kerkwierde. In later tijd, toen de techniek van het bakken van
kloostermoppen ook in deze streken tot de vaardigheden ging behoren, zou er
dan een nieuwe bakstenen kapel op de plaats van de huidige kerk kunnen zijn
gebouwd, maar dan moet het inmiddels het jaar 1170 of later zijn geweest.
De
huidige (bakstenen) kerk is nml van het romanogotische type en dateert volgens
sommige schrijvers uit het midden van de 13de eeuw.
Volgens
kenners is het meest oostelijke koorgedeelte zelfs van nog oudere datum. De
romanogotische bouwwijze met kruisgewelven en rondboogramen is vanaf ca. 1150
in WestEuropa toegepast; een da tering van het koorgedeelte begin 1200 is zeer
wel mogelijk. Ook lijken de kloostermoppen in de oostgevel een grotere brosheid
te vertonen, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat in deze tijd de techniek van
het bakken van kloostermoppen nog wel niet geheel uitgekristalliseerd zal zijn
geweest,dan wel van een tweede kwaliteit zouden kunnen zijn.
Te
denken is daarbij aan een kleine monnikengemeenschap, die het oorspronkelijke
ééngewelfs kerkje als kapel voor de eredienst in gebruik had en tegelijk de
boerderij op de tegenoverliggende wierde exploiteerde.
Zeker
is dat ook de latere tot drie gewelven
uitgebreide kerk niet van een
aangebouwde toren voorzien was. Er waren twee ingangen, t.w. de ingang voor de
mannen in de zuidgevel en de ingang voor de vrouwen in de noordgevel.

6.1 Kerk met
wierde vlak voor de restauratie. Foto privébezit.
De
ingang is thans aan de Westzijde via de aangebouwde toren die uit de 14de eeuw
dateert en later nog sterk is gewijzigd.
Tijdens
de kerstvloed van 1717 is een gedeelte van de muren en zijn de deuren van deze
toren weggeslagen.
Ten
gevolge van slecht onderhoud stortte in 1926 wederom een gedeelte van de
voorgevel van de toren in. Er is toen een nieuwe, zwaardere muur tegenaan
gezet. Hierbij is een niet bij de toren passende steensoort gebruikt. Mede
doordat de noordgevel van de toren toen besmeten werd met een grijze cementlaag
is het middeleeuwse aanzicht van de toren hierbij geschonden
Ook
de kerk zelf heeft zo zijn bouw– en ongevallengeschiedenissen gehad.
Allereerst
de aanbouw van twee nieuwe gewelven aan de bestaande kapel anno 1250.
Vervolgens
het dichtzetten van de zuid en de noordingang na de aanbouw van de toren in de
14de eeuw.
Ook
is als gevolg van de overgang van een roomskatholieke kerk naar een
protestantse kerk het interieur sterk gewijzigd en werden de romanogotische
rondboogramen vergroot
Tenslotte
heeft de kerstvloed in 1717, toen het water in de kerk ca. 2 meter hoog stond,
veel schade toegebracht. De banken waren op het koor gespoeld.
Onderhoud
had in de protestantse tijd niet de hoogste prioriteit, omdat de kosten voor
een leraarpredikant nu eenmaal hoger lagen dan het levensonderhoud van een
celibataire priester.
In
1831 moest er nodig wat aan de gewelven van de kerk gedaan worden. Bij deze
herstelling heeft de kerk haar gewelven verloren en is overzolderd. Tevens zijn
de bestaande 2x3 romanogotische ramen in de noord en de zuidgevel
werden vervangen door 2x4 grote spitsboogramen. Ook in de
oostgevel van het koor werden de ramen vergroot.
Een
en ander is te herleiden uit de bouwsporen die bij de restauratie
2001------2002 zichtbaar werden.
Historische bouwsporen van de kerk in
kaart gebracht.


De
oostmuur...
...
de westmuur. ..

...en de zuidmuur
Door
al deze ingrepen is de gevelstructuur er bepaald niet fraaier op geworden.
In
1877 werden de muren aan de buitenzijde en aan de binnenzijde bepleisterd met
een harde cementmortel. Binnen 80 jaar dit leidde tot ernstige
problemen:
de kerk werd vochtiger, de zolderbalken begonnen bij de oplegging in de
zijgevels op verschillende plaatsen te rotten, het dak lekte op veel plaatsen
en het meubilair was aan grondig onderhoud toe. Maar het geld was op!!!
In
de vijftiger jaren van de 20ste eeuw werden pogingen ondernomen om
voldoende geld bij elkaar te sprokkelen om de kerk geschikt te houden voor
erediensten.

In
1957 werd, op een verzoek aan Monumentenzorg om een reparatiesubsidie,
afwijzend beschikt vanwege de toenmaals noodzakelijke rijksbezuinigingen. De
begroting voor voorlopig herstel à ƒ10.000 was niet rond te krijgen. Reserveringen
uit het restauratiefonds, bijdragen van de gemeente (Eenrum), provincie en
inzamelingen onder de dorpsbewoners leverden een totaal van ƒ9.000 op.
Een
nadere rondgang door het dorp leverde voldoende toezeggingen voor hand en
spandiensten op om het resterende gat te dichten.
In juni 1958 kon men met vereende
krachten aan de herstelling, binnen en buiten, beginnen. Hoewel dit geen
afdoende restauratie inhield, was daarmee wel algeheel verval voorlopig
voorkomen.
6.2 Tekening
bij Westernielanders aan het werk 1958. Bron onbekend
Midden
tachtiger jaren van de 20ste eeuw werd uit de nalatenschap van ds.
Piccardt († 1936 te Haren en begraven op de algemene begraafplaats in
Westernieland) aan de kerk een erfenis toebedeeld van ruim een half miljoen
gulden, ten
behoeve van ”het
geestelijk leven in Westernieland”, dus voor eredienst en pastoraat in de
ruimste zin van het woord. Schulden konden betaald worden, de kerk kreeg
centrale verwarming en de buitenkant van de oorspronkelijk wit geverfde kerk
werd geschilderd in een gele, zuidelijk aandoende kleur. De rest van de erfenis
werd gereserveerd voor ondermeer predikantentraktementen en eigen bijdrage bij
een eventuele restauratie onder Monumentenzorg, waarover nu weer ernstig werd
onderhandeld.
6.3 Ds. N.L.Piccardt C.Hzn met vrouw en
dochters. Foto bezit kerk Westernieland (gift).
Begin
jaren negentig werd de kerk op de lijst van rijksmonumenten geplaatst. Omdat de
kerkelijke gemeente Westernieland inmiddels geen handelingsbevoegde
kerkvoogdij meer had, werd de erfenis onder beheer gesteld van de Stichting
Beheer Kerkelijke Goederen.
Na
de samenvoeging in 1993 van de gemeenten Den Andel, Eenrum, Saaxumhuizen en
Westernieland werd door de kerkenraad van deze nieuwe gemeente in 1994 de
restauratiecommissie geïnstalleerd, die de nog steeds noodzakelijke restauratie
financieel en inhoudelijk mede moest voorbereiden.
Hoewel
nog niet alles rond was, vooral het financiële gedeelte niet, moest opnieuw in
2000 de restauratie met urgentie worden aangepakt.
Omdat
de hervormde gemeente Halfambt het van belang vond dat het kerkgebouw voor méér
dan kerkdiensten alléén gebruikt zou kunnen worden en omdat óók de gemeente De
Marne multifunctioneel gebruik als voorwaarde stelde om voor subsidie in
aanmerking te komen, moest in het interieur een en ander gewijzigd worden: de
banken kregen een comfortabeler zit, in het koorgedeelte werden de grafzerken
verschoven tot onder de preekstoel en werd het koor vergroot. Ook werden
achterin de kerk voorzieningen getroffen voor een eenvoudig toilet en keuken.
Ten behoeve van de organisatie van
culturele activiteiten in de kerk Westernieland is een stichting in oprichting
van start gagaan.
NAAR VOLGEND HOOFDSTUK